Uit liefde voor Lewis
1998-11-27
Van alle schrijvers die ik graag lees, is C.S. Lewis verreweg de meest geliefde. Die liefde begon toen ik op 11-jarige leeftijd op de kinderclub van mijn huisarts zat, zo’n dertig jaar geleden1. Tijdens een ontspannen moment werd daar het verhaal voorgelezen van een viertal kinderen die via de kleerkast van een oud huis in Narnia, een soort sprookjesland terechtkomen. Later las ik – op advies van m’n vader – enkele van deze Narnia-verhalen voor m’n literatuurlijst Engels en weer wat later werd ik zelf door álles wat hij schreef – ook z’n apologetische werk – zo geboeid en geraakt, dat ik sindsdien veel van zijn boeken, maar vooral z’n fictie meerdere keren gelezen heb.- Jaargang 42
- nummer 24
Zondag 29 november a.s. is het 100 jaar geleden dat Clive Staples Lewis (roepnaam Jack) geboren werd, en het zal wel niemand ontgaan zijn dat dit herdenkingsjaar door liefhebbers en uitgevers gebruikt wordt om zijn werk extra onder de aandacht te brengen. De ene na de andere voortreffelijke vertaling van zowel zijn bekende als minder bekende werken is de afgelopen tijd verschenen of herdrukt.
De aandacht die ik in dit nummer Opbouw aan hem wijdt, is van een nogal persoonlijk karakter. Na zijn verhalen in meer algemene zin gekarakteriseerd te hebben, wil ik er enkele momenten uitlichten die mij in het bijzonder raken. Andere liefhebbers zullen die ongetwijfeld herkennen, en wie weet dat wie Lewis nog niet kent er mogelijk aanleiding in ziet om eens wat van ’m te lezen.
Zuiver christelijke expressie
Ik schreef al, dat met name de (theologische) fictie van Lewis mij het meeste aanspreekt. Dan denk ik aan zijn kinderboeken over Narnia, zijn Ransomtrilogie, Brieven uit de hel, De grote scheiding en Het wordend aangezicht 2. Niet dat zijn meer beschouwelijke boeken me niet zouden aanspreken; elk boek van Lewis vind ik de moeite waard. Alleen raakt zijn verhalende werk een snaar bij me die door zijn ’non-fiction’ niet geraakt wordt, en dat is er een van soms grote ontroering. Laatst was er op de Belgische televisie – die besteedt nogal wat aandacht aan klassieke muziek – een programma over Bach, Johann Sebastiaan natuurlijk. Het was een Engelse productie en een aantal in hoofdzaak Engelse dirigenten – o.a. Gardiner – en musici werd aan het woord gelaten over de muziek van Bach en hun waardering daarvan. Eén van hen – zijn naam is me ontschoten – vertelde dat hij het Erbarme dich uit de Mattheüspassion nooit zonder droge ogen kon aanhoren of uitvoeren. „Zelfs het denken daaraan ontroert me, zo zuiver en diep is de emotie die daarin gelegd is.” En met dat hij dat zei, was de ontroering van zijn gezicht te lezen. Nu, bij veel passages uit het verhalende werk van Lewis vergaat het mij precies zo. De zuiverheid van expressie die een Bach mocht bereiken met de muziek, heeft Lewis m.i. mogen bereiken met de literatuur. Een expressie overigens die bij beiden zwaar steunt op het christelijk geloof ...
Horror en humor
Een paar algemene typering zou ik van Lewis’ verhalende werk willen geven. Allereerst bieden zijn boeken gewoon wat elk goed boek bieden moet: leesplezier. Een goed verhaal, op zich al aantrekkelijk om te lezen, spannend en tegelijk vol bevrijdende en ontspannen momenten. Ze bevatten herkenningspunten en identificatiemogelijkheden, zijn geestig en geestelijk, vol symboliek en levenslessen (maar niet die van die opgelegde). Zijn kinderboeken zijn niet zoet, maar net zo ruig als die van Roald Dahl, zo niet ruiger. Bij vlagen kunnen ze zelfs iets van horror hebben. Je komt er ook heerlijke, nauwelijks goed te vertalen zinnen tegen als die van een slapende Shasta – de hoofdpersoon in Het paard en zijn jongen – die na een zware nachtelijke reis gevolgd door een voortreffelijk ontbijt in slaap valt, waarna we lezen: „The kindly Dwarfs, as soon as they noticed this, began making signs to each other not to wake him, and indeed did so much whispering and nodding and getting up and tiptoeing away that they certainly would have waked him if he had not been less tired.”3 De humor tintelt door zo’n zinnetje heen, zoals dat eigenlijk bij alles wat Lewis schrijft het geval is.4 Over die humor gesproken: soms is ze grimmig, zoals in zijn Narnia-apokalyps De laatste strijd. Die begint met een valse aap, die zijn ’bevriende’ ezel ertoe beweegt om zich als lééuw te verkleden. Wie de Bijbel kent èn weet, dat de leeuw, Aslan in deze reeks Jezus Christus symboliseert, proeft de dubbele bodems in dit ogenschijnlijk luchtig opgezette openingshoofdstuk...
Soms ook breekt de humor heel rechtstreeks door het verhaal heen. Wat te denken van Ransom, een naar Mars (Malacandria) ontvoerde taalgeleerde. Hij ontmoet daar een Marsbewoner, is doodsbang, maar is zijn doodsangst op slag vergeten als hij in de klanken die dit wezen uitstoot een taal herkent.
Du moment flitsen titels als ’Een inleiding op het Malacandrisch – Het bovenmaanse werkwoord – Een beknopt Marsiaans-Engels woordenboek’ door zijn gedachten en ... wint zijn nieuwsgierigheid het van zijn angst.
Huiselijkheid en heiligheid
Lewis’ geheim – één van de vele – lijkt me ook te zijn een wonderlijke mengeling van huiselijkheid en heiligheid.
Om ook daarvan een voorbeeld te geven: in Het neefje van de tovenaar maken enkele kinderen en volwassenen – waaronder een cockney pratende cabby(koetsier) – de schepping van Narnia mee. Zingend(!) schept Aslan een nieuwe wereld. Alleen al het lezen van deze passage overigens is een belevenis.
Het muzische gehalte is heel hoog, net als dat van het visioen van ’de Grote Dans’ aan het slot van Reis naar Venus. Híj, Christus, draagt alles door het woord van zijn kracht, zegt Hebreeën 1 vers 3. Laat het zich machtiger vertolken dan in deze passages? Maar dan, dwars door het lied van de Leeuw heen, klinkt opeens, in lekker plat Londens, de stem van die koetsier: „Allemachtig! ... Ik sou mijn leven seker een beter mens geweest zijn als ik van dinge as deze geweten had!”.
Huiselijker én heiliger kan het haast niet. Tegelijk raak je in dit ene zinnetje aan één van Lewis’ grondgedachten: In de ontmoeting met God wordt een mens meer mens, of, want ook dat is mogelijk(!) ... minder.
Levende hoop
Wat mij persoonlijk misschien wel het meest in Lewis aanspreekt, is zijn vermogen om de blijdschap die hij – als vrucht van de christelijke hoop – in zich omdraagt op de lezer over te brengen. Veel andere moderne schrijvers slagen er moeiteloos in om je te laten gruwen van de menselijke perversie, haat en wreedheid. Het hoogtepunt van hun werk is niet zelden de coïtus van man en vrouw en zo prikkelen zij de menselijke emoties door een al dan niet subtiele overdaad aan geweld en sex in hun werk te verwerken en ... laten de lezer vervolgens onrein en ontluisterd aan z’n lot over. Lewis doet iets wat slechts weinigen kunnen: hij weet in zijn verhalen het goede, het zuivere en het schone – het voor het gevoel van velen vervelende en saaie – zo te tekenen dat ze een diepe aantrekkingskracht op je uitoefenen. Hij doet je vrijwel fysiek voelen dat er een verzadiging van vreugde gereed ligt, waarvan alle aardse vreugde niet meer – maar ook niet minder! – dan een voorsmaak is. De menselijke hunkering naar warmte en licht – het lentegevoel – weet hij optimaal te benutten, al is het alleen al door een tijd van diepe duisternis te typeren als een tijd van ’almost spring, but always winter’.
Buiten de Bijbel zijn er geen andere boeken die zo mijn hoop hebben gevoed, als de boeken van C.S. Lewis.
Kom ik nu te spreken over enkele passages die mij nog meer dan andere raken en geraakt hebben. Ik weet wel, dat is een riskante onderneming. Immers, eenmaal uit de context van hun verhaal gehaald is het zeer twijfelachtig of van zulke passages dezelfde zeggingskracht uitgaat als binnen die verhalende context. Daarbij komt, het zijn ook persoonlijke keuzes, en het is maar de vraag of anderen ze ook zo zouden maken. Toch zit in de keuzes ook iets bovenpersoonlijks.
Dat heb ik gemerkt tijdens het pastoraat. Meer dan eens namelijk heb ik ervaren, dat het werk van Lewis kan vertroosten en bemoedigen, zoals ook schriftgedeelten, psalmen en gezangen dat kunnen.
’Jezus weende’
Zo komt er in Het neefje van de tovenaar een jongetje voor, Digory geheten, wiens moeder zo ziek is, dat ze zal gaan sterven. Gaande het verhaal komt het tot een ontmoeting tussen Aslan – de Leeuw – en deze jongen.
Een voor Digory uiterst pijnlijke ontmoeting, omdat híj er heel direct oorzaak van is, dat kort na de schepping van Narnia het kwaad (evil) in die wereld is gekomen. Als Digory na deze confrontatie met Aslan – uiteindelijk ook met zichzelf! – durft te vragen of Aslan zijn moeder wil genezen, kijkt hij in het gezicht van de Leeuw.
Wat hij dan ziet overdondert hem. „Want het goudbruine gelaat was neergebogen naast het zijne en (wonder boven wonder) grote glimmende tranen stonden in de ogen van de Leeuw. Het waren zulke grote, heldere tranen vergeleken met die van Digory zelf, dat het op dat ogenblik voelde alsof de Leeuw echt meer verdriet om zijn moeder had dan hijzelf.” Kunt u begrijpen dat dit me ontroert? Je komt hier in aanraking met een Goddelijk verdriet, dat dieper gaat dan het onze. Een gedachte, die aanknoopt bij momenten uit de evangeliën waarin we Jezus wenende, of met erbarming bewogen zien. Bijbelwoorden die al sprekend genoeg zijn, maar die door hun heel eigen verhaalcontext extra tot je spreken. En wat kun je daarmee getroost worden en troosten als je zelf of anderen een diep van God verlaten gevoel hebben, of het idee dat de ellende hier God koud laat.
Iedereen z’n eigen verhaal
Een ontroerend zinnetje vind ik ook in het gesprek dat Aslan heeft met de reeds genoemde Shasta, uit Het paard en zijn jongen (tussen haakjes, grappige titel, niet?). Het luidt als volgt – vertaling lijkt me overbodig: „Child,” said the Voice, „I am telling you your story, not hers. I tell no one any story but his own.” Het voor het begrijpen van deze zinnen eigenlijk onmisbare verhaal bespaar ik u om redenen van ruimte.
Alleen dit, dat het hier om een jongen gaat die zichzelf beklaagt vanwege zijn ongelukkige levensloop. Hij is een wees, opgevoed door een egocentrische visser, en denkt niet veel mee te hebben. Dit in tegenstelling tot Aravis, zijn tegenspeelster in dit boekje, een pittige en pedante jongedame. Hij is op de vlucht voor alles en iedereen en uiteindelijk zit ’m – toppunt van ellende – ook nog voortdurend een leeuw op de hielen ... Aravis wordt door die Leeuw verwond en vervolgens moet hij alléén een belangrijke missie volbrengen. Dit lukt en tenslotte ontmoet hij de Leeuw en hoort hij dat die Leeuw achter alles zit .... Dan vraagt hij de Leeuw waarom die hij Aravis verwond heeft. Het antwoord? „Jij hebt jouw verhaal. Zij heeft haar verhaal.
Laten we ons tot jouw verhaal beperken.” Waarom dit me ontroert? Omdat wat ik uit de Bijbel al wist zo heel dichtbij, nog dichterbij komt: Ons leven heeft een verhaal. Mijn leven heeft een verhaal.
Het is geen willekeurige aaneenschakeling van toevalligheden, nee, „In uw boek stond reeds te lezen wat eens mijn levensweg zou wezen.” Dat troost me. En verder, hoe leeft de Schrift op bij zulke zinnen! Ik moet denken aan het gesprek tussen Jezus en Simon Petrus in Joh. 21:20-23: „Here, maar wat zal met hem (de door Jezus beminde discipel) gebeuren?” Waarop Jezus antwoordt: „Indien Ik wil, dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het jou
aan? Volg jij Mij ...”
Eenvoudige waarheden
Ook een zinnetje uit Prins Caspian is blijven hangen. Na een behoorlijke tussenpoos komen de kinderen voor de tweede keer in Narnia. Lucy heeft dan als eerste van hen een ontmoeting met de Leeuw. Hij raakt haar neus even aan met zijn tong en zij ziet zijn grote, wijze gezicht. Dan volgt er een begroeting en een gesprek dat ik in mijn eigen woorden als volgt weergeef. „Aslan,” zegt Lucy, „Je bent groter geworden!” „Dat is, omdat jij ouder bent, kleintje”, antwoordt Aslan. „Niet omdat jíj dat bent?”, reageert Lucy.
„Nee”, zegt de Leeuw, „dat ben ik niet. Maar elk jaar dat jij ouder wordt, zul je mij groter gaan vinden.” Wonderlijk, zoals Lewis erin slaagt om met de grootst denkbare eenvoud de bijna diepst denkbare waarheid onder woorden te brengen ...
Het laatste oordeel
Nog één laatste voorbeeldje van wat Lewis’ kinderboeken kunnen losmaken. In Het laatste gevecht gaat het onder andere ook over NB het laatste oordeel. Daarin komt ook een jonge heiden terecht – een dienaar van de afgod Tash – die voor deze Tash een enorme verering heeft. Hij heet Emeth5 ... Van eigenlijk elke andere dienaar van Tash geldt, dat die op deze dag zijn ondergang tegemoet gaat, omdat hij Tash tegemoet gaat.
Maar Emeth ontmoet in dat moment tot zijn grote ontzetting èn blijdschap niet Tash, maar Aslan, in zíjn Rijk. De Leeuw zegt: „Ge zijt welkom mijn zoon.” De jongen zegt: „Helaas Heer, ik ben uw zoon niet maar een dienstknecht van Tash.” Hij sprak: „Kind, al de dienst die je aan Tash bewezen hebt reken ik als dienst aan mij.” En dan legt Lewis Aslans de volgende gewaagde woorden in de mond: „Daarom, als iemand zweert bij Tash en zijn eed houdt, ter wille van de eed, is het bij míj dat hij werkelijk gezworen heeft, hoewel hij dat niet weet, en ìk het ben die hem beloon. En als iemand een wreedheid begaat in mijn naam, dan, hoewel hij de naam Aslan noemt, is het Tash die hij dient en door Tash wordt zijn dienst aanvaard.
Begrijp je het kind?” Emeth reageert: „... toch heb ik heel mijn leven Tash gezocht.” Waarop Aslan antwoordt: „Geliefde Zoon, als je niet naar mij verlangd had, zou je me nooit zolang gezocht hebben. Want iedereen vindt wat hij echt zoekt.”6 O God, dat dat waar is, als het eens waar is, als het eens waar is!, denk ik dan. En opnieuw zet Lewis met overwegingen als deze tot het lezen van de Schriften aan. En je moet denken aan Abimelek, die tot God zegt: „Here, zult U dan een rechtvaardig volk doden?” (Gen. 20:4) En aan Psalm 65:9: „Waar de morgen gloort en de avond daalt brengt Gij gejuich.” En aan Mal.1:11: „Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, is mijn naam groot onder de volken, allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer, want groot is mijn naam onder de volken, zegt de HERE der heerscharen.”
Liefde voor Lewis. Niet omdat ik zo dwaas ben zijn werk in plaats te laten komen voor Gods Woord, maar omdat zijn werk zo sterk geënt is op Gods Woord en licht werpt op Gods Woord. Met een variatie op Psalm 45 vers 1 zou daarom je van heel Lewis’ oeuvre kunnen zeggen:
„Zijn hart trilt van blijde woorden, hij draagt zijn werk de Koning op zijn pen is de stift van een vaardige schrijver.”
Noten
1. ’Werpt uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele jaren.’ 2. Van lang niet alle boeken van Lewis heb ik een Nederlandse vertaling. De Nederlandse titels heb ik daarom uit het standaardwerk C.S. Lewis. Een biografie, van George Sayer, Kampen 1996. In dit werk staan – op pg. 298-301 – alle titels van Lewis’ in het Nederlands vertaalde boeken. Tot mijn spijt ben ik echter niet in staat naar pagina’s te verwijzen en omdat de meeste bovengenoemde citaten voor mij niet in een vertaling voorhanden waren ben ik hier en daar zo vrij geweest in alle bescheidenheid met een eigen vertaling te komen.
3. Vertaling: „Zodra de vriendelijke Dwergen dit merkten, begonnen zij elkaar te gebaren dat hij niet gewekt mocht worden. Maar vervolgens waren ze zo druk met fluisteren en knikken en opstaan en op de tenen weglopen, dat ze hem zeker zouden hebben wakker gemaakt als hij niet minder moe zou zijn geweest.” 4. Over de humor van Chesterson schrijft Lewis de volgende prachtige zinnen, die ook geheel op zijn eigen werk van toepassing zijn en een ieder die nog nooit wat van Lewis gelezen heeft meteen al kunnen overtuigen van zijn helderheid van geest en eruditie: „Zijn humor is van een soort die mij het beste ligt: het zijn geen ’grappen’ die over de bladzijden verspreid liggen als krenten in een cake; en nog minder van wat ik onuitstaanbaar vind: een toon van doorlopende flauwe aardigheid en scherts; het is een humor die onmogelijk te scheiden is van het betoog zelf, maar die veeleer (zoals Aristoteles het zou uitdrukken), het lieflijk ’waas’ is, dat over de dialectiek zelf gespreid ligt.’ In ’Verrast door vreugde’ (Amsterdam 1961, pg. 166) Meer Carmiggelt dus dan Bomans.
5. Het Hebreeuwse woord voor ’waarheid’ 6. Deze vertaling is van Ubbink, Pleidooi voor het christelijk geloof, Ede 1984, pg. 70.