Kwaad spreken over God
1998-08-21
Ik herinner me de Zoeloe die me tijdens een bezoek dat ik hem bracht, vertelde dat er de vorige dag een zeer zware hagelbui overgetrokken was. Hij kon er nog niet over uit, dat de akker van zijn buurman één grote ravage was. De maïs-aanplant was volledig verwoest. Maar met zijn eigen akker die daaraan grensde, was niets aan de hand. Die was gespaard. Glunderend zei hij: God heeft kennelijk minder met mijn buurman op dan met mij. Met andere woorden: wat mijn buurman is overkomen, is een bewijs van Gods misnoegen. Hij moet Gods toorn opgewekt hebben. Daarvoor is hij nu gestraft. Maar ik heb niets verkeerds gedaan en sta daarom bij God in een goed blaadje. Dat antwoord op de vraag ’waarom?’ werd ook al gegeven door de vrienden van Job. Job was er ellendig aan toe. Als zijn vrienden arriveren, zijn ze eerst door zijn ellende met stomheid geslagen. Zeven dagen en zeven nachten weten ze niet wat ze zeggen moeten (Job 2:13). Hadden ze het daar maar bij gelaten! Maar neen, na die zeven dagen kunnen ze toch hun mond niet houden en beginnen ze te bazelen over het verband tussen de rampen die Job getroffen hebben en Jobs gedrag. Volgens hen moet Job wel iets ergs op zijn geweten hebben. Anders zou hij er niet zo ellendig aan toe zijn.- Jaargang 42
- nummer 17
Eerst praten ze daar nog in bedekte termen over, voorzichtig suggererend.
Maar Job heeft dat wel door. Natuurlijk. Want mensen in dergelijke omstandigheden zijn in dat opzicht heel sensitief. En hij verweert zich heftig tegen deze suggestie. Hij ontkent categorisch dat er in zijn leven een zonde zou zijn, die een dergelijke ellende als straf rechtvaardigde. En hij verwijt zijn vrienden: jullie treden op als advocaten van God. Jullie zijn zo bezorgd dat Gods eer wordt aangetast, dat jullie ten behoeve van hem er bij voorbaat van uitgaan dat ik schuldig sta. Om Gods eer hoog te houden veroordelen jullie een rechtvaardige.
Dat is geen manier van doen. Van vrienden had ik iets anders verwacht.
Zijn vrienden zien in zijn worden een uiting van verharding. In plaats van zijn schuld te erkennen, maakt hij die in hun ogen nog veel groter. Dat vervult hen met ontzetting. Als Job in die houding volhardt, kan het volgens hen alleen nog maar slechter met hem gaan. En dat willen ze hem besparen. Ze zoeken het goede voor hem. Ze zijn immers zijn vrienden.
Daarom beginnen ze nu concreter te worden in het aanwijzen van Jobs zonden.
Met name Elifaz noemt man en paard. Dat is nodig, vindt hij. Als Job uit zichzelf geen schuld wil erkennen, moet die hem maar heel concreet voorgehouden worden. Want zachte heelmeesters maken stinkende wonden, nietwaar? Elifaz wijst onomwonden een aantal dingen aan, waarin Job naar zijn mening schuldig staat. Je hebt armen uitgekleed, zegt hij. Je hebt hongerigen en dorstigen niet geholpen, weduwen en wezen verdrukt. En bovenal: je hebt God genegeerd, Hem geminacht. En Elifaz eindigt dan met een bewogen oproep aan Job om het goed te maken met God en tot Hem terug te keren. Want dan zal het hem weer goed gaan.
Wanneer je de woorden van Elifaz op zichzelf neemt, los van het verband waarin ze staan, klinken ze prachtig.
Misschien hebt u ooit bij de lezing ervan wel gedacht: wat een mooi bijbelgedeelte!
Zo vroom en indringend en bewogen. Ja, maar het druipt van valse beschuldigingen. Met alle vroomheid en mooipraterij en in de bres springen voor God zijn Elifaz’ woorden één brok onrecht jegens Job. En daarmee zijn ze door en door slecht en verwerpelijk. Vroomheid betekent niet automatisch dat je de dingen zuiver ziet en dat God erdoor verheerlijkt wordt. Je kunt God niet verheerlijken door een mens ten onrechte te beschuldigen, ook niet als je het op een vrome manier doet.
We kunnen Elifaz’ spreken over God en zijn spreken over Job niet van elkaar losmaken. We kunnen niet zeggen: nu ja, ten aanzien van Job zit hij er naast, maar wat hij over God zegt is toch prachtig! Want aan het slot van het boek Job zegt de HERE niet: Elifaz en zijn vrienden hebben verkeerde dingen over Job gezegd, maar: ze hebben niet recht van Mij gesproken (Job 42:7). Kwaad spreken over Job was kwaad spreken over God.