Loop niet weg uit de spanning

2009-12-18
  • Jaargang 53
  • nummer 25
In mijn vorige artikel reageerde ik op de commentaren op mijn drieluik over het Utrechtse besluit om het ouderling- en diakenambt te openen voor homoseksuele gemeenteleden die in ‘een relatie van liefde en trouw’ leven. Daarin pleitte ik voor een eerlijke omgang met de Bijbel, ook als het om homo’s gaat. Eerlijk in die zin dat we de vraag stellen: gaat het bij de homoseksualiteit zoals we die vandaag tegenkomen, (altijd) om de homoseksualiteit waar de Bijbel over spreekt? Die vraag naar de culturele factor in de omgang met de Bijbel is terecht. We moeten de Bijbel niet laten buikspreken, niet laten zeggen wat hij niet zegt.

Maar we moeten ook eerlijk met de Bijbel omgaan in die zin dat we wat de Bijbel wél zegt, voluit moeten laten klinken. Concreet: we moeten niet blijven staan bij de teksten die expliciet gaan over de ‘homoseksuele praxis’ (wat een afschuwelijke uitdrukking overigens: welke man en vrouw duiden hun seksuele leven ooit aan als ‘onze heteroseksuele praxis’?), maar de Bijbel laten uitspreken. Doorspitten naar de diepere laag ín de Bijbel en ónder de teksten (dus ook onder de ‘homoteksten’): de beweging van Gods schepping naar het Koninkrijk dat in Jezus Christus gekomen is. Job Smit noemt in zijn artikelen over ‘de culturele factor’ die beide – schepping en Koninkrijk– wel, maar ze spelen daarin verder nauwelijks een rol. Of beter: hij lijkt het perspectief van het Koninkrijk, zonder dat overigens concreet in te vullen, in stelling te brengen tegen het perspectief van de schepping en van de structuren die God daarin heeft gelegd.

Het onderwijs van Jezus in Matteüs 19 verbindt het ‘van den beginne’ en de komst van Gods Koninkrijk daarentegen nadrukkelijk met elkaar, juist rond huwelijk en seksualiteit. Hier en elders maakt Jezus duidelijk dat het Koninkrijk van God de schepping niet wegstreept, maar juist tot zijn vervulling brengt. Gods Koninkrijk staat nooit haaks op Gods schepping; het is ten diepste herschepping, ‘herstelwerk’ om de titel van Smouter’s boek over het werk van de Geest te citeren. Als Smit daarom erkent dat homoseksueel verkeer vanuit de schepping gezien een aantasting en omkering van Gods orde vormt, kan het niet in het licht van het Koninkrijk opeens een legitieme - hoewel niet helemaal gelijkwaardige - variant zijn.

Zowel in Matteüs 19 als in 1 Korintiërs 7, waar Paulus het huwelijk relativeert in het licht van het komende Koninkrijk, leidt die relativering er geen moment toe dat naast de man/vrouw-verhouding ook de man-man- en de vrouw-vrouw-verhouding als mogelijke opties in beeld komen. Beide Schriftgedeelten doen geen schim van een gedachte in die richting rijzen. Integendeel, wat er gebeurt, is dat het huwelijk en de seksualiteit als zodanig worden gerelativeerd: wie trouwt doet goed, wie niet trouwt doet beter én leef als getrouwden als was je niet getrouwd, is kort door de bocht Paulus’ advies. Ook Jezus’ woord in Matteüs 19 over hen die ‘zichzelf gesneden hebben ter wille van het Koninkrijk’ (vertaling 1951) gaat eerder in de richting van het afzien van seksuele beleving dan van het anders invullen daarvan. In een recente preek gaf ds. Bert Lakerveld uit Deventer aan, waarop die relativering gebaseerd is: Het verlangen naar liefde, verbondenheid, geborgenheid, vrede, er mogen zijn, kwetsbaar kunnen zijn, geven en ontvangen dat de kern vormt van huwelijk en seksualiteit, krijgt ook en zelfs dieper zijn vervulling in de relatie met God, in Gods Koninkrijk en in Gods gemeente. Die werkelijkheid – voor gemeenten tegelijk een klemmende opdracht - kan volgens hem de angel uit de seksuele verlangens van hetero’s, getrouwd of ongetrouwd, én van homo’s halen.

Subjectivering
Een andere moeite die ik met Smit’s betoog heb, is dat de ethiek – wat vraagt God van mij? – bij hem erg subjectief wordt. Het gesprek in de kerk gaat in Smit’s benadering vooral over wat ieder er vanuit eigen perspectief van vindt. De Bijbel blijft weliswaar niet dicht, maar de persoonlijke beleving en de Bijbel lijken bij hem gelijkwaardige partners die met elkaar in gesprek zijn. Zo kun je als hetero concrete Bijbelse waarschuwingen tegen immoreel gedrag counteren met de uitspraak dat die waarschuwingen (bijv. in 1 Korintiërs 6) in het kader staan van een goddeloos leven en dat dat bij jou niet het geval is. Smit zal die consequentie niet willen trekken, maar ik zie niet goed hoe die te vermijden is.

Even subjectiverend is Smit’s nadruk op het feit dat homo’s die een seksuele relatie aangaan, diep gelovige mensen kunnen zijn die een weg zoeken in het leven. Wis en zeker kan dat zo zijn, en dat kan in allerlei discussies zo maar onder de tafel verdwijnen. Maar is daarmee alles beslist? Ook zoekende gelovigen, hoe ook geaard, kunnen dwalen en zondigen. Wat help je homofiele medechristenen ermee door hun eigen gelovig zijn en hun persoonlijke zoektocht het laatste woord te geven? Natuurlijk maakt het voor de vraag hoe een kerkelijke gemeente omgaat met de homo’s in hun midden heel wat uit, of iemand gelovig is en Jezus wil volgen. Maar dat is een ander onderwerp dan de vraag, of je hen een moreel kompas aanreikt dat hen bij hun keuzes richting geeft. Dat je als homo gelovig en zoekend ben, is een onmisbare voorwaarde voor je keuzes, maar het is daarmee nog geen richtingwijzer bij die keuzes. Wie geeft hem of haar antwoord op de vraag, wat goed is en wat verkeerd? En op de vraag: hoe doe ik in mijn leven recht aan Gods bedoeling?

Een van beide
Hoe help je elkaar in de gemeente van Christus om keuzes te maken? Daarover gaat het ook in het artikel van Gerard de Lange. Hoe vind je als homo je weg in een land waarin niemand je bij een keus voor een homoseksuele relatie een strobreed in de weg legt en in een kerkelijke wereld die daarover hopeloos verdeeld is?

De Lange’s persoonlijke standpunt is duidelijk: de keus voor homoseksuele relaties is niet Bijbels en dus zondig. Het is een van beide: óf je aanvaardt de mens en zijn levenskeus, óf je wijst die af. Wanneer je de levenskeus als zondig ziet, is er geen toegang tot het Avondmaal. Homo’s aan het Avondmaal aanvaarden en tegelijk hun homoseksuele relaties afwijzen, zo van: Ik vind jou goed, maar je manier van leven deugt van geen kant, dat kan niet.Iets is goed of iets is kwaad: als je homostellen als gemeentelid aanvaardt, dan ook als ambtsdrager.

Tegelijk vindt De Lange dat hij dat standpunt niet moet pressen in de op dit punt verdeelde kerkelijke wereld van 2009. ‘Vader en moeder denken er verschillend over, dus moet je echt zelf tot een keus komen’. Dat kan gelukkig ook, want in het Nieuwe Verbond wijst de Geest je de goede weg en brengt Hij je tot de juiste beslissing, schrijft De Lange vol vertrouwen.

Moois
Er zit iets moois in deze benadering: zelf een standpunt innemen, maar dat in de kerk niet pressen. Dat gebeurt niet vanuit de houding ‘hier sta ik, ik kan ook anders’, want dan ken je Gerard de Lange niet. De Lange komt tot zijn keus – zo proef ik - omdat in de kerk alleen het Woord van God gezag heeft en omdat hij vuurbang is voor menselijke machtsuitoefening in de kerk, zelfs of juist met een beroep op Woord en Geest. Maar ook omdat De Lange door de toenemende ethische pluriformiteit in de kerk de mogelijkheden om leiding te geven ziet afnemen. En tenslotte omdat hij vertrouwt dat desondanks homo’s, geleid door Gods Geest, zelf de goede weg zullen vinden. De Lange wil geen gewetens binden, betreurt de verdeeldheid, gooit de kop niet in de wind en probeert niet koste wat kost zijn eigen gelijk af te dwingen. Hij zoekt – met behoud van zijn eigen standpunt en integriteit - de vrede.

Zwart-wit
Toch vind ik zijn benadering te zwart-wit. Allereerst inhoudelijk. Waarom in één adem spreken over het al of niet aanvaarden van de mens én diens levenskeus? Ik weet me persoonlijk door God aanvaard. God zegt tegen mij: Ad, je bent mijn geliefde kind. Maar aanvaardt Hij daarmee alles wat ik denk, zeg en doe? Nee toch? Hij aanvaardt me zoals ik ben, om me te maken tot wat ik niet ben. En daarom: Ga heen, zondig niet meer. Dat is geen ‘lieve poes, stoute kat’ (De Lange), maar: Volg mij!

Ook het in één ruk doorlopen van de zondige keuzes van een mens naar zijn of haar plek aan de Avondmaalstafel gaat me bij De Lange veel te snel. We komen volgens het oude formulier immers niet tot het Avondmaal om daarmee te betuigen dat we in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn, maar dat we ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken. Bovendien maken we die verbinding tussen levenspraktijk en Avondmaal heel gemakkelijk rond het seksuele leven, terwijl PVV-stemmers en wie zich bij de omgang met geld, goed en schepping met een jantje-van-leiden van het Koninkrijk afmaakt – wie niet? – welkom blijven aan de Tafel van de Heer. En de ruziezoekers en de roddelaars. Zo gaat het in de praktijk toch vaak? Weet ik dan precies, hoe het moet? Nee, dat weet ik niet precies. Ik stamel. Net als veel kerkenraden dat doen bij de vragen rond tucht en Avondmaal. Niet met groepen of categorieën, maar met concrete mannen en vrouwen voor ogen. En kerken die samenlevende homo’s aan het Avondmaal toelaten, zeggen vaak ‘dat ze niet de vrijmoedigheid hebben’ hen weg te houden van de Tafel van de Heer. Ook stamelend, proef ik.

Vervolgens maakt De Lange nóg een directe doorsteek, namelijk naar het ambt: als je iemand als gemeentelid aanvaardt, dan kan hij (bij De Lange geen zij) dus ook in het ouderlingambt. Opnieuw: waarom zo zwart wit? De kerk heeft toch altijd op goede bijbelse gronden aan ambtsdragers extra maatstaven aangelegd? Herders die de kudde moeten leiden en weiden, hebben toch een andere verantwoordelijkheid dan de schapen? Een parallel die De Lange moet aanspreken: hij vindt dat vrouwen gemeentelid kunnen zijn, maar hij vindt niet dat ze ambtsdrager kunnen zijn. Er zijn toch tal van zaken die geen verhindering zijn om aan het Avondmaal te gaan, maar waarmee iemand naar de beste overtuiging van de kerk geen ambtsdrager kan zijn. Zo zijn er gemeenteleden met wie we het Avondmaal vieren, die onoverkomelijke moeite hebben met de kinderdoop. Dat blokkeert in de meeste gemeenten de toegang tot het ambt, maar niet tot de gemeente. Of vindt Gerard de Lange dat zulke christenen eigenlijk geen lid van de gemeente kunnen zijn?

Hand op de mond
In nog een opzicht beleef ik De Lange’s insteek als te zwart wit. Hij heeft een duidelijke mening over homorelaties, maar nu er in de kerk (plaatselijk of landelijk, dat wordt bij hem niet zo duidelijk) ook tegengestelde stemmen klinken, zal hij er voortaan het zwijgen toe doen. Op de kansel in elk geval: die lijkt bij hem symbool te staan voor de verkondiging en het onderwijs in de plaatselijke kerk, en ook voor uitspraken van de gezamenlijke kerken in het kerkverband. Hij wil wel náást de kansel (als kerklid Gerard de Lange, proef ik) zeggen hoe hij erover denkt. Maar waarom zo snel de hand op de mond gelegd? Inderdaad, als de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardige nog doen (Psalm 11)? Maar dat is toch niet aan de orde? Waarom niet blijven meetillen aan de last om hierin als kerken samen verder te komen? Waarom ‘naast de kansel’? Dat klinkt als aan de kant gaan staan in plaats van blijven meedoen aan de worsteling om sámen een weg te vinden. Waarom zouden locale of landelijke kerken in een steeds pluriformer denkende en sprekende christelijke wereld niet blijven zeggen wat naar hun overtuiging in de lijn van Gods Woord ligt? In liefde en wijsheid, niet de andere stemmen proberen te overschreeuwen, maar toch. In het Nieuwe Verbond luisteren we toch ook samen naar wat de Geest tot de gemeenten zegt, juist in een tijd vol met andere geesten? In een steeds pluralere wereld en in een steeds pluriformere kerk (het Koninkrijk is nog niet voltooid!) zijn Gods kinderen - homo’s en hetero’s – toch geroepen elkaar te helpen bij het maken van goede keuzes?

Spanning
Zowel Smit als De Lange stappen voor mijn gevoel veel te snel uit de spanning die met de omgang met Gods Woord in de gebrokenheid van het leven gegeven is. Smit zegt: Ik neem homoseksualiteit anders waar dan de mensen uit de tijd van de Bijbel, ik zie gelovige homo’s die hun weg zoeken in het leven en daarom zie ik ruimte voor homoseksuele relaties. Ook De Lange loopt weg uit de spanning. Het is bij hem een van beide: Of de levenskeus is zondig en dan dus geen toegang tot het Avondmaal, of de levenskeus is niet zondig, dan is er plek aan het avondmaal en dus ook in het ambt. En nu er in de kerk zoveel andere meningen klinken dan de mijne, praat ik er alleen nog náást de kansel over.

Leeuw en lam
Ik voel me dan meer thuis bij priester Antoine Bodar. In het boek Ongeordende liefde beschrijft hij zijn leven als homo – eerst in een relatie, daarna celibatair – en wijst hij wegen vanuit de Bijbel. Het is een boek vol spanning. 'Het nadeel is dat ik de herinnering ken. Als ik nooit armen om me heen had gevoeld, zou ik dat ook niet zo missen', zegt hij. En ook: ‘Ik wil een leeuw zijn op de kansel en een lam in de biechtstoel’. De norm is duidelijk. ‘Ook als je de homoteksten niet kunt invoelen’, dan blijft staan wat Genesis 1 zegt over de schepping. ‘De mens is geschapen als man en vrouw. Mannen zijn niet bedoeld voor mannen’ Vanuit dat perspectief en dat van het Koninkrijk ziet Bodar in de Bijbel geen opening in de richting van homoseksuele relaties, en zeker niet in het ambt. Om vervolgens niet alle zonden op één hoop te gooien en zoekend en tastend, vol barmhartigheid, zijn weg met concrete mensen ((dat is wat anders dan groepen zoals ‘de homo’s in de kerk’) te gaan: een leeuw op de kansel, een lam in de biechtstoel. Logisch? Nee, niet logisch, niet zwart-wit. Zoals de stijl van Gods Koninkrijk ook niets met logica te maken hebben: sterven om te leven, geven om te ontvangen, verliezen om te behouden. Dat kan alleen in de gemeenschap met Christus. En in een gemeenschap van broers en zussen die allemaal die spanning in hun eigen leven kennen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief