Da capo, da capo

2000-04-14
  • Jaargang 44
  • nummer 8
Redeloos en radeloos.
Onder dit opschrift schreef Ds L.H. Kwast, emeritus predikant van de Gereformeerde Kerken, wonend in Leeuwarden, een imponerend artikel in "Sta Vast, onafhankelijk opinieblad van de stichtingen voor vrijheid en veiligheid ". Hij schenkt daarin uitvoerig aandacht aan de stille tochten in Amsterdam, in Leeuwarden, in Gorinchem, in Zwaagwesteinde en in Vlaardingen waarbij het telkens ging om de dood van jonge mensenkinderen.

Steeds weer klonk de kreet: ‘Het kan niet en het mag niet!’ Maar de vraag blijft klemmen hoe je dit symptoom bestrijdt. In dit verband gaat de schrijver nader in op de culturele revolutie, die zich in de jaren zestig van de twintigste eeuw voltrok en trekt dan een parallel met het verleden. Hij merkt dan vervolgens in een breed betoog onder het kopje: Onze ouders waren niet gek, het volgende op: ‘ De schrijver van deze bijdrage genoot een ouderwetse opvoeding. Zijn ouders woonden in een bovenhuis aan de stadsrand van Utrecht. Als hij van school thuiskwam en met een loper de voordeur opende, was het eerste dat hij van boven te horen kreeg: ‘Voeten vegen!’. Dat was een onderdeel van de bekende rituelen van toen zoals met twee woorden spreken, handen wassen na een bezoek aan nummer honderd, vader en moeder met u aanspreken, geen brutale mond opzetten, in volle tram, trein en bus je zitplaats aan een oudere afstaan en niet met slechte vriendjes meelopen. Op het schoolplein werd wel eens een ruzie uitgevochten. Als Piet en Klaas met elkaar op de vuist gingen, mochten wederzijdse bondgenoten niet te hulp schieten.
Er was een ongeschreven wet: Twee tegen een is gemeen. Wie uit school kwam en zich beklaagde over een door juffrouw of meester opgelegde sanctie, kreeg meteen de vraag voorgelegd: ‘Wat had jij dan uitgespookt’"
Verjaardagen en Sinterklaas werden sober gevierd, getuige wijlen Godfried Bomans: ‘Nee maar, een onderbroek'"
Het was wel een beetje Spartaans, maar daarvoor waren het ook Spartaanse tijden. Wie in die jaren gezegd zou hebben: ’Ik wil van mijn kinderen genieten’", kreeg met onbegrip te maken.
Kinderen waren geen sociaal, esthetisch of psychologisch consumptieartikel.
Ze waren er om je aan hun toekomst te wijden en je best ervoor te doen dat ze maatschappelijk de bal een beetje verder zouden trappen dan waartoe je zelf in staat was geweest. Daarom hadden de ouders voor hun kinderen veel over.
Desnoods lagen ze krom voor hun ideaal. Moeders droegen hun wintermantels jaren en jaren. Vaders vonden sigaren van zes cent een verwerpelijke luxe. Waren de ouders van die tijd nogal bekrompen?
Wel een klein beetje, zeggen wij zeventig jaar later, maar gek waren ze niet! Zij hielden hun kinderen kort. Dat was geen tirannie maar opvoedkundige ervaring.
’De ware vrijheid luistert naar de wetten’. Dat woord van dichter Perk uit de negentiende eeuw was hun uit het hart gegrepen. En je moest je als ouder de ogen uit het hoofd schamen als je kinderen iemand anders tot last waren’. Hoe voed je je kinderen op? Dat blijft een actuele vraag. Daarbij is sprake van een grote verscheidenheid. Dat houdt niemand tegen.
Daar gaat het ook niet om. Maar wel is beslissend door welke principes de ouders zich laten leiden.
Juist het gezin kan een bijdrage leveren tot verzet tegen en indamming van geweld en een toenemende agressieve houding.
Hoe ga je in die kring met elkaar om?
Hebben de ouders nog tijd voor hun kinderen? Is er nog het luisterend oor jegens hen wanneer zij laat thuiskomen en gekweld worden door problemen? Komt de Bijbel nog aan het woord?
Of is men gezonken tot het peil van een kleurloos humanisme? Waarom wil men de Here dienen en wat is de zin van de zondagse kerkgang? Wat gebeurt er als de kinderen op zaterdagavond het ouderlijk huis verlaten? In welk uitgaansleven zoeken zij hun vertier?
Hebben die beste ouders er enige weet van wat zich in bepaalde circuits afspeelt? Het baart grote zorg, dat veel ouders de grip op hun kroost verliezen.
Laat men bij het Spreukenboek te rade gaan. Daar leert Gods Geest ons in Zijn Woord hoe wij de kinderen moeten begeleiden op weg naar het volle leven.
Collega Kwast schrijft in het geciteerde artikel bijna aan het slot: ‘Het is een publiek verzuim dat nog te weinig aandacht wordt gegeven aan het station van vertrek van een mensenleven. Daar vallen de eerste beslissingen, daar worden de eerste wissels gesteld, daar wordt de eerste geestelijke proviand uitgedeeld’.
Als dit verzuim niet wordt hersteld valt er alleen maar een da capo, een herhaling van de gesignaleerde vreselijke gebeurtenissen te vrezen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief