Wat heeft Lewis, dat Schilder niet heeft?
1998-12-11
Nog niet zo heel lang geleden werd hier in Nederland de honderdste geboortedag van een tijdgenoot van Jack Lewis herdacht, en wel die van Prof. dr. Klaas Schilder. Dat gebeurde in 1990.- Jaargang 42
- nummer 25
Hoewel wij, Nederlands Gereformeerden Schilder onze kerkvader mogen noemen, ging die herdenking echter grotendeels aan ons voorbij. Met ’ons’ bedoel ik dan niet de theologen en de predikanten, maar de niet-theologen.
Immers, publikaties óver Schilder verschenen wel, maar herdrukt werd zijn werk niet. Gelet op de stroom herdrukken en nieuwe vertalingen van Lewis’ werk mag hieruit afgeleid worden dat het lezerspubliek van Lewis breder wordt, terwijl het lezerspubliek van Schilder smaller wordt. En daarom wil ik me eens afvragen: Hoe zou het komen, dat K. Schilder onder ons ’uit’ is, en C.S. Lewis ’in’?
Nu zal iemand die Schilder níet kent deze vraag misschien een beetje dwaas vinden: Schilder vergelijken met Lewis, is dat niet hetzelfde als edelmetaal vergelijken met lood of oud ijzer? Alleen al de serieuze mogelijkheid dat ’wij’ zo op Schilder reageren, is eigenlijk tekenend voor het gebrek aan kennis van Schilder. Hoewel Lewis en Schilder op zich twee heel verschillende persoonlijkheden en schrijvers waren, met een heel verschillende levensloop, moet gezegd, dat zij elkaar qua uniek talent, aanleg en interesses weinig ontliepen.
Overeenkomsten
Over de jonge Klaas Schilder schreef iemand na zijn sterven: ’Zijn enorme kennis van de klassieke en moderne talen ontsloot voor hem gemakkelijk de betoverende wereld van de oude en nieuwe cultuur.
Als in permanente extase wandelde hij in een wonderland, waarvan hij het bestaan nimmer had vermoed ... Met een naar schoonheid hunkerend hart, met een geest die onverzadigbaar hongerde naar wijsheid en wetenschap, met een ziel waarvoor de donkere raadsels van het leven opdoemden, dompelde hij zich in al het schone, nieuwe, vreemde dat zich voor hem ontsloot. Zonder enige leiding, ook zonder enig gezelschap, exploreerde hij als een eenzame pionier de voor hem geheel nieuwe en daarom zo hevig fascinerende gebieden van het menselijk geestesleven.’ 1 Wie ’Verrast door vreugde’ heeft gelezen weet, dat bijna al deze typeringen ook op Lewis toegepast zouden kunnen worden, zij het dat Lewis niet las, alsof zijn leven ervan afhing... Zou niet Arthur Greeves maar Klaas Schilder Lewis’ buurjongen zijn geweest, dan geef ik het een grote kans dat ook die twee elkaar gevonden zouden hebben.2 Verder, was Lewis een denker van formaat, een zeer erudiet en belezen man, origineel en uiterst taalvaardig, Schilder was dat ook. Hoewel hij geen taalgeleerde was, wist hij wat taal was, om het even of het Nederlands of Duits, Grieks, Hebreeuws of Latijn was. Beiden waren ook filosofen: Lewis heeft o.a. filosofie gestudeerd, Schilder is als filosoof gepromoveerd en wel summa cum laude(!) in Erlangen. Om tenslotte nog een laatste punt van overeenkomst te noemen: hoewel Schilder vooral gezien wordt als polemicus, moet gezegd dat Lewis er ook wat van kon. Goed, Lewis is over het geheel genomen meer thetisch dan anti-thetisch en -als hij anti-thetisch is- meer zakelijk en minder persoonlijk. Hij heeft ook iets ontwapenends in de wijze waarop hij de pen als wapen hanteert. Maar hij confronteert en polemiseert wel, en soms uiterst scherp ook. Denk alleen maar aan de wijze waarop hij in de figuur van Weston bepaalde wetenschappers aan de kaak stelt!
Twee theo-logen
Belangrijker is, dat ook tussen het theologische denken van Lewis en Schilder tal van overeenkomsten bestaan. Beiden zijn werkelijk theo-loog. Theo-loog in de zin van: weet hebben van God èn weten Wie Hij is. Hun denken en doen is geheel doortrokken van het besef dat er een heilige God is, een tegelijk rechtvaardige èn barmhartige God die de mens als verantwoordelijk wezen tot Zich geschapen heeft. Vanuit het diep doorleefde besef van te bestaan voor deze God leven en schrijven zij. En vanwege dat sterke Godsbesef schrijven zij overtuigend en gezaghebbend. Beiden zijn ook werkelijk orthodoxe theologen, zij het dat het denken van Schilder meer onder de tucht van het geopenbaarde Woord staat dan dat van Lewis. Kenmerkend voor allebei is ook dat zij thema’s aan de orde stelden, die vanuit 20ste eeuwse optiek wat middeleeuws aandoen. God en duivel, eeuwigheid en tijd, hemel en hel zijn voor beiden geen gedachtenspinsels, maar realiteiten die heel hun werk bepalen. De kleine mens leeft bij beiden in een zeer ruim verband.
Totaaldenkers
Hoewel er inhoudelijk ook aanzienlijke verschillen tussen Lewis en Schilder zijn, vallen er in het werk van Lewis soms oorspronkelijke gedachten -want niet direct uit de Schrift afleidbaar- aan te wijzen, die zo bij Schilder zouden kunnen zijn weggekomen, en omgekeerd. Neem de volgende zinnen bij Lewis: ’Wat het feit van de zonde betreft: is het waarschijnlijk dat iets in staat is haar uit te wissen? Alle tijden vormen samen een eeuwig ’heden’ voor God. Zou het niet op zijn minst mogelijk zijn dat Hij ... u in alle eeuwigheid in de kinderkamer een vlieg de vleugels ziet uittrekken?’3 Ieder die Schilder kent, weet, dat we dergelijke huiveringwekkende, maar bloedserieus bedoelde gedachten ook bij hem tegenkomen.4 Omgekeerd, als Schilder over God schrijft: ’Wandelen met God - dat is: wandelen met de Alzijdigheid, die voor elke zijde van haar verschijningsvorm onze volle aandacht eist. Het is: duizend wegen zien, die alle afgewandeld moeten worden.
Het is: deugden in God zien, die elkaar schijnen op te heffen en toch elkander eeuwig ondersteunen. Het is: werken Gods aanschouwen, die in tegenstrijdigheid elkander schijnen te verteren en toch in en met elkander de historie vòl maken van eeuwigheid.’5, mag ik dan niet -net als in mijn vorige artikel- aan Lewis’ visioen van de Grote Dans denken aan het slot van Reis naar Venus? Genoeg wezenlijke punten van overeenkomst dus. Toch ligt daar het simpele feit dat Lewis gelezen wordt en onze kerkvader Schilder niet. Een paar opmerkingen hierover.
1. Kwestie van communicatie
Allereerst moet ik dan toch denken aan de wijze waarop beide mannen communiceren. Hoe knap Schilder ook schrijft, uiteindelijk is hij veel minder leesbaar. Om dirèct en ten diepste te begrijpen wat hij bedoelt, is niet zelden een forse hoeveelheid kennis van Grieks of Latijn nodig.
Zijn betoogtrant is vaak nogal omslachtig.
Hij dwaalt geregeld van de hoofdweg van zijn betoog af, om via allerlei omwegen en zijwegen weer op het oorspronkelijke spoor terug te komen. Voor een toerist, die van plan is lange tijd op één plaats te verblijven, is zoiets prachtig, voor iemand die een beetje door wil van A naar B vermoeiend en verwarrend. In Lewis zit veel meer -verantwoorde- vaart. En, wat nog belangrijker is, hij weet hetgeen moeilijk te doorgronden is helder en in klare taal weer te geven. Dat is te danken aan een bijzondere gave die God hem gegeven heeft: het vermogen om het onbevattelijke te verhelderen via het bevattelijke. Alles wat hij kan vertalen, vertaalt hij in het voel- en tastbare. Waar Schilder maar al te dikwijls een soort meta-taal gebruikt als voertuig van zijn gedachten, gebruikt Lewis de metafoor. Laat me daarvan één voorbeeld geven.
Het nut van dogmatiek
Schilder begint zijn uitlegging van de Catechismus met een zeer knap betoog over het óók redelijke karakter van de christelijke troost.6 Zoals zoveel van wat Schilder geschreven heeft goede kost voor theologen. En het is wat mij betreft buiten kijf, dat de Woordbediening door betogen als deze gedragen kan gaan worden. Maar vraag je je af wat je er in directe zin mee kunt, vanaf de kansel, dan wordt het zoeken geblazen. Schilder past beter ónder de preek dan erin! Hoeveel bruikbaarder is dan die ene metafoor van Lewis in de Beeldhouwer en zijn beeld, waarmee híj het verzet tegen theologie weet te breken.7 Hij introduceert een R.A.F.-officier die hem zei niets van dogma’s te moeten hebben, omdat hij God ooit in de woestijn gevoeld had en tot de conclusie was gekomen dat formules over God in het niet zinken bij het ervaren van God. Nu, dat laatste wil Lewis niet ontkennen, maar, -en dan komt de metafoor- ’Als iemand, die van het strand af naar de Atlantische Oceaan heeft staan kijken, daarna een kaart ervan gaat bekijken, zal dat voor hem ook de overgang zijn van iets reëels naar iets minder reëels, een overgang van werkelijke golven naar een gekleurd blad papier.’ Maar, voegt hij hieraan toe: 1. In die kaart ligt een massa ervaring besloten die de hoogst persoonlijke ervaring aan het strand verre overstijgt en 2. voor wie naar Amerika wil varen is zo’n kaart waardevoller dan talloze wandelingetjes aan het strand. Vervolgens past hij deze gedachte toe op de dogmatiek. 1. Dogma’s zijn nooit God zelf; ze zijn een soort landkaart; 2. Ze bevatten de ervaring -wat mij betreft was het woord inzicht hier gepaster geweest- van tallozen; en 3. Hoe belangrijk het ervaren van God en algemene religiositeit ook zijn, ze leiden tot niets. Vele pagina’s beknopter, veel leuker en sprekender weet Lewis hier hetzelfde doel te bereiken dat Schilder voor ogen stond toen hij aan zijn eerste hoofdstuk van zijn catechismusuitleg begon! Lewis is de meester van de metafoor.
En wat is het effect van die vele goed gekozen vergelijkingen? Middels die metaforen weet hij zowel het verstand te bereiken als het hart te raken!
2. Verdediger van het christelijk geloof
Toch denk ik niet, dat dit vermogen om het geloof te communiceren de enige reden is waarom Lewis blijft trekken. Achter dit verschil gaat een ander verschil schuil, dat ik als volgt zou willen benoemen: Lewis schrijft met zijn gezicht naar de wereld, Schilder schrijft met zijn gezicht naar de kerk. Heel Lewis’ beschouwelijke werk wordt gestempeld door de lange zoektocht -van Wie eigenlijk?-
waarin hij tot geloof gekomen, tot geloof gedwóngen is (zie het vorige artikel van Pieter van Kampen). Hij heeft bijna alle denkbare religieuze stadia doorgemaakt die een mens bedenken kan; die van agnost en atheïst, van (bijna) spiritist en het geloof in een universele Geest, die van vormendienst en toegewijd christen.
Op zedelijk gebied heeft hij een ontwikkeling doorgemaakt van een volstrekt amorele levensopvatting naar die van een diep overtuigd zijn van de boven het menselijk bestaan staande, eeuwige norm van God. Hij kent het alles van binnenuit en wéét waarom en hoe hij stap voor stap voor het geloof in Christus gewonnen is.
Hij is permanent in gesprek met de nietchristen, met de tegenwerpingen in zijn eigen geest, onze geest. En zo verdedigt hij het christelijke geloof op een heel existentieel niveau. Of de wijze waarop hij dat doet altijd overtuigend is, is voor mij wel eens een vraag8, feit echter is, dát hij het doet. Moet hieruit niet een belangrijk deel van Lewis’ aantrekkingskracht verklaard worden? Lewis is juist actueel in een tijd waarin de kerk op haar retour is. Hij doet iets waaraan ’wij’, christenen in een geseculariseerde wereld, grote behoefte hebben: hij spreekt als een insider met de outsiders. Hier valt een parallel te trekken met Augustinus. Zoals Augustinus als kerkvader groot kon worden, mede via de weg die hij ging door de belangrijkste geestesstromingen van zijn tijd heen, zo zie je dat bij Lewis denk ik ook. Dit ligt toch echt anders bij Schilder. Schilder is wel een groot theoloog, maar geen grote apologeet. Hij schrijft in een verzuilde tijd, voor een verzuilde kerk. Hij confronteert de kerk wel met de wereld, misschien nog wel het meest van alle toenmalige theologen, op Miskotte na, maar confronteert hij de wereld ook met de kerk, beter gezegd, de God van de kerk? In het geheel niet. Waar Lewis met de zich tegen God verzettende mens mee oploopt, mee op kán lopen9, kritisch meedenkend en zo allereerst zichzelf maar ook die mens verder helpend, daar is Schilder maar al te dikwijls alleen maar anti-thetisch. Hij helpt ’de heiden’ niet omhoog, maar bestrijdt hem van omhoog.
Dit is geen enkele reden om Schilder te diskwalificeren, nog minder om hem ongelezen te laten. Het verklaart m.i. echter wel waarom Lewis een zoveel grotere aantrekkingskracht op ons uitoefent.
3. Lewis: kerkelijk bindmiddel
Lewis staat met zijn gezicht naar de wereld en Schilder met zijn gezicht naar de kerk, zo schreef ik. Hiermee hangt een derde verschil samen, denk ik. Lewis heeft geen enkele, maar dan ook geen enkele behoefte om zich te mengen in binnen-kerkelijke twisten. Zijn werk kenmerkt zich door een basale concentratie op de kern van het christelijke geloof. Dat is het geloof in een persoonlijke God, die wij kennen als Vader, Zoon en Geest, de Schepper van hemel en aarde en de Verlosser van een in zonde gevallen mensheid. In De sleutel tot het geheim begint Lewis met het volgende veelzeggende voorwoord: ’Zelf ben ik thans lid van de anglicaanse kerk, maar ik heb getracht uit de tweede serie alles verre te houden waarmee niet alle christenen van alle kerken het eens zijn. Met dit doel voor ogen zond ik het manuscript aan vier geestelijken (een anglicaan, een rooms-katholiek, een presbyteriaan en een methodist) alvorens de toespraken het licht te geven. De anglicaan en de presbyteriaan waren het in allen dele met mij eens.
De rooms-katholiek vond dat ik te ver ging wat betreft de betrekkelijk geringe waarde van theorieën over de verzoening en de methodist had graag wat meer gehoord over het geloof. ... Afgezien daarvan geloof ik dat men hetgeen in de tweede serie wordt gezegd kan beschouwen als zuiver christelijke leer, waar geen enkele christen het mee oneens is.’10 Lewis heeft geen enkele behoefte een ’theologie’ te ontwerpen die zich onderscheidt van die van andere theologen. Hij wil niet anders dan zich voegen in hetgeen door de kerk van alle tijden en plaatsen gedeeld wordt en daarvan getuigenis afleggen. Zijn gesprek is niet met theologen, hoewel dat wel een enkele keer voorkomt, maar met de wereld. Het gevolg hiervan is, dat zijn werk een sterk katholieke inslag heeft. Geen wonder dat zowel een prof. dr. A.Th. van Deursen als een kardinaal Simonis om strijd Lewis kunnen roemen als verdediger van de waarheid!11 Lewis vormt een bindend element, omdat hij namens de Kerk van alle plaatsen en eeuwen in gesprek gaat met de wereld. Lees je het werk van Schilder dan is juist op dit punt het verschil tussen deze twee heel groot. Niet het verbindende, maar het scheiding makende voert de boventoon in Schilders binnenkerkelijke gesprekken. Hij wil verenigen, maar doet dat door de verschillen op de spits te drijven, om zo de ander klaar voor ogen te stellen waarvan hij zich bekeren moet. Dat het effect daarvan eigenlijk altijd averechts is, zal niemand verbazen. Wat een verademing is het dan om Lewis te lezen, die een volstrekt duidelijke, christelijke positie inneemt, op onderdelen ongetwijfeld wel eens een steekje laat vallenmaar dat heeft Schilder niet minder gedaan!-, maar desondanks degenen die Christus liefhebben weet samen te binden.
Is het niet aan zulke mensen dat wij in deze tijd van verdeeldheid èn secularisatie behoefte hebben?
Schilder is één van onze kerkvaders. Spijtig genoeg wordt hij nog maar weinig gelezen. Onlangs echter noemde iemand Lewis ’de kerkvader van de 20ste eeuw’. Of hem die grote eer te beurt zal vallen?
De toekomst zal het leren. Als hij het echter wordt, dan sluit ik niet uit, dat hij het wordt om een aantal kwaliteiten, die in dit artikel genoemd worden: sprekend van wat de kerk van alle plaatsen en eeuwen gelooft, slaagt hij erin de mens van nu ongelooflijk dicht op de huid te komen.
Lewis geeft ons een boel huiswerk mee: wat gebeurt er met onze taal, onze theologie en ons kerkzijn als we met ons gezicht naar de wereld gaan staan?
Noten:
1 Prof. C. Veenhof, Gedenkt uw voorgangeren, Goes 1952, pg. 10
2 Verrast door Vreugde, Amsterdam 1961, pg.115vv
3 Het probleem van het lijden, Baarn 1998, pg.48
4 Men zie bijv. zijn overdenking over Ps.7:212, ’Alledaagse toorn’, Schriftoverdenkingen I, Goes 1956, pg.464-472.
5 Licht in den rook, Delft 19252,, pg.66
6 Heidelbergsche catechismus, Goes 1947, pg.1vv
7 De beeldhouwer en zijn beeld, Baarn 19915, pg.9,10
8 Hopelijk verschijnt er binnen afzienbare tijd nog een -door een ander geschreven- artikel over de betekenis van C.S. Lewis als apologeet.
9 In dit opzicht valt nog een boeiend verschil tussen Lewis en Schilder op te merken dat van meer theologische aard is. Wie Lewis ontwikkelingsgang volgt, merkt dat binnen het proces waarin hij tot geloof is gekomen heidense werken een rol gespeeld hebben. Het klinkt verschrikkelijk eng, maar in eerste instantie heeft niet de Torah, maar de Edda Lewis’ sensus spiritualis gevoed! Vervolgens heeft ook redelijke argumentatie een belangrijke rol gespeeld in zijn proces van bekering. Deze ontwikkelingsgang heeft doorgewerkt in zijn werk. Zowel de menselijke religiositeit als ’de natuurlijke theologie’ spelen in Lewis’ werk een ook positieve rol. Hoe groot is hier het verschil met die andere kerkvader van de 20ste eeuw, Karl Barth!
10 De sleutel tot het geheim, Baarn 19762, pg.7 11 In een recent verschenen promotieboekje van Lewis’ werk: C.S. Lewis honderd jaar, Franeker 1998, pg.9-15.