,,Ik ben in de gevangenis geweest’’

1998-10-16
  • Jaargang 42
  • nummer 21
Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik nog maar vier keer in een gevangenis ben geweest. En dat ondanks het
duidelijk woord van Christus dat rechtvaardigen de gevangenen moeten bezoeken. (Mattheüs 25:36)

Op één dag, een maand geleden, heb ik mijn magere score van twee bezoeken aan gevangenen verdubbeld: twee gevangenissen in de Latijns-Amerikaanse staat Peru openden hun deuren en boden me de kans het leven aldaar te vergelijken met soortgelijke instellingen in Nederland en Bulgarije. Ik ken een christelijke gemeente waar alle ambten door vrouwen waargenomen worden, méér nog, al het gemeenteleven uitsluitend door vrouwen wordt waargenomen! Wie daar theologische bezwaren tegen heeft, moet maar niet verder lezen.
Wie echter wil weten hoe dat zit, kan ik een en ander goed uitleggen. De betreffende (zéér Evangelische) gemeente heet ”Iglesia Estella de Jerusalem” (de Kerk ”Ster van Jeruzalem”). Ze is te vinden in ”Santa Monica de Chorillos”, een vrouwengevangenis. Chorillos is een wijk in de hoofdstad van Peru, Lima, een stad van acht miljoen mensen, al kunnen het er inmiddels ook al wel meer zijn. Steden van die omvang vertonen een autonome groei die door geen mens kan worden overzien, laat staan beheerst. In die wijk staat een vrouwengevangenis, die klaarblijkelijk genoemd is naar de moeder van de antieke kerkvader Augustinus.
Of de bewoonsters qua gedrag lijken op de uiterst deugdzame, wilskrachtige en godvruchtige Monnica uit de vierde eeuw, staat nog te bezien. Monnica was een vrouw van intens gebed, moeder van een jarenlang geestelijk zéér weerspannige zoon, die pas later zich aan Christus overgaf en daarin een van de grootste Kerkvaders werd; ze wordt uitvoerig en liefdevol door hem aan ons voorgesteld in zijn Belijdenissen.
De vrouwen hier hebben bijna allemaal (mag men vermoeden) iets ernstigs op hun kerfstok. Of dat altijd geldt is overigens lang niet bewezen. Slechts 15 % van de vrouwen heeft een officiële veroordeling achter de rug - de anderen zijn in afwachting van hun proces, soms al langer dan een jaar! De situatie doet niet veel goeds veronderstellen aangaande ’t Peruviaanse rechtssysteem...

Open deuren?
De poort is enorm groot en stevig, zoals van een gevangenisdeur verondersteld mag worden. Lang niet iedereen mag er zomaar in. Tevoren moeten we ons paspoort laten zien; dat proces herhaalt zich achter gesloten deuren. We zijn hier met een delegatie van ”Puertas Abiertas” (”Open Doors”), maar geen van de bewoonsters moet daar verkeerde conclusies aan verbinden. Voorzover deuren opengaan is het van buiten naar binnen en niet omgekeerd! En de gasten die naar binnen willen, moeten hun paspoort afgeven, dat vervolgens secuur wordt opgeborgen en wordt ingeruild voor een penning die aan het einde van het bezoek moet worden afgegeven.
We worden meteen na binnenkomst in de voorhof verwelkomd door mevr. Isabel Gonzales, gevangenis-psychologe, die net als mevr. Hilda Ramos, de directrice, een elegant geklede vrouw van middelbare leeftijd, een hooggestemd verhaal ophangt over wat men allemaal wel voor de vrouwen doet. Hoewel dat verhaal stellig waar is, wordt hun verhaal later door de gedetineerde vrouwen die we spreken genuanceerd - er is, vertellen dezen, nogal wat corruptie bij bewaaksters, intimidatie door medegevangenen, er moet voor allerlei ”gunsten” worden betaald, etc.). Vervolgens worden we een klein uur rondgeleid: binnenplaatsen vol vrouwen, die er zeer actief werken of zeer ontspannen (om niet te zeggen, volstrekt passief) zitten niets te doen. Maar misschien is het wel koffieochtend; in elk geval zal vandaag een delegatie van de VN komen, een commissie die zich met marteling en mishandeling in gevangenissen bezighoudt. Dat soort bezoek wil het regime binnen gevangenissen wel eens grondig veranderen, in elk geval voor die dag of voor de duur van het bezoek...
Volgens de opgave moeten zich hier 750 vrouwen bevinden, met ca.50 kinderen; de bewoonsters zijn zwanger de gevangenis binnen gekomen en hun kinderen, nu in de leeftijd van 0 tot 4, konden nergens anders heen. De sfeer is er redelijk opgewekt, zeker als men die vergelijkt met de mannengevangenis van Lurimancho, in een ander deel van Lima, die we die middag bezoeken. Dat is een zwaarbewaakte gevangenis, die destijds gebouwd is voor 1600 gedetineerden (en vast ook toen al niet zo ruim!); nu vinden er 6000 opgesloten mannen hun woonplaats... Vergeleken met de grimmige sfeer daar - overal bewakers met mitrailleurs op de daken en zo - is het in Santa Monica de Chorillos haast ”gezellig” te noemen. (Nou ja!)

Nederlandse vrouwen
Op onze tocht tussen Peruviaanse vrouwen, van wie sommigen zeer nijver werken in de wasserij (alles wordt met de hand gedaan), in de weverij of bij diverse andere handvaardigheden, laat ik al spoedig de groep voor wat ze is. Binnen tien minuten kom ik namelijk twee vrouwen uit Nederland tegen! Lucy komt weliswaar uit de Dominicaanse Republiek (dus het Caraïbisch gebied), maar ze woont al 12 jaar in Nederland, in Rotterdam.
Ze is nog jong, donker van huidskleur, ziet er goed uit en gedraagt zich met een zekere zwier. Ze redt het hier wel, al valt het niet mee, zegt ze met woord en gebaar. Ze zit hier nu een half jaar vast en kent er behoorlijk de weg. Een veel intensiever contact heb ik daarna met Henny Fu, die van gemengd Nederlands-Chinese afkomst is en pas drie weken geleden is opgepakt. (Ook spreek ik kort met een jonge Duitse, Sandra.) Ze zitten allemaal op beschuldiging van drugssmokkel vast; Henny ontkent in alle toonaarden dat ze dat heeft gedaan. Ze is er ingeluisd! Ze is in de dertig, heeft een paar kinderen, en ook een turbulent verleden (vermoed ik). Ze is op avontuur gegaan naar Zuid-Amerika. Een zus in Leiden, die ik na thuiskomst bel, vertelt me: ”Niemand van ons wist dat ze in Zuid-Amerika zat, tot dat telefoontje kwam, van Buitenlandse Zaken, dat ze in Lima in de gevangenis zat! Wat ben ik blij dat u mij treft, want we hebben het onze bejaarde vader en moeder nog niet durven vertellen... Die zouden zo overstuur zijn, het gewoon niet begrijpen!”

Een wereld van pijn
Een wereld van pijn komt me tegemoet in het verhaal van Henny. Want wat moet je zeggen? Natuurlijk zegt iedereen dat ze niets gedaan hebben! Maar Henny houdt het bij hoog en laag vol. Haar koffer was kapot gegaan en bij een feestje had ze gezegd dat ze een andere koffer moest gaan kopen. Toen had iemand daar gezegd dat hij wel een koffer had en die mocht ze wel hebben. En daar hadden de drugs ingezeten...
Dan kan je vragen: Is dat wel écht waar? Dan kan je zeggen: Hoe kan je zo stom zijn een onbekende zomaar te vertrouwen! Ondertussen zit daar een zielig hoopje mens voor je, met een gat in haar hart, een bang vogeltje in een haar onbekende omgeving, waarin een taal gesproken wordt die ze niet kent, met regels die ze leren moet, geheel onderaan de pikorde. Die geen werk kan doen; om aan werk (met inkomen) moet je eerst betalen, en geld heeft ze niet. Dus een vicieuze cirkel. En dan denk je: ook al zou je het wél hebben gedaan - en ik ben mordicus tegen drugs en drugssmokkelwat heeft ze er nu al voor geboet - en wat zal er nog allemaal volgen? Bij een gesprek met de Nederlandse Ambassade in Lima, waar een aller-innemendste Mevrouw Thea v.d. Poll me te woord staat, verneem ik dat er geen uitleveringsverdrag tussen Nederland en Peru bestaat; de kans dat iemand, die gevonnist is, de straf in ons land uitzit is nihil. Valt er iets te doen? ”Als u wat kunt doen, graag! In ons werk als ambassadepersoneel kunnen we maar heel weinig.” In de volgende minuten geeft ze aan dat het personeel van Buitenlandse Zaken, waaronder onze ambassades ressorteren, consigne gekregen heeft om meer aandacht aan landgenoten in buitenlandse gevangenissen te besteden. Er is een golf van kritiek over het beleid uitgstort in de media; daar is men wel gevoelig voor gebleken!
”Maar ja, er is geen enkel budget voor, dus dan weet u wel hoe dat gaat”, zegt ze somber.
Voordat ik de telefoon neerleg, zegt ze nog wel: ”Als u wat voor Henny of Lucy wilt doen (beiden kent ze persoonlijk), kunt u altijd proberen of spullen per diplomatieke post mee kunnen. Soms gaat dat wel, soms ook niet.” Zelf zou ze graag meer zien gebeuren, begrijp ik. Druppels op een gloeiende plaat, dat wel.

Onder een open hemel
De leefomstandigheden van Henny en lotgenoten zijn deerniswekkend en deprimerend te noemen. We praten een poosje. Ze blijkt uit een christelijk milieu te komen, maar van het geloof wat te zijn vervreemd, zoals dat zo vaak gaat. Als ik vraag of ze het goed vindt dat ik met haar bid, wil ze dat graag! Verder vraagt ze om een Bijbel. Daar hoop ik voor te zorgen, zeg ik toe, maar het Bijbelgenootschap in Lima blijkt geen Bijbel in het Nederlands te hebben (ook niet zo verwonderlijk). Dan gaan we naar een centraal deel van de binnenplaats waar een openluchtdienst gehouden zal worden. (Openluchtdiensten zijn OK in Lima, want het regent er vrijwel nooit; er was een ernstige wolkbreuk in 1970, en daarvoor in 1670, vernemen we ...) De ”Iglesia Estella de Jerusalem”, die ons met een grote poster welkom heet, staat opgesteld rond een open gelaten vierkant. De zusters, in alle soorten, maten en gewichten en ook leeftijden, variëren van onbegrijpelijk jong tot al redelijk oud. Sommigen hebben voor de gelegenheid hun netste jurk aangetrokken, anderen zijn nonchalant gekleed. Een aantal ”ambtsdraagsters” (ik neem tenminste aan dat dat hun functie is) is opmerkelijk stil en ingetogen; ze bidden intens. Een andere grote, forse vrouw met een nogal donkere huid en ook een grote bril is de uitbundigheid zelve. Haar uitroepen ”Gloria a Dios!” (Prijs de Heer) of ”Halleluia” daveren over het plein.
Zowel de stillen als de drukken in den lande nemen me onmiddellijk voor hen in. Wat hen zonneklaar aan elkaar bindt, is overgave in geloof én een hartstochtelijk verlangen dat ook andere vrouwen, die Christus niet kennen, Hem zullen gaan ontmoeten en tot nieuw leven komen.
Hen zo ziend, denk ik: dat moeten eigenlijk allemaal vrouwen zijn die om hun geloof vastzitten - ”caught in the crossfire”, zoals dat heet. In de strijd tussen de guerillastrijders van ”Sendero Luminoso” (”Lichtend Pad) met hun weergaloze wreedheid, én de al even meedogenloze terroristenbestrijders van regeringswege, is een groot aantal christenen klem komen te zitten. Omdat ze politiek geweld, van welke kant dan ook, niet de juiste weg achtten, wilden ze zich nergens bij aansluiten, noch bij de Maoïstische rebellen noch bij de hard geweld niet schuwende regeringstroepen. Het gevolg is dat ”Evangelicos” van twee kanten ”onder vuur lagen” (soms in letterlijke zin!) Ordetroepen zijn onder hen behoorlijk te keer gegaan, rechters hebben een ongewoon groot aantal van hen plompverloren achter de tralies gestopt. Ik heb diverse christenen gesproken die zonder enige vorm van proces jaren in kommervolle omstandigheden in overbevolkte en onhygiënische gevangenissen of kampen hebben doorgebracht.

Open deuren!
Zien vele vrouwen er zo devoot uit als nonnen, de kans is fors aanwezig dat ze desondanks een groot aantal ernstige delicten op hun naam hebben staan, vooral in de ”drugs scene”. Tegelijk moet men constateren dat er op deze en andere plaatsen erg veel mensen tot geloof komen! Zo ook hier.
Er is een openluchtdienst belegd, waarin ieder van onze groep iets zegt en waarin een van ons, een predikant uit Texas, preekt. De tekst is Jesaja 53:4v. waar over de Lijdende Knecht geschreven staat: ”Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte. Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de genezing aanbrengt was op hem en door zijn striemen is ons genezing geworden.” ”Als u afwijzing ervaart, verachting, verlating, dan is er Eén die weet wat dat inhoudt. Hij heeft dat ook meegemaakt, uit liefde voor ons. Als u beseft dat er in uw leven ’overtredingen’ zijn, ’ongerechtigheden’, en u wilt daarvoor genezing ontvangen, dan is er Eén die dat geven kan.” Er wordt ademloos geluisterd, menigeen huilt hoorbaar. Dan is er de uitnodiging: Wie bij de Here Jezus wil horen, mag dat te kennen geven door naar voren te komen. ”Saints, this is a holy moment. Please pray for them.” Het is inderdaad een tijd van grote heiligheid, en van diepe ontroering, als de vrouwen naar voren komen, één, twee, vijf, tien. We zijn de tel kwijtgeraakt, maar het waren er zeker tussen de 40 en 60. Ieder van ons heeft vervolgens men een aantal vrouwen gebeden, hen gezegend in naam van de Heer. Ondanks de taalbarrière is het een uitermate indrukwekkend en ook emotioneel gebeuren, voor ons buitenstaanders en buitenlanders niet minder dan voor hen! Ook Henny Fu komt naar voren, uit vrije wil, zonder dwang van wie ook; met haar praat ik kort verder, druk haar op het hart om toch met de zusters van de gemeente contact op te nemen.
Laat ze aan de ”hermanas” (het Spaanse woord voor ”zusters” is erg in zwang in christelijke kring in Peru) maar vertellen wat haar in haar kwetsbare positie zwaar valt, met die lieve zusters bidden en huilen, lachen en weer op krabbelen. Dat zou ze doen, beloofde ze. En dan ga je weg, nagezwaaid door twee jonge mensen uit Nederland. Voor mij is er, na bezoek van anderhalf uur, weer een ”open door” naar buiten, voor hen niet, misschien wel heel lang niet... Twee uur geleden kende ik hen helemaal niet, vermoedde hun bestaan zelfs niet eens. Nu hebben we in korte tijd intensief dingen gedeeld, tot het meest persoonlijke en intieme toe: pijn, verwarring, afwijzing, uitzichtloosheid, angst voor ’t leven van alle dag. En de Heer! We zwaaien vrij langdurig naar elkaar.
En dan is het voorbij.

Naschrift van Henny
Dit verhaal had ik al willen schrijven, omdat het voor mij nog steeds zo actueel is. Gisteren (5 oktober) kreeg ik echter een brief van Henny, en van de Duitse Sandra, terwijl Lucy nog zou schrijven, is aangekondigd. ”Nou heb ik het gevoel dat toch nog iemand aan mij denkt, terwijl ik hier zit en mij famieli zo ver weg. Ik moet wat ondergaan voor iets wat heel buiten mij weten is gebeurd, maar ik denk dat onze Lieve vader in de hemel meschien zijn reden er voor heeft. Ik help hier nu de kleine kinderen en heb ze een liedje geleerd in het nederlands en ze vinden het prachtig. Ik heb dat vroeger op de zondagsschool geleerd. Zo zie je maar.” Aan het eind van de brief staat er te lezen: ”Het gaat al een stukje beter met m’n spaans en het wennen aan het eten en zo. Ik hoop snel weer thuis te kunnen zijn bij mijn kinderen en famieli want ik mis hun heel erg. Wil je a.u.b. bidden voor mij en de anderen dan voelen wij ons niet zover bij jullie vandaan.”

Naschrift van mij
Het bezoek aan Peru heeft me nogal geraakt, om vele redenen. Er is daar soms onvoorstelbare nood, niet alleen in gevangenissen, maar ook bij broeders en zusters thuis. Mensen die veel geleden hebben, in gevangenissen of kampen soms, sporen van marteling hebben getoond. Of mensen die dagelijks (en nachtelijks) vrezen dat ze elk moment kunnen worden vermoord, door leden van Lumino Senderoso, die hen weten te wonen en herinneren hoe in het kamp door het getuigenis van christenen aanhangers van hun beweging ”afvallig” zijn geworden, zich hebben aangesloten bij de mensen die van Jezus zijn en zich hebben laten dopen. Er zijn leden of leiders van de Senderistas die alsnog op zulke christenen wraak willen nemen...
Die gevangenis - van de vrouwen én van de mannen - raakte me in mijn hart. Wat een nood! En toen dacht ik: stel je nu eens voor dat er door ons ook wat voor hen te doen zou zijn! Stel je voor dat het niet zonder reden is dat ik daar nu net terechtkwam en die vrouwen, Nederlandse, Duitse, Zuidafrikaanse, maar vooral Peruviaanse vrouwen ontmoette.
Zoals de beeldschone Esther, nog maar net tot de koninklijke waardigheid verheven, van Mordechai haar familielid te horen krijgt dat er misschien samenhang moet worden vermoed tussen de grote crisis die haar volk bedreigt en de zo onverwachte ”verhoging” van haar positie: ”Wie weet of gij niet juist met het oog op deze tijd de koninklijke waardigheid verkregen hebt.” (Esther 4:15) Kan er ook hier zo’n samenhang zijn, of vermoed worden?
Voor alle helderheid, niemand hoeft zich door enige reis die ik (al-of-niet toevallig) heb gemaakt zich ergens toe verplicht te voelen. Niemand hoeft ook onder het juk van mijn idealisme door te gaan. Maar toch: stel je eens voor dat het in Gods Vaderhart is opgekomen om ons - op enigerlei wijze, hoe weet ik zelf niet - iets te laten mee-dragen aan de nood van die vrouwen daar? Ik weet dat niet zeker, maar stel je eens voor dat dat zou kunnen zijn. En daarom schrijf ik ook: wie weet is er iemand (eerder een vrouw dan een man?) die denkt: Daar ligt voor mij misschien wel een taak! Iemand die toch al geregeld brieven of kaartjes aan mensen stuurt of juist vindt dat dat nu maar eens gebeuren moet. Misschien is er enige lezer die ooit voor werk naar Lima moet. Of een vrouwenvereniging, bijbelkring of nog wat anders. Als eens een gemeente of een stel kringen samen - geestelijk en praktisch - die gevangenis zou ’adopteren’, voor hen bidden, en steun geven (hoe beperkt ook!) aan de ”Iglesia van Santa Monica de Chorillos”. Stel je voor dat er Spaans schrijvenden in onze gemeente zouden zitten. Wat zou je daar ook in gezegend kunnen worden. Aandacht voor vrouwen (en mannen) in Lima (en ook daarbuiten) verrijkt hen, maar ons stellig niet minder.

Mocht iemand met vragen of ideeën zitten, graag een briefje aan een vriendin en gemeentelid:
Evelien van Duyn-Vlaardingerbroek
Haarweg 245
6709 RS WAGENINGEN
tel. 0317-422195

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief