Het schaap

1998-05-29
  • Jaargang 42
  • nummer 11
Er was eens een schaap. Ze wist wel dat ze bij een kudde hoorde en dat ze een herder nodig had. Maar welke kudde en welke herder? Er werd zoveel aangeboden. Soms voor geld, soms gratis. Er waren zoveel herder die riepen: „Kom maar, ik weet de weg.” En ons schaapje volgde dan de een, dan de ander. Maar de ene herder interesseerde zich niet voor schapen, een andere ging weg, weer een andere raakt verdwaald met schapen en al en ons schaap moest de weg maar zien terug te vinden, alleen. Het arme schaap! Ze wist al die tijd dat het anders moest en dat het anders kon. Ze zag wel dat het haar nooit alleen zou lukken een echt schaap te worden met veel wol en weinig geschreeuw. Bovendien was ze bang, hoe dapper ze ook leek. Bang voor de wolven en de ravijnen en voor het donker. Ze bedacht hoe de goede herder er uit zou zien, hoe mooi en dapper.
En eindelijk vond ze Hem. Of...
vond Hij haar? Hij zag er heel anders uit dan ze gedacht had. Hij leek eigenlijk meer op een schaap, op een lam. Hij keek haar aan met ogen die niet sterk en zelfverzekerd waren, maar eindeloos verdrietig. Toch wist ze vrijwel meteen dat dit de goede herder was. Want als ze in die ogen keek dan zag ze haar eigen verdriet en haar eigen tranen. Alsof Hij de spijt had die zij had, alsof Hij geleden had wat zij had geleden.
Het was niet meer nodig om te huilen, of om je te schamen. Het schaap begon zenuwachtig te lachen. Maar de herder zag er al niet schaapachtig meer uit. Hij begon meer op een leeuw te lijken. Hij was meer dan een herder die zijn weg zoekt door het land op weg naar eten en drinken voor de dieren. Hij was de maker en de meester van het land. Hij liet het gras groeien. Hij was het water dat voortdurend stroomt. Het schaap wist dat er altijd genoeg zou zijn, dat de herder altijd de weg zou weten en dat zij bij hem volkomen veilig was.
Het schaap zei „ja” tegen de herder.
Daar vroeg Hij haar naar, want dwingen wilde Hij niet en Hij vond het fijn te horen hoe het schaap zo helemaal zichzelf en uniek tegen Hem zei dat ze Hem lief vond. Toen bracht de herder haar bij de kudde. Dat was wel een beetje eng. Er liepen gekke schapen tussen. „Hier hoor je bij”, zei de herder. „Met deze schapen kun je samen eten en lachen, een beetje ruzie maken misschien en jullie houden elkaar warm en op de goede weg.” „Fijn”, zei het schaap en ze dacht ineens aan andere schaapjes, buiten, alleen.
„Kunnen er nog schapen bij of is de kudde vol?”, vroeg ze zachtjes. „Ha, dat is een mooie vraag”, zei de herder. „Er kunnen altijd schapen bij. Jij weet er wel een paar he? Ik ken ze ook. We moeten er maar eens op af, samen.
Maar eerst .... lekker grazen.”

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief