Dilemma

1998-11-27
  • Jaargang 42
  • nummer 24
In 1981 hield dr. J.C.L. Janse, hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad, een enquête onder ouders en leerlingen van reformatorische middelbare scholen. Onlangs is, onder diezelfde groep, opnieuw een enquête gehouden, met dezelfde vragen als destijds. De uitkomsten van dit tweede onderzoek hebben nogal de aandacht getrokken, niet alleen onder de eigen achterban, maar ook in veel breder kring. Zo wijdde het Algemeen Dagblad er op 26 oktober een groot artikel aan, geschreven door Carel Brendel, onder de kop: ”Tijdbom onder reformatorische zuil”. Ik neem daar een gedeelte uit over.
Nadat gesproken is over veranderingen in visie op voorbehoedmiddelen, verzekeren, sport en politiek, schrijft de krant: ”Opvallend ten slotte is de groeiende sympathie voor de Evangelische Omroep. Voor de oningewijde zijn EO en SGP één pot nat, maar in werkelijkheid gaat het om zeer verschillende werelden. ’Zware’ bevindelijken (die toch al weinig op hebben met televisie) koesteren argwaan jegens de evangelikalen en hun vrijmoedige en oppervlakkige hallelujah-gedoe. De ’lichten’ zien de EO daarentegen als een christelijke bondgenoot, die als enige omroep het Woord van God verkondigt en weerstand biedt aan het goddeloze vermaak op de buis.
Bevindelijk Nederland staat al met al voor een dilemma. Moet het star vasthouden aan het overgeleverde Geloof der Vaderen, met het gevaar dat jongere generaties afdwalen naar ’minder standvastige’ kerken of zelfs het christelijk geloof voorgoed de rug toekeren?
Aanpassing aan de nieuwe tijd lijkt onvermijdelijk. Maar hoe? Want in het ter discussie stellen en prijsgeven van vaststaande beginselen, schuilt het gevaar dat de groep als een ijsberg wegdrijft om uiteindelijk weg te smelten in de grote oceaan. Van dat sociale mechanisme is wel vaker een standvastige groep het slachtoffer geworden. De CPN bijvoorbeeld, die net als de SGP rond 1918 is ontstaan. In de jaren 80 zonk deze partij in Titanic-tempo. De achterban hield het voor gezien. Daar kon ook een partijvernieuwing niets meer aan redden.
Zo dramatisch is de situatie niet in reformatorisch Nederland. Het volksdeel is kerkelijk en sociaal hecht georganiseerd.
Het beschikt over een eigen krant, een politieke partij, verenigingen, scholen, en instellingen voor gezondheidszorg en maatschappelijk werk. Bovendien wonen de bevindelijken dicht bijeen, op het platteland van Zeeland, Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Overijssel. Door de toegenomen mobiliteit en het hogere onderwijsniveau valt het echter steeds moeilijker deze enclaves af te schermen.
De boze buitenwereld dringt overal door, via computer en telefoon, op de televisie, op het werk, op de buitenlandse vakantie en vooral ook via forensen uit de grote stad, die het moderne leven in het vertrouwde dorp introduceren. Een dilemma, inderdaad; en dan niet alleen voor de zogenaamde ’bevindelijk Gereformeerden’, maar net zo goed ook voor ons. Er is absoluut geen reden om ons boven hen te verheffen, alsof wij op al die moeilijke vragen wél de antwoorden weten.
Het zal toeval zijn - maar dan toch wel vol van symbolische betekenis - dat op diezelfde pagina van datzelfde Algemeen Dagblad een kort artikeltje staat waarin de vloer wordt aangeveegd met een boekje dat Truth heet, en waarin ”de geschiedenis van de waarheid” wordt beschreven. Er is toch geen weldenkend mens meer, aldus de schrijver, Jan Bor, die het in z’n hoofd haalt om een boekje zo’n titel mee te geven! Want weliswaar heeft de waarheid ”inderdaad een lange geschiedenis in onze denktraditie.
De zoektocht ernaar is een diep en telkens terugkerend motief in de westerse denksymfonie. Maar tegelijk waagt na Nietzsche niemand zich meer aan een beschouwing over de Waarheid met een grote W. () Met de opkomst van de wetenschap in de moderne tijd is de waarheid horizontaal geworden, nooit onfeilbaar maar een menselijk maaksel, waarover we als het ware onderhandelen. De gedachte dat er niet één bovennatuurlijke waarheid is maar meerdere gezichtspunten zijn, het relativisme dus, is daarvan de uitkomst. Gelukkig maar”.
Nu, daar heb je dan het dilemma in een notendop, op één bladzij van een krant: wij zeggen als christenen wél te weten van een waarheid, zelfs te leven door Iemand die pretendeert in Zijn Persoon de Waarheid te zijn — maar daarmee leven we in een wereld die daar absoluut niet voor open staat.
En meer dan in voorbije eeuwen realiseren wij ons weer dat het Evangelie van het kruis werkelijk een aanstoot en een ergernis is. Het doorgeven en het voorleven van dát Evangelie, in een wereld die beheerst wordt door dingen als televisie en recreatie: dat is de uitdaging waar wij als gemeente van de Here Jezus in deze tijd voor staan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief