Mondige bescheidenheid

2000-04-14
  • Jaargang 44
  • nummer 8
"Lees de bijbel als mondige mensen!" zo luidde het parool in de vorige artikelen.
"Oordeelt zelf!" Maar moet dat er niet op uitlopen dat wij dan uitmaken in hoeverre de bijbel gezaghebbend is en kan zijn? Wat blijft er op die manier over van de ootmoed, waarin een mens zich laat gezeggen door God? Dat is de belangrijke vraag waarop nu zal worden ingegaan.

Een toontje lager zingen Als één ding in de bijbel duidelijk wordt, dan wel dat oordeel en inzicht van ons mensen betrekkelijk zijn. Zo eindigt het boek Job er veelbetekenend mee dat God de mens een toontje lager doet zingen.
Het middengedeelte van het boek staat in het teken van de menselijke mondigheid: Job vraagt, nee, hij eist welhaast tekst en uitleg van God. Hij weigert blindelings te aanvaarden wat hem overkomt. Hij stelt kritische vragen en beklaagt zich erover dat God hem de kans niet geeft zijn argumenten naar voren te brengen. Maar als God dan eindelijk reageert op Job, geeft Hij geen tekst en uitleg. Integendeel: de HERE maakt hem duidelijk dat hij geen partij voor Hem is. In zijn ogen had het verlangen naar mondigheid Job pedant gemaakt: alsof de almachtige Schepper bijgestuurd moet worden! Job krijgt zijn plaats gewezen als schepsel: nadat hij zich in zijn mondigheid overschreeuwd heeft, moet hij nu maar eens een tijdjezijn mond houden...
Dit incident kenmerkt de relatie God-mens. Hij is de Schepper en wij zijn zijn schepselen, en dat betekent dat niet Hij naar ons heeft te luisteren maar wij naar Hem! Imposant staat het in Jesaja 40:13,14:

‘Wie bestuurde de Geest des HEREN en onderrichtte Hem als zijn raadsman?
Wie raadpleegde Hij, dat deze Hem inzicht zou geven, het rechte pad zou leren, kennis bijbrengen en de weg des verstands doen kennen?’

Als het om inzicht gaat en kennis en verstand, dan zijn wij ménsen het die veel te leren hebben en die er daarom goed aan doen ons oor te lenen aan het onderricht, de thora van onze God. Hij, de Schepper, heeft geen onderricht nodig; Hij is zichzelf genoeg in de keuzes die Hij maakt en de daden die Hij stelt.
Daarom kan Paulus in Romeinen 11:33 zeggen, voorafgaand aan zijn zinspeling op Jesaja 40:13:

‘O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen.’

De menselijke mondigheid reikt niet zover, dat wij God kunnen narekenen.
Als wij dat denken te kunnen, gedragen we ons niet mondig, maar pedant! Een mens heeft te aanvaarden, dat hij bij God op mysteries stuit, zoals hij ook heeft te aanvaarden dat God niet aan ons verantwoording schuldig is, maar wij aan Hem.
Zo gezien is het essentieel dat wij eenmaal onderworpen worden aan zijn eindoordeel. Dat hoort bij menszijn: het oordeel over ons eigen leven komt niet aan ons toe, maar aan Hem die ons gemaakt heeft, vgl. I Corinthiërs 4:3b,4. Ook hier weer die omkering: niet wij oordelen over God, maar Hij over ons!

Vreze des HEREN
Dit alles betekent, dat de relatie tot God ons stempelt tot mensen die Hem in de eerste plaats hebben te vrezen. Een heilig ontzag voor God, dat past ons. Het is die 'vreze des HEREN' die de toonzetting bepaalt van zondag 10 van de Heidelberger Catechismus, de belijdenis van Gods voorzienigheid waarnaar ik in het eerste artikel verwees als voorbeeld van een geloofsuitspraak waar moderne, mondige christenen moeite mee hebben. Nu is ook naar mijn smaak zondag 10 te eenzijdig geformuleerd.
Ik mis er onder andere het tumult in van het middengedeelte van het boek Job. Maar het einde van dat boek - ja, die sereniteit komt er wel heel mooi in tot klinken.
Daarom zou ik het toch voor deze belijdenis willen opnemen. De ootmoedige vroomheid die eruit spreekt doet meer recht aan de verhouding Schepper-schepsel dan mondige christenen soms geneigd zijn toe te geven.

Spanning
Die spanning tussen ontzag voor God en menselijke mondigheid speelt ons ook parten bij het bijbellezen.
Mondig bijbellezen: zet dat de deur niet open voor een pedant oordelen over wat wel gezaghebbend in de bijbel is en wat niet? En ontzag voor God: houdt dat daarentegen niet in, dat wij ons gewonnen geven aan Hem, en onze meningen en gevoelens ondergeschikt maken aan datgene wat Hij ons in de bijbel te zeggen heeft? Naar ik meen komen sommige bijbellezers inderdaad veel te gauw en te haastig met het 'daar kan ik niks mee'.
In de praktijk kan dat er toe leiden, dat zij een bijbel overhouden die helemaal op hun maat gesneden is, en waarin zij uiteindelijk alleen nog maar hun eigen ideeën aantreffen...
Wil het bij het bijbellezen echt komen tot een ontmoeting met God, dan zal er toch een besef moeten zijn van de omkering van de rollen: niet wij oordelen over God, maar Hij over ons. Dat betekent dat je je als schepsel opstelt en eerbiedig openstaat voor wat de HERE je te zeggen heeft. Om Hem in de bijbel werkelijk aan het woord te laten komen, is het nodig om eens een tijdje - je mond te houden.... Roept dat wat je in de bijbel leest tegenwerpingen bij je op?
Span je dan in om in de huid te kruipen van de bijbelschrijver en gevoel te krijgen voor wat hem beweegt. Ga na of er misschien ergens in de tekst op je tegenwerpingen wordt ingegaan, en wees bereid ze eventueel onder kritiek te laten stellen.
Neem je voor om God niet in de weg te lopen met jouw religieuze en morele ideeën, en wees ontvankelijk voor correctie en bijstelling. Jeremia kreeg voor wat betreft zijn relatie tot de Judeeërs van zijn Opdrachtgever te horen: "Zij moeten zich richten naar u; gij moogt u niet richten naar hen." (15:19 Willibrord vertaling) Dat kunnen wij ons aantrekken: wij hebben ons te richten naar de bijbel, en de bijbel niet naar ons.

Mondigheid op een hoger niveau
Zijn we daarmee terug bij af, en is het pleidooi voor mondigheid in naam van de 'vreze des HEREN' alsnog van tafel? Dat lijkt maar zo. Het is een misvatting te menen, dat een diep ontzag voor God en mondigheid elkaar uitsluiten.
Ook dat wordt duidelijk in het slot van het boek Job. Aan de ene kant toont Job zich zeer ootmoedig als hem zijn plaats wordt gewezen als schepsel. Aan de andere kant: hij láát zich zijn plaats wijzen. Het is niet alleen God die hem pedant vindt - hij vindt het zelf nu ook:

‘Ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep.’

Aan de ene kant zie je hier een terugtrekkende beweging. Job erkent volmondig dat hij de grenzen die hem als schepsel gesteld waren overschreed toen hij God zo opstandig ter verantwoording riep. Aan de andere kant is hij dezelfde gebleven.
Nog steeds is hij een mens is die zich niet slaafs opstelt. Ook nu hij de hand op zijn mond legt (39:37), doet hij dat niet omdat hij daar van hogerhand bevel toe krijgt, maar uit eigen vrije wil, vanuit het nieuw verworven inzicht dat daartoe reden is. Het bijzondere is, dat God dat proces bewerkt. De HERE Zelf heeft hem zover gebracht dat hij er vanuit een diepe innerlijke overtuiging genoegen mee neemt dat hij geen tekst en uitleg krijgt. De ontroerende woorden die Job in 42:5 spreekt, zijn in dit verband van groot belang:

Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.’

Dat Job nu een toontje lager zingt, heeft alles te maken met een nieuwe, directe ervaring met God.
De ootmoed is hem niet autoritair afgedwongen, maar correspondeert met een diepere kennis van God. Zo blijkt, dat ook de ootmoedige Job zijn mondigheid niet heeft afgelegd.
Veeleer beleeft hij zijn mondigheid op een ander, hoger niveau.

Grote mond
Dat is een belangrijke vaststelling. Kennelijk houdt mondigheid niet per definitie in dat een mens hoog van de toren blaast. Dat is wel het beeld van de mondigheid van de moderne samenleving.
Die kenmerkt zich immers door de zware nadruk op de eigen verantwoordelijkheid en de eigen inzichten van mensen.
Hoe vaak hoor je het niet zeggen: "Dat moet ík toch weten?!" Daaruit spreekt de drang om het leven in eigen hand te nemen en de weigering om zich door anderen te laten gezeggen. Door anderen: dat slaat in de eerste plaats op God. Het irriteert veel mensen mateloos, de gedachte dat ze van God te horen zouden moeten krijgen hoe ze het best kunnen leven, of zelfs op Hem aangewezen zouden zijn om te kunnen leven.
Mondigheid is voor hen: je eigen boontjes doppen en zelf uitzoeken wat goed en kwaad is. In de tweede plaats hebben zij er moeite mee zich door andere mensen te laten gezeggen. Het gezag in onze samenleving scoort laag. Mensen bepalen graag zelf wat ze doen en laten. Dat strekt zich ook uit tot de vorming van kennis. Mensen nemen niet graag meer iets aan van een ander. Ze gaan liever op hun eigen intuïtie af, op hun eigen ervaring, op hun eigen gevoel.
Dat wordt nog versterkt doordat ze door radio en TV worden aangemoedigd om over van alles en nog wat hun opinie te geven.
Hoe ingewikkeld de vraagstukken ook zijn: iedereen kan een microfoon onder zijn neus geduwd krijgen en mag zijn zegje doen. Naar ingewijd zijn in de materie of bevoegdheid tot oordelen wordt niet gevraagd. En zo lijkt mondigheid vooral te betekenen: dat je een grote mond hebt.

Je grenzen kennen
Wel, als zulke mondigheid ook voor kerk en geloof bepalend wordt, dan zijn we nog niet jarig.
Christelijk gesproken is het immers wezenlijk dat je je grenzen kent. Dat geldt in de eerste plaats de verhouding tot God.
Waar een mens leeft in de vreze des HEREN, durft hij het stuur uit handen te geven en onderwerpt hij zich in vertrouwen op Christus aan het oordeel van God. Maar het kennen van je grenzen heeft ook betrekking op de verhouding tot andere mensen.
Wezenlijk voor ons mens-zijn is ook, dat we op medemensen zijn aangewezen.
Een mens kan niet alles zelf. Een mens weet ook niet alles zelf. "Het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig." (I Corinthiërs 12:21) Dat betekent dat het soms heel goed is om je eigen oordeel op te schorten en bij een ander in de leer te gaan. Het is ook onontkoombaar om dingen aan te nemen van anderen die je zelf niet kunt controleren. De opstanding van Christus bijvoorbeeld: uiteindelijk vallen we voor wat betreft ons geloof daarin terug op het getuigenis van de apostelen. Ik geloof het - op hun gezag!
En de mondigheid dan?
Die schuilt daarin, dat een mens zelf, uit innerlijke overtuiging, tot erkenning van zijn grenzen komt.
Wijlen prof. dr. F.O. van Gennep zegt het in zijn befaamde boek De terugkeer van de verloren Vader zo:
'Het zou wel eens tot de kenmerken van mondigheid kunnen behoren, dat men zijn eigen grenzen kent, dat men aanvaardt, dat men zonder de wijsheid en de ervaring van anderen eigenlijk niet zelfstandig kan leven.’ (443)

Mondige bescheidenheid, daar gaat het dus om.
Mondig in de zin van: vrijwillig, in liefde, zelf gekozen.
Die mondigheid is een werk van de Geest.
Hij wil ons brengen tot vreze des HEREN zonder angst, tot ontzag voor God zonder slaafsheid, tot respect voor het gezag zonder blinde volgzaamheid, tot eerbied voor het bijbelwoord zonder wettische letterknechterij.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief