De Paus in Jeruzalem

2000-04-28
  • Jaargang 44
  • nummer 9
Toespraak van Paus Johannes Paulus II bij zijn bezoek aan Jeruzalem in de Herdenkingstombe Yad Vasherm op 23 maart 2000

In ons hart wellen de woorden op van de oude Psalm: 'Ik ben geworden als gebroken vaatwerk.
Want ik hoor het gemompel van velen - schrik van rondom! - , terwijl zij met elkander tegen mij beraadslagen, plannen smeden om mij het leven te benemen. Maar ik vertrouw op U, HERE, ik zeg: Gij zijt mijn God' (Psalm 31 : 13 - 15).

Op deze plaats der herinnering hebben geest, hart en ziel buitengewoon veel behoefte aan stilte. Stilte om te kunnen gedenken.
Stilte ook om te trachten een zin te verbinden aan de herinneringen die bovenkomen. Stilte omdat geen woorden sterk genoeg zijn om de verschrikkelijke tragedie van de Shoa (het Hebreeuwse woord voor wat ook wel met het woord holocaust wordt uitgedrukt, hdj) te bewenen.

Persoonlijk heb ik mijn herinneringen aan alles wat gebeurde toen de Nazi's, gedurende de oorlog, Polen bezet hielden.
Ik denk aan mijn Joodse vrienden en buren, van wie sommigen zijn omgekomen en anderen het hebben overleefd. Ik ben naar Yad Vashem gekomen om eer te bewijzen aan de miljoenen van het Joodse volk die, van alles, en in het bijzonder van hun menselijke waardigheid beroofd, in de holocaust werden vermoord.
Meer dan een halve eeuw is het geleden, maar de herinneringen blijven.

Hier, zoals in Auschwitz en op nog zoveel andere plaatsen in Europa, worden wij opgeschrikt door de echo van de hartverscheurende klacht van zovelen. Mannen, vrouwen en kinderen schreeuwen ons toe vanuit de diepte der verschrikking die hun overkwam.
Hoe zouden wij aan hun geschrei voorbij kunnen horen? Niemand kan vergeten of ontkennen wat is gebeurd.
Niemand ook kan van de omvang ervan iets afdoen.

Wij wensen te gedenken.
Maar dan wel met een doel, te weten: er zekerheid over te bekomen dat nooit meer het kwaad de overhand zal krijgen, zoals dat het geval was voor de miljoenen onschuldige slachtoffers van het Naziregime.

Hoe kon de mens toch zo'n diepe verachting voor mensen hebben?
Omdat het zover met hem was gekomen dat hij verachting had voor God.
Alleen een goddeloze ideologie kon de uitroeiing van een heel volk beramen en uitvoeren.

De eer die de staat Israël in Yad Vashem gegeven heeft en geeft aan de 'rechtvaardigen uit de volken', uit waardering voor hun heldhaftig optreden, soms voor de prijs van hun eigen leven, tot redding van Joden, is een erkentenis dat zelfs in het donkerste uur niet elk licht wordt gedoofd. Het is daarom dat de Psalmen, en trouwens de Bijbel als geheel, hoezeer zich ook bewust van het menselijk vermogen tot kwaad doen, ook verkondigt dat het kwaad niet het laatste woord heeft.

Uit de diepten van pijn en smart schreeuwt het hart van de gelovige het uit: 'Ik vertrouw op U, HERE; ik zeg: Gij zijt mijn God' (Psalm 31 : 14).

Joden en Christenen hebben samen deel aan een onmetelijke geestelijke erfenis, die voortvloeit uit Gods zelfopenbaring.

Onze leer als mede onze geestelijke ervaring vragen van ons dat wij het kwade door het goede zullen overwinnen. Wij gedenken, maar zonder enig verlangen naar wraak noch ook als een aanzet tot haat.
Gedenken betekent voor ons: bidden om vrede en gerechtigheid en ons daartoe verplichten.
Alleen een wereld in vrede, met gerechtigheid voor allen, kan maken dat herhaling van de fouten en de verschrikkelijke misdaden van het verleden voorkomen wordt.

Als bisschop van Rome en opvolger van de Apostel Petrus verzeker ik het Joodse volk dat de Katholieke Kerk, aangespoord door de evangelische wet van waarheid en liefde, en zonder enig politiek bijoogmerk, diep bedroefd is vanwege de haat, de daden van vervolging en de blijken van anti-Semitisme, zoals die door Christenen tegen Joden, wanneer dan ook en waar dan ook, zijn en worden gericht.

De Kerk verwerpt racisme in elke vorm als een ontkenning van het beeld van de Schepper dat in ieder mens gelegd is.

Op deze plaats van plechtig herdenken bid ik vurig dat onze smart om de tragedie die het Joodse volk in de twintigste eeuw geleden heeft, mag leiden tot een nieuwe verstandhouding tussen Christenen en Joden. Laat ons een nieuwe toekomst bouwen waarin geen anti-Joodse gevoelens onder Christenen en geen anti-Christelijke gevoelens onder Joden meer zullen bestaan, maar dat in plaats daarvan er veeleer een wederzijds respect zal komen, zoals verwacht mag worden van diegenen die de ene Schepper en Heer aanbidden en opzien tot Abraham als onze gezamenlijke vader in het geloof.

De wereld moet acht slaan op de waarschuwing die tot ons komt van de slachtoffers van de Holocaust en van het getuigenis dergenen die haar hebben overleefd.
Hier in Yad Vashem leeft de herinnering voort en laat een brandmerk achter op onze ziel. Zij maakt dat wij het uitschreeuwen: 'Ik hoor het gemompel van velen - schrik van rondom! - , maar ik vetrouw op U, o HERE; ik zeg: Gij zijt mijn God' (Psalm 31 : 13 - 15).

Naschrift
Een bevriende mogendheid plukte voor mij de integrale tekst van 's pausen toespraak in Yad Vashem van het internet en ik dacht er goed aan te doen hem voor de lezers van ons blad uit het Engels te vertalen. Voor sommigen wellicht overbodig, maar voor anderen interessant. Wij hebben geen paus. En zeker als Nederlands Gereformeerden zijn wij niet van zins er een aan te schaffen.
Toch hebben wij te maken met de werkelijkheid dat de wereld de paus ziet als woordvoerder van de christenheid. Bij genoeg gelegenheden heb ik de neiging dat te bestrijden en luidop te zeggen dat ik me in zijn stem niet vertegenwoordigd voel. Deze keer heb ik die neiging niet. We kunnen er blij om zijn dat vanaf deze plaats dit geluid ten gehore is gebracht. Op zo'n waardige en betrokken wijze. Waarom zouden wij bij een gelegenheid als deze niet alle verschillen die we met de RK hebben even terzijde stellen en royaal verklaren dat de paus ditmaal ook namens ons gesproken heeft? En ja, wat mij bij deze paus ook zo aanspreekt is dat hij zulke dingen weet te zeggen zonder de eigen identiteit als Christen aan te tasten. Zoveel Christenen zie je vandaag voor de Joden door het stof kruipen en bekladders van het eigen geloof worden. Dat eigen geloof zou er de oorzaak van zijn dat Christenen zich tegenover Joden hebben misdragen.
Hier wordt tenminste duidelijk gezegd dat de Kerk iedere vorm van racisme bestrijdt, waaruit volgt dat de Christen die zich aan dat racisme, dus ook in de vorm van het antisemitisme, overgeeft rechtdraads ingaat tegen wat de Kerk belijdt. Hoewel de hoop op een betere verstandhouding tussen Joden en Christenen waarvan de paus getuigt utopistisch lijkt, geloof ik toch dat we haar moeten bijvallen. Het moet mogelijk zijn en op z'n minst moeten we daar ons best voor doen dat Kerk en Synagoge hun zeer diepe verschil in een sfeer van wederzijds respect beleven en bespreken.
Het verlies aan macht dat de Kerk in deze eeuw van secularisatie ondergaan heeft kan daaraan meewerken.
Want waar macht en godsdienst (onverschillig welke macht en onverschillig welke godsdienst!) samengaan, daar gebeuren gekke dingen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief