Leren wandelen aan Vaders hand
1998-08-21
Van de hand van de orthopedagoog Dr. G. de Lange verscheen een boek dat als intrigerende ondertitel draagt: ”Christelijke opvoeding: theorie en praktijk.” Iedere christen worstelt met vragen rond de verbinding van wetenschappelijke kennis, het christelijk geloof en de praktijk. Vandaar dat ik dit boek met meer dan gewone belangstelling ter hand nam.- Jaargang 42
- nummer 17
Dr. G. de Lange is een bekend orthopedagoog. Zo was hij jarenlang directeur van het Pedologisch Instituut in Rotterdam. Zijn werk bracht hem in contact met honderden kinderen die nooit een veilige thuisbasis hebben gekend. Vanuit die ervaring ontwikkelde hij een indrukwekkende behandelingsmethode voor kinderen met hechtingsstoornissen. In tegenstelling tot vroegere publicaties, gaat het in dit boek niet over kinderen met specifieke problemen.
Crisis in opvoedland
Waarom dit boek? Dat licht dr. De Lange in het eerste hoofdstuk toe. ”De vanzelfsprekendheid waarmee vroeger de opvoeding plaats vond, is grotendeels verloren gegaan. Vroegere structuren, opvattingen en gewoonten blijken niet staande te kunnen blijven. Ook wanneer ze worden gehandhaafd blijken ze niet meer het resultaat te hebben dat ze vroeger opleverden. Men twijfelt over de te stellen normen en vraagt zich met name af of die wel op bijbelse gronden berusten.” Kortom: crisis in opvoedingsland, maar zéker in christelijk opvoedingsland. Gelukkig is het boek niet zonder perspectief. ”Het boek is een poging om te attenderen op de vele positieve mogelijkheden die ouders en opvoeders hebben, maar ook te wijzen op de negatieve gevolgen van bepaalde manieren van opvoeden.”
Wat is opvoeden?
De Lange beschrijft opvoeden als volgt: ”de uitdaging aan ouders om goede antwoorden te geven op de behoeften van het kind. En op zo’n manier dat het kind goede beheersingspatronen als innerlijke normen van gedrag kan ontwikkelen...... Zo krijgt het kind de kans om uit zijn trieste toestand (de gevolgen van de zondeval) te groeien naar het deelhebben aan Gods koninkrijk” (blz. 71). Hij ziet daarbij een belangrijke taak voor de kerk: de kerkelijke gemeente moet zich aangesproken voelen in de verantwoordelijkheid elkaar in het opvoeden te ondersteunen en te helpen.
De gevolgen van de zondeval
In het eerste hoofdstuk van zijn boek licht De Lange zijn uitgangspunten toe. Van christelijke ouders wordt verwacht dat ze samen met hun kinderen ’wandelen met God’. Ouders zijn daarin voorbeelden voor hun kinderen. Helaas gaat dat ’wandelen’ niet vanzelf. De Lange benadrukt de gevolgen van de zondeval: de medemens wordt een tegen-mens, waardoor relaties verstoord worden. Daardoor kwam ook de angst ons leven binnen. Er zijn kinderen met een grote angst voor het leven: ze huilen voortdurend en ze verstarren wanneer ze aangeraakt worden. Men denkt dat angst kan worden weggenomen door gedragstraining, maar deze bestaansangst is een gevolg van de zondeval. Natuurlijk vindt De Lange behandeling van angsten noodzakelijk, maar hij kan niet om de achterliggende oorzaak heen.
Eenzaamheid
Een gevolg van de zondeval (van medemens tot tegen-mens) is de eenzaamheid.
”Geen mens ontkomt aan het alleen-zijn.” Ook het streven naar macht (waar de kerken evenmin aan ontkomen) is een gevolg van deze gebrokenheid. Uit deze uitgangspunten lijkt een sombere toonzetting over opvoeding naar voren te komen. Maar De Lange vindt deze uitleg noodzakelijk. ”Dit is nodig om te zien met wat voor mensjes we in de opvoeding te maken hebben. Er gaapt een kloof tussen het in zonde geboren kind en de wedergeboren mens die uit liefde in vrede leeft. God wil voor dit radicaal anders worden ouders en opvoeders gebruiken die samen met de kinderen een lange weg moeten gaan.”
Een christelijk opvoedingsmodel
In het tweede hoofdstuk licht De Lange enkele visies op opvoeding toe (bijvoorbeeld: het kind is van nature goed). Daarna beschrijft hij in het derde hoofdstuk een christelijk opvoedingsmodel.
Heel beknopt samengevat ziet dat model er als volgt uit. De mens heeft behoeften (1) en leeft in een wereld (2) die antwoord geeft op die behoeften. De Heilige Geest is in mij (en mijn behoeften) werkzaam. Maar ook de Satan is aan het werk, waardoor mensen beschadigd raken. De Heilige Geest is in de wereld aan het werk. Helaas: ook de Satan is macht gegeven in de wereld, waardoor de wereld niet meer zo is als God dat wil. Daardoor ben ik (3) een vreemdeling in de wereld. Dat betekent dat er géén vanzelfsprekend goede aansluiting is tussen wat ik nodig heb en wat de wereld kan bieden. Vervolgens beschrijft De Lange de behoeften van de mens (zoals: de lichamelijke behoefte, de sociale behoefte en de religieuze behoefte). Ieder mens heeft behoeften, maar de Satan is er op uit om ze verkeerd te richten. De invloed van de wereld is zó groot dat wij in de Bijbel vreemdelingen worden genoemd. Het zou er hopeloos voor ons uit zien als God niet Zelf had ingegrepen.
Deel-ikken
Tenslotte noemt De Lange voorwaarden om tot een gezonde ik-ontwikkeling te komen. Het kind moet zich veilig en geborgen kunnen voelen, maar daarnaast moet het leren om zich te beheersen. Het begrenzen van gedrag gaat altijd gepaard met spanning, maar ook met het nemen van risico’s (niet altijd de snoepjes achter slot en grendel). Tot (ongeveer) 15 jaar bestaan er, aldus De Lange, deel-ikken.
Het kind leeft -bij wijze van spreken- in verschillende werelden. Op catechisatie is een jongen onder de indruk van Jezus’ zorg voor de zwakken; een uurtje later slaat diezelfde jongen een weerloze dorpsgenoot neer. Dit is een gevolg van de deel-ikken, die nog niet geïntegreerd zijn. Pas aan het eind van de puberteit kun je verwachten dat een samenhangend normenpatroon het gedrag gaat bepalen. ”Zodat, tijdens een gemeentevergadering, een broeder niet alle sociale, ethische en religieuze normen uit het oog verliest wanneer zijn emotionele-ik in verweer
komt.”
Huwelijk en gezin
De eerste 75 bladzijden van het boek vormen de theoretische onderbouwing van het tweede deel: de praktijk. Dit begint met een hoofdstuk over het huwelijk. Daarbij komen ook de doopvragen aan de orde. De Lange betreurt het dat bij deze vragen iedere ondubbelzinnige verwijzing naar de opvoedingsopdracht ontbreekt, want de derde vraag spreekt slechts van het onderwijzen in de leer. Zowel de plaats van het gezin in de Bijbel als in de hedendaagse samenleving komen aan de orde. ”Een moeder die haar huismoederschap maar saai en bekrompen vindt, onderschat haar waarde voor de kinderen. Een vermoeide vader, die maar achter de TV hangt,
blijkt niet in staat tot creatief leven en geeft een slecht voorbeeld.”
Baby en peuter
Vervolgens volgt De Lange chronologisch de ontwikkeling van kinderen. Hij benoemt de individuele verschillen tussen baby’s. Er zijn kleine kinderen die zich niet thuis lijken te voelen in deze wereld. Dat roept veel spanning op bij de ouders. Deze baby’s vragen vaak ook in volgende fasen van de ontwikkeling extra zorg. De auteur waarschuwt tegen het idee dat baby’s lief zouden zijn. ”Een baby is nog niet in staat om lief te zijn en probeert vanaf de eerste dag gewoon alleen maar zijn zin te krijgen”, schrijft hij met een beroep op de gevolgen van de zondeval. Maar dat wil niet zeggen dat je dus de strijd aan moet gaan met je kind. ”Strijd past niet in de opvoeding. Wanneer een baby met een sterk karaktertje met moeder de strijd om de voeding aangaat, gaat het door tot het er zelf lichamelijk aan ten onder dreigt te gaan. Het is goed om te zoeken naar voeding die het kind lekker vindt.” De Lange trekt deze lijn door naar oudere kinderen.
Ieder kind is verschillend en de smaak van elk kind is verschillend. Met: ”Slechte eters worden niet geboren, maar zo opgevoed” verwijst De Lange niet naar de norm ’eten wat de pot schaft’, maar hij doelt juist op de negatieve gevolgen van de eeuwigdurende strijd rond het eten.
Werkende moeders
Allerlei andere praktische opvoedingsproblemen komen in dit deel aan de orde, zoals de zindelijkheid, het slapen gaan en de koppigheid. Kritisch toont De Lange zich ten opzichte van werkende moeders en crèches. Die kritiek betreft o.a. het zondermeer gebruik maken van de crèche. Je zult als opvoeders eerst moeten kijken wie het kind is en hoeveel nabijheid het van de moeder nodig heeft. ”Moeders die voorstander zijn van crèches, onderwaarderen hun functie als opvoeder.” Ook vindt De Lange dat de crèche onvoldoende aansluit bij de opvattingen van het gezin. ”Crèches zijn noodoplossingen, mede omdat onze maatschappij niet bereid is moeders voldoende onbetaald opvoedingsverlof te geven.”
De kleuter
De kleuter komt meer los van de ouder(s), maar is erg wispelturig in zijn gedrag. De sfeer in het gezin is de basis voor het kind. Kleuters kunnen van nature angstig zijn. Maar: ”Door de taal en de omgang die de kinderen horen en ervaren, groeit de verbondenheid met en het vertrouwen in God. Dan is Jezus geen lieve Jezus die zorgt dat jou niets overkomt. Ook is God geen boeman die op je loert. God is een liefhebbende Vader die, ook al overkomt je iets, altijd in de buurt is en je nooit in de steek laat.” In dit hoofdstuk worden o.a genoemd: seksualiteit, angst, agressie, straffen en het naar school gaan. Het doorvoeren van de integratie tussen kleuterschool en lagere school noemt De Lange ”een kostbare onnodige stap”.
Het schoolkind
Als kinderen naar school gaan, is de exclusieve rol van de ouders bij de opvoeding uitgespeeld. Zeer kritisch is De Lange over het onderwijs, omdat het onvoldoende inspeelt op de uniciteit van de leerling. ”Veel leerlingen met gouden handen moeten met tegenzin voldoen aan kerndoelen en basisvorming.” Dat kinderen vaak een hekel hebben aan school komt volgens de auteur doordat ”het huidige schoolprogramma wezensvreemd is voor de kinderen en doordat het onvoldoende bij hun belevingswereld past.” De Lange is het oneens met de prestatiedwang op school onder druk van cijfers. Hij bepleit een nauwe samenwerking tussen ouders en docenten: zij zullen in het christelijk onderwijs sámen op weg moeten gaan met de kinderen. Aansluitend aan het kind op school schrijft De Lange over het kind in de groep. Kinderen willen ’er’ nu eenmaal bij horen en daarom is de groep waarmee ze optrekken van groot belang. De kerk is ook een socio-groep die voor kinderen belangrijk is.
Vaak hoor je, aldus De Lange, zeggen dat kinderen gehard moeten worden om tegen de groep op te kunnen. ”Maar ouders vergeten dat een hard voorbeeld hard gedrag uitlokt. De ouders laten hun opvoeding in dit opzicht bepalen door satan. De satan bevordert maar al te graag de hardheid, de haat tussen mensen.
Christelijke opvoeding is opvoeding tot liefde voor elkaar.” Tegelijkertijd voert de auteur een sterk pleidooi voor het op tijd begrenzen van gedrag. Kinderen moeten leren om verantwoordelijkheden te dragen. Als dat niet gebeurt is binnenkort ook in Nederland politie in en rond de school nodig.
Puber en adolescent
De laatste fasen van de kinderlijke ontwikkeling zijn puberteit en adolescentie. Pubers moeten de ruimte hebben om te experimenteren; ze hebben niets aan ouders die weinig anders doen dan vasthouden aan oude, vertrouwde normen. In deze leeftijd gaat het kind zich afvragen: Wie ben ik eigenlijk? Daarmee geeft hij ook aan een eenheid te willen zijn, de zgn. integratie van de deel-ikken.
Het slothoofdstuk spitst De Lange toe op het ’Wandelen aan de hand van God de Vader’. Daarbij gaat het vooral om de vraag: voor welke normen moet ik kiezen? En dan toegespitst op het thema: relaties en seksualiteit. Het boek eindigt (nogal onverwacht) met een kort gedeelte over het samenleven van homofiele mensen.
Beoordeling
Om iets te kunnen laten zien van het denken van dr. G. De Lange leek het gewenst om de afzonderlijke hoofdstukken kort toe te lichten. Daarbij werd een aantal citaten weergegeven. De Lange is niet bang voor krasse uitspraken en het voordeel daarvan kán zijn dat de lezer nog eens extra gaat nadenken.
De Lange heeft een indrukwekkende pedagogische ervaring opgebouwd. Die ervaring komt terug in dit boek. Tegelijkertijd vormt dit gegeven een zwakte in deze publicatie. De Lange baseert zich vooral op eigen ervaringen. Zo schrijft hij: ”bijna zonder uitzondering zeggen kinderen: Niemand vindt school toch leuk?” Bij de groep kinderen waar de Lange mee in aanraking kwam zal dat zo zijn (geweest), maar er zijn gelukkig ook veel kinderen die graag naar school gaan. Daardoor staan er in mijn exemplaar veel (eigen) vraagtekens in de kantlijn. Vaak ben ik het van harte met hem eens, maar ik zou dan aan de argumentatie een aantal nuanceringen toe willen voegen. De gegevens die hij aanreikt zijn onvoldoende controleerbaar. Dat geldt ook voor de citaten: waarom geen bronvermelding? Waarom geen verwijzing naar andere christenpedagogen zoals Ter Horst? Van een boek dat pretendeert een theorie te ontwikkelen mag veel meer onderbouwing worden verwacht. Met name op het gebied van de ontwikkeling van jonge kinderen (communicatie, hechting) miste ik (vanuit mijn eigen werkveld) veel recente informatie.
Voor wie bedoeld?
Dat brengt mij op de vraag: voor wie is het boek bedoeld? Is het geschikt voor ouders? Niet direct. Ouders zitten meestal niet te wachten op een pedagogische theorie. En de praktijk dan? (blz. 75 – 245). Inderdaad: De Lange put uit een rijke ervaring. Maar de inhoud is op het terrein van de praktische opvoeding té willekeurig en daarmee ook te onvolledig om te zeggen dat ouders er direct ondersteuning aan zouden kunnen ontlenen. Naar ouders toe zou het boek enorm aan inhoud kunnen winnen als er gebruik werd gemaakt van casussen (voorbeelden) die er duidelijk uitspringen in de tekst; nu worden overwegingen en voorbeelden achter elkaar opgesomd. Soms moet je bepaalde gedeelten meerdere malen lezen om de achtergrond van een uitspraak goed te begrijpen. Wel geeft De Lange daarmee ook ruim voldoende stof tot nadenken.
Wie bijvoorbeeld enkele stellingen wil bedenken voor een thema-avond over opvoeding, kan uitgebreid uit het boek citeren. Is het boek geschikt voor onderwijzend personeel, voor groepsleiders in tehuizen?
Op dit punt en binnen deze leeftijdsgroep ligt de meeste ervaring van De Lange.
Maar weer denk ik dat de inhoud van het boek aanvulling behoeft. Of omgekeerd: de ondertitel suggereert meer dan de inhoud waar kan maken.
Een christelijke theorie?
Is de theorie die De Lange heeft ontwikkeld een christelijke theorie? Het model van de behoeften is als werelds model niet onbekend, De Lange voegt er (terecht) andere elementen aan toe. Met name de aandacht voor de invloed van de Satan is, voor hedendaagse Nederlandse begrippen, uniek te noemen. En het is zeker geen ’neutrale theorie’ waarover later een christelijk sausje werd gegoten.
Het theoretische gedeelte is het overdenken waard, maar er zijn ook andere modellen denkbaar. Het zou een tip kunnen zijn voor een aantal christen-opvoeders om daar over nog eens van gedachten te wisselen.
Niet iedereen zal zich kunnen vinden in de uitspraken die De Lange doet. Maar dat hoeft ook niet. Met de enorme ervaring die de auteur heeft opgebouwd kunnen je als lezer je voordeel doen. Het is nodig om als opvoeder kritisch over het handelen na te denken en De Lange daagt daartoe uit.
Samenvattend
Dr. G. de Lange laat zich kennen als een orthopedagoog die veel over opvoeding heeft nagedacht. Zijn ervaring kan voor de opvoeders van nu van grote waarde zijn. Helaas is dit boek niet ’af’. Gezien de ondertitel vraagt deze publicatie om een betere fundering en om meer bezinning. De Lange heeft een poging gewaagd om vanuit duidelijk christelijke uitgangspunten een boek over opvoeding te schrijven. Dat is winst. Voor wie over christelijke opvoeding na wil denken biedt het boek zeker goede aanknopingspunten.
Naar aanleiding van: Dr. G. de Lange, Leren wandelen aan Vaders hand; 245 pagina’s, ƒ 32,50. Uitgave: Buijten & Schipperheijn, 1997.