Een volk dat in donkerheid wandelt...
1998-12-11
Ze zitten totaal aan de grond, de ballingen van Israel. Ze hebben het niet meer. Vijanden hebben het heilige land overspoeld, het vernield en de bewoners verjaagd. Niets is er meer over van het land van de belofte.- Jaargang 42
- nummer 25
Van Jeruzalem is geen steen op de andere gelaten. Het heiligdom is in vlammen opgegaan. De lofzang is verstomd. De altaren roken niet meer. De liefelijke geur van mirre en andere specerijen heeft plaats gemaakt voor de stank van dood en verderf. Niets herinnert meer aan de grootheid van weleer. Niets herinnert meer aan God, de God van Israel.
Ja, waar is God? Waar is de Verlosser?...
Die is er niet! Hij heeft zich teruggetrokken, verborgen, afgekeerd van zijn volk. De hemel is van koper. God is er niet.Dat is een pijnlijke, diepe ervaring. Angstaanjagende Godverlatenheid. Dat is de diepste menselijke ervaring van eenzaamheid. ,,Mijn God, mijn God...’’ Ontredderd ben je. Letterlijk. Er is geen Redder meer. Je staat er alleen voor.
Wanhoop
,,Scheur ze toch open, o God! Scheur toch de hemelen open!
Scheur ze uiteen en daal neer! Kom tot ons!’’ Het snerpt door de kilte van de nacht, door de stilte van de duisternis. Het gaat door merg en been. Een wanhoopskreet is het, een roep om hulp tot God Die er niet is!
Eerder een wanhoopskreet dan een uiting van geloof. Wanhopig schreeuwt hier een mens zijn onmacht uit tegen een hemel die daadwerkelijk gesloten is. Een mens die niet meer weet, hoe het verder moet.
Bange vraag
Zal het hierbij blijven? ’Zult Gij zwijgen en ons bovenmate verdrukken?’ (Jes. 64,12) Deze vraag is een bange vraag. Een vraag die beheerst wordt door het besef, dat alle rechten zijn verspeeld en iedere hoop de bodem is ingeslagen. Ja natuurlijk, de bijbelse geschiedenis is bekend. God is een God van vele gunstbewijzen en van roemrijke daden. We denken aan Mozes, die met God aan zijn zijde het volk Israël heeft verlost. God is een Vader, innerlijk bewogen en vol ontferming. Een God die tegemoet komt, ’die met vreugde gerechtigheid doet, hun die op uw wegen aan U denken’ (Jes. 64,5). Maar niemand denkt meer aan God. Niemand wandelt meer op Gods wegen. Zou er dan verlossing zijn?
(vgl. Jes. 64,5) ’Zult Gij zwijgen en ons bovenmate verdrukken?’ Het zal toch niet waar zijn, dat het hierbij blijft? Met deze bange vraag besluit een mens is Israël zijn gebed. Hoe donker kan het worden in een mensenleven?
Bosnië
Ik dwaal in mijn gedachten weer door de straten van Sarajevo. Om mij heen de aan gort geschoten huizen, getuigen van blinde haat, nietsontziend geweld. ’De wanhoop in haar straten’, een flard van een bekend gezang. (Gez. 129) Ik ruik weer de stank van angst en dood en lees de doorstane verschrikkingen af van de gezichten van hen die aan de slachting van Srebrenica ontkomen zijn. ’De dood is overal, het licht is uitgestorven, de nacht is zonder morgen, het lichaam zonder taal.’ Wat is er sindsdien veranderd?
Ik voel me verwant met die mens, die in zijn wanhoop niet anders meer kan dan roepen tot God. Tot God Die er niet is, want iets of iemand anders heb ik niet. En ik roep: ’Och scheur ze toch open, o God! Scheur toch de hemelen open! Scheur ze uiteen en daal neer!’ Want het zal toch niet waar zijn, dat het hierbij blijft?
De stilte treedt in. Een wanhoopskreet sterft weg in de kille stilte van de nacht. Een volk dat in donkerheid wandelt...