Een terecht isolement?

1998-08-21
  • Jaargang 42
  • nummer 17
De Landelijke Vergadering van onze kerken in Doorn hield zich op haar zitting van 16 mei j.l. o.a. bezig met de kontakten van de Nederlands Gereformeerde Kerken met resp. de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Vertegenwoordigers van deze beide kerkverbanden hebben toen de Landelijke Vergadering toegesproken. Uit hun woorden kon duidelijk worden, voorzover dat al niet duidelijk was, dat van een nauwer samengaan vooralsnog niet veel te verwachten is.
De Nederlands Gereformeerde Kerken bevinden zich t.o.v. deze ons meest verwante kerkverbanden duidelijk in een isolement. De vraag is echter of de feiten een dergelijk isolement rechtvaardigen. Nadat ds. J. Westerink namens de Christelijke Gereformeerde Kerken en dr. A.N. Hendriks namens de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) hadden gesproken, heb ik als voorzitter van onze Commissie voor Contact en Samenspreking over de samensprekingen het volgende gezegd.

Gevoel van vervreemding
Broeder voorzitter, broeders afgevaardigden! Ik mag aannemen, dat u allen gedegen hebt kennis genomen van de rapportage van onze Commissie. En ik veronderstel, dat dit voor niemand opwekkende lectuur is geweest. Misschien dat het bij diversen onder u ook een gevoel van vervreemding teweeg heeft gebracht. Met name bij die afgevaardigden, die lid zijn van een samenwerkingsgemeente van Christelijke Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden of van een gemeente, die nauwe banden onderhouden met de Christelijke Gereformeerde en/of Vrijgemaakt Gereformeerde kerk in hun woonplaats of die daarmee gesprekken zijn gestart, die in een open en goede sfeer plaats vinden.
Het is immers een onloochenbaar feit, dat op plaatselijk vlak in de afgelopen jaren in tientallen gemeenten contacten zijn tot stand gekomen, waarvan meerdere niet meer terug te draaien of veelbelovend zijn. In de gevoerde gesprekken op kerkenraadsniveau of met betrokkenheid van meerdere gemeenteleden blijkt er herhaaldelijk sprake te zijn van een verblijdende wederzijdse herkenning bij elkaar van een hartelijke liefde voor het Woord van God, wat meer is: van liefde voor de God van het Woord en voor de Heer van de Kerk, Jezus Christus. Nu, juist waar dit op vele plaatsen met blijdschap wordt vastgesteld, kan de lezing van het rapport van onze Commissie worden ervaren als een koude douche. Immers, in de landelijke contacten is er in het gesprek met de Christelijke Gereformeerde deputaten alleen maar sprake van achteruitgang en van oproepen tot steeds grotere terughoudendheid. En met de Deputaten van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) dreigt zelfs al na één ronde het gesprek weer te stoppen.
De voorzichtige verkenning van vrijgemaakte zijde of het klimaat gunstig was voor nader contact resulteerde in het besluit van de Synode van Berkel en Rodenrijs om de deur maar weer snel dicht te doen, zij het nog niet helemaal in het slot.

Zwaartepunt in de plaatselijke kerk
Hoe is die tegengestelde ontwikkeling in landelijke en plaatselijke gesprekken te verklaren en te taxeren?
Om met het laatste te beginnen, ik meen dat het voluit gereformeerd is om toch maar de meeste waarde te hechten aan ontwikkelingen op plaatselijk niveau. Want in de plaatselijke gemeenten klopt het hart van de kerk.
Daar worden gemeenten gevoed door de prediking. Juist daar kunnen de verschillende gemeenten elkaars kerkelijk leven proeven en toetsen. Daar kijkt men elkaar in de ogen en zo mogelijk ook in het hart. En men mag toch verwachten, dat de gemeenten ieder voor zich zo op de Heer van de kerk betrokken zijn, dat men los van het kerkverband kan beoordelen of men in de gesprekspartner met een gemeente van Christus te doen heeft.
Natuurlijk speelt de band van elke samensprekende gemeente met het eigen kerkverband een rol. En het is uiteraard een goede zaak de resultaten van het onderling gesprek ter toetsing voor te leggen aan de classis of de regio waartoe men behoort en zich hierin door de zusterkerken te laten adviseren.
Maar wanneer een plaatselijke gemeente uit volle overtuiging een gemeente van een ander kerkverband herkent als gemeente van Christus en als een welkome bondgenoot in de lofprijzing op God en als medestander in de strijd om het geloof in Hem te behouden en uit te dragen in een wereld waarin dat juist steeds moeilijker wordt – ja, dan moet het kerkverband toch wel met bijzonder overtuigende argumenten komen om zo’n plaatselijk contact af te raden of tegen te werken. En ik stel met blijdschap vast, dat in de praktijk in elk geval twee Particuliere Synoden van de Christelijke Gereformeerde Kerken (nl.
die van het Oosten en die van het Westen) blijk hebben gegeven de gegroeide samenwerking van kerken uit hun ressort met Nederlands Gereformeerde Kerken te respecteren, ondanks het feit dat bepaalde ontwikkelingen daarin bepaald niet werden toegejuicht.

Binding aan de belijdenis
Maar vanwaar toch die discrepantie tussen wat op plaatselijk niveau gebeurt en wat op landelijk niveau plaats vindt? En wat is het precies, dat daar de gesprekken vruchteloos maakt?
Twee onderwerpen keren daar regelmatig terug: ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven en de vormgeving van de binding aan de belijdenis. In feite gaat het zelfs maar om één punt. Want de bezwaren die zowel van Christelijke Gereformeerde als van Vrijgemaakt Gereformeerde zijde tegen ons A.K.S.
worden ingebracht, komen in wezen hier op neer: ”Uw kerkorde biedt te weinig garantie voor de binding aan de gereformeerde belijdenis.” En men verwijt ons, dat er onder ons teveel ruimte wordt geboden voor het ventileren van afwijkende meningen. Het is op dit punt dat zich de tegenstellingen toespitsen.
Maar welke vraag is hier in geding? Dat is m.i. deze: Hoe blijven we in onze tijd en in de hedendaagse cultuur trouw aan Gods openbaring in de Heilige Schrift en aan onze gereformeerde traditie zoals die is verwoord in onze Drie Formulieren van Enigheid? Het staat buiten kijf, dat het hierin gaat om een bijzonder belangrijke en wezenlijke vraag. En ik verzeker onze broeders van de Christelijke Gereformeerde en van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), dat hun zorg in dezen ook werkelijk onze zorg is. Het mag duidelijk zijn, dat de belijdenis van de Schrift als het gezaghebbende Woord van God en dat de erfenis, die onze gereformeerde vaderen ons nalieten, stevig worden bevraagd, niet alleen buiten onze kerken – en dan bedoel ik de kerken van onze drie kerkverbanden –, maar ook daarbinnen.
Het valt niet te ontkennen, dat er op dit vlak in onze Nederlands Gereformeerde kerkelijke pers wel eens het een en ander te lezen staat, dat om een weerwoord vraagt. Maar het ontbreekt aan zo’n weerwoord toch ook niet! Waar het mij in dit verband echter vooral om gaat: is dit in de kring van de Christelijke Gereformeerde Kerken of van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) dan wezenlijk anders?
Horen we ook daar niet van discussies over vrouwelijke ambtsdragers, over het gezag van de Schrift, over het fundament van de kerk en zelfs over de uniciteit van het lijden van Christus?
Worstelen we niet in alle drie kerkverbanden met de zelfde soort vragen en problemen?
En wat ons daarbij in alle drie kerkverbanden bezighoudt is de vraag: Welke waarborgen zijn er te geven en welke zekerheden zijn er te vinden, dat Gods openbaring in de Heilige Schrift en de belijdenis, die ons lief is, niet fundamenteel worden aangetast en uitgehold?

Eenheid in Christus
Het valt niet te ontkennen – en dat hebben we in de gevoerde gesprekken ook niet willen doen – dat er in dit opzicht formeel een verschil is gegroeid tussen ons en de kerken met wie we contact zoeken. Ik denk ook, dat we zo eerlijk moeten zijn om toe te geven, dat wij als Nederlands Gereformeerde Kerken een andere koers zijn gaan varen dan voorheen gebruikelijk was. We zijn huiverig geworden voor een formalisering van de binding aan Gods Woord en de belijdenis. D.w.z. we zien er niet zoveel heil meer in om louter en alleen langs de weg van strikte en bindende op schrift gestelde afspraken garanties te zoeken in het vasthouden aan en bewaren van de waarheid. Dat is te zeggen, wij veroordelen elkaar niet louter en alleen om het feit dat ambtsdragers en kerken moeite hebben met de ondertekening van een formulier. Dat neemt niet weg, dat er in al onze kerken wel degelijk sprake is van een binding aan de gereformeerde belijdenis. Alleen is die binding dus niet overal via een ondertekeningsformulier geformaliseerd. Laat me in dit verband nog eens citeren uit de ”Aanzet tot gesprek” die uitgangspunt was in de laatste gespreksronde van onze Commissie met de Deputaten voor de Eenheid van Gereformeerde Belijders van de Christelijke Gereformeerde Kerken (Bijlage I, pag. 33 van ons Rapport, laatste alinea):

”We zijn er ons van bewust, dat we op dit punt een praktijk kennen, die afwijkt van wat bij u is vastgelegd.
Tegelijk menen wij, dat het gesprek over dit onderwerp weinig bevredigend is, omdat het zich hoofdzakelijk afspeelt op het niveau van de abstractie. In dit verband zouden we tegen u hetzelfde willen zeggen, wat we ook hebben uitgesproken in het contact met de vertegenwoordigers van de Geref. Kerken (vrijgemaakt), nl. dat het bijzonder moeilijk is om in algemene zin vast te leggen welke verschillen van inzicht je van elkaar kunt verdragen. De kerken drukken hun eenheid wel uit in de belijdenisgeschriften, maar die eenheid zelf ligt toch in de verbondenheid met Christus.”

Door alle gevoerde discussies heen over diverse zaken van bepaald geen gering belang, waarbij soms vragen overblijven die niet zo gemakkelijk meer een antwoord vinden, zien wij met name in de band met de Persoon van Christus het vaste punt. Dit is geen subjectivisme. Maar dit is en blijft werkelijk de laatste en enige grond van ons geloven. En als er in Hem geen herkenning meer is, dan is ook de laatste eenheid zoek.

Andere weg
Dat wij hierin als Nederlands Gereformeerden een andere weg kozen betekent niet per definitie dat we een betere weg kozen. Het is een weg, waarop we onmiskenbaar te maken krijgen met heel wat vragen en onzekerheid. We worden ook ongetwijfeld ook een stuk kwetsbaarder. Er is dan ook absoluut geen plaats voor een Nederlands Gereformeerd triomfalisme tegenover de beide andere kerkverbanden alsof alleen wij het geheim van een gezond gereformeerd kerkelijk leven hebben ontdekt. En we willen blijven overwegen of de weg die anderen kiezen niet toch beter begaanbaar zou kunnen blijken, al geloven wij daar vooralsnog niet in.
Maar wat wij zo graag zouden willen zien is, dat we de hier door mij aangeroerde vragen meer en meer gaan beschouwen als vragen van onze kerken gemeenschappelijk. En dat we beseffen elkaar zo hard nodig te hebben om hierin s men een weg te zoeken en te vinden. Kunnen we op landelijk niveau in dit opzicht juist niet onze lessen trekken uit wat er plaatselijk gaande is? Daar, waar men elkaar niet alleen maar leert kennen uit stukken en uit artikelen in de kerkelijke pers, maar juist rondom de preekstoel en in gespreksgroepen rondom de open Bijbel – daar gaan in veel gevallen de harten open voor elkaar. Daar blijkt meer en meer sprake van een zelfde geloofsbeleving, die hartverwarmend is en die de handen ineen doet slaan.
Laat er van onze Landelijke Vergadering een klemmend beroep mogen uitgaan naar de Synodes van de beide andere kerkverbanden, om in elk geval op geen enkele wijze deze plaatselijke contacten te frustreren. En laat er ruimte gevonden mogen worden om op landelijk niveau de gesprekken over de noodzaak van het bewaren van de schat van Gods Woord, staande in de gereformeerde traditie, voort te zetten en te intensiveren.
En laten we ons daarbij afvragen of de grenzen, die er nu nog tussen onze kerkverbanden lopen, inderdaad van wezenlijker betekenis zijn dan de grens, die onze kerkverbanden gezamenlijk scheidt van een wereld, die Christus niet kent of zelfs niet kennen wil.

Ds. C. Bakker
Nog één ding, broeder voorzitter. Ik wil ook hier memoreren, dat tussen de vorige L.V. en deze één van onze Commissieleden, ds. Cees Bakker, ons plotseling ontviel. Hij is weliswaar al in dankbaarheid gedacht op de voortgezette vergadering van de L.V.
van Apeldoorn op 23 september 1995.
Maar graag wil ik over hem nog kwijt, hoe hij de jaren van zijn lidmaatschap van onze Commissie altijd met grote betrokkenheid aan ons werk heeft deelgenomen. Ik denk met name ook aan de gesprekken met de vrijgemaakte Deputaten. Voor meerderen van ons waren die ontmoetingen van een bewogen karakter. Maar hij droeg in ons midden toch wel de meest schrijnende littekens van de strijd die ons in de jaren zestig uit elkaar deed vallen. Het was voor hem beslist geen geringe opgave om aan de genoemde gesprekken mee te doen. Toch heeft hij daar zonder enige rancune en met de hem kenmerkende blijmoedigheid aan meegedaan.
Tenslotte wens ik u de zegen van God en de volheid van zijn Geest toe bij de bespreking van de u voorgelegde zaken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief