Gedenken moet, gedenken is plicht

2000-04-28
  • Jaargang 44
  • nummer 9
Gedenken moet, gedenken is plicht. Deze uitdrukking is van de inmiddels overleden legerpredikant Lt. Kolonel ds. J.J. Poort.
‘Waarom moeten we gedenken, om de doden in ieder geval, zij willen het.
Je maakt je schuldig als je het niet doet, even schuldig als hun moordenaars’, aldus ds. Poort. Er was geen recht en recht moet er zijn, als positieve pijler om land en volk in vrede te dragen.

Geen recht
Er was geen recht. Wie een kromme neus had en ravenzwarte haren, wie tot het volk der Joden behoorde, was rijp voor de gaskamer. Dat staat in geen enkel wetboek.
Maar ‘t gebeurde aan 6 miljoen Joden, waarvan 1 _ miljoen kinderen. Want er was geen recht. Prof. Schilder had dit ook duidelijk gezien. Ook in de kerk moet het recht, namelijk het recht des Heren stipt worden geëerbiedigd.
Hij heeft er op een markante en indringende wijze tegen gewaarschuwd. In dit verband begint hij te vertellen van het verhaal over een voorval in een krijgsgevangenkamp.
Hij had dat verhaal gelezen in het boek van kolonel ds. A.F. de Kluis: de pastorie van Mühlberg.

Krijgsgevangenen
In het boek van Prof. Veenhof: ‘Om kerk te blijven’ staat het volgende: in dat kamp waren eens krijgsgevangenen (Engelse) met een balspel bezig. Op een gegeven ogenblik rolde de bal een eindje onder een draad door die enkele meters vóór de prikkeldraadversperring was gespannen en die ‘de grensdraad’ voor de gevangenen vormde. Zonder zich te bedenken stapte een krijgsgevangene even over het draad om de weggerolde bal te pakken.
Maar op hetzelfde ogenblik greep een Duitse soldaat, die al een tijd lang vanaf de uitkijktoren naar het spel had gekeken, zijn geweer, richtte het en schoot die Engelse soldaat neer. Dat was pure moord. Van een ontsnappingspoging was geen sprake. En toch schieten. Direct! Formeel had die Duitse soldaat gelijk. Die draad was de grensdraad. Maar zijn haat joeg de vijand de kogel in het lijf. Een poos later werd de Duitse soldaat afgelost en ging met een gezicht van ‘dat heb ik hem nou gelapt’, op de bank voor het wachtlokaal zitten. Toen gebeurde er iets aangrijpends! Er kwam een geschuifel van voeten in de kampstraat.
Honderden Engelse soldaten bewogen zich naar het hek, dat het kamp van het wachtlokaal scheidde.
Voor het hek bleven ze staan. Niemand sprak een woord. Ze stonden daar alleen. En ze keken. Strak en ernstig. Ze keken allen alléén naar die ene man die in koelen bloede een onschuldige kameraad had vermoord.

Harder
De man op de bank lachte.
Al harder en krampachtiger.
En de massa van stomme kijkers groeide.
Totdat de Duitser met een lach die niets menselijks meer had, opstond en naar binnen ging. Daarna verspreidde de menigte krijgsgevangenen zich weer, zwijgend. Er was een woordeloos vonnis geveld. Hier was de macht der machtelozen openbaar geworden.
Tijdens de herdenking van 50 jaar bevrijding schreef ik een artikel in het jeugdblad ‘Verkenning’. Ik haalde daar de persoonlijke herinnering op aan de bevrijding van mijn geboortestad Enschede. Ik schreef daar o.a.: ‘Enschede werd op zondag 1 april 1945 (1e Paasdag) bevrijd door Britse en Canadese troepen.
Het oord der verschrikking, Bergen-Belsen, werd op 15 april 1945, eveneens door Britse en Canadese troepen bevrijd.
Je realiseert je dan achteraf, dat in een tijdsbestek van 14 dagen het bevrijdingsleger van Montgommery door het Duitse laagland marcheerde zonder op noemenswaardige tegenstand te stuiten. De bevrijding die zo lang op zich liet wachten, liep als een stoomwals door de bezette en vijandelijke gebieden heen. De afstand Enschede Bergen-Belsen is ruim 300 km, de
opmars van dit bevrijdingsleger was niet meer te stuiten.’

Verschrikking
Tijdens onze COGMA-reizen naar o.a. Hohne en Seedorf passeerden we meestal Bergen-Belsen.
Vele malen heb ik predikanten en andere medereizigers mogen vergezellen naar dit oord der verschrikking.
Op de gedenksteen in het voormalig concentratiekamp staat in vele talen o.a. te lezen: ‘Nie wieder’, "Plus Jamais", "Never again", "Nooit meer". Maar wat hebben we er van geleerd? ‘Dit Bergen-Belsen en dit monument zijn het symbool voor een noodlottige fase van de geschiedenis. Het staat er voor de zonen en dochters van andere naties.
Het staat er voor de Duitse buitenlandse Joden. Het staat er ook voor het Duitse volk en niet alleen voor de Duitsers die ook in deze grond begraven werden’.
Met deze woorden herdacht de eerste president van de Bondsrepubliek Duitsland, Theodor Heuss, in 1952 de slachtoffers van het concentratiekamp Bergen-Belsen. Waar prikkeldraad en barakken niet meer zwijgend en indrukwekkend kunnen getuigen van de gruwelijke gebeurtenissen herinnert het herinneringscentrum aan hen, die hier onder de heerschappij van het nationaal socialisme onschuldig moesten lijden en in onvoorstelbare aantallen om het leven kwamen.
De lessen Ds. Poort heeft het gedenken in een van zijn laatste gedachten als volgt samengevat: ik heb eens een joodse hoogleraar bitter horen zeggen, ik geloof niet meer in de uitdrukking ‘de lessen van de geschiedenis’. Waarin dan wel? Als de lessen van de geschiedenis, de Bijbelse geschiedenis en de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet meer functioneren op onze scholen? Dan resteert slechts ‘door schade en schande wijs worden’.
Niet dus door het woord dat de geschiedenis spreekt, gebiedend en preventief, maar door eigen schade en schande die een mens voorkomen kan.
Zijn we nu blijvend dankbaar, of neigen we steeds meer naar vraag: hoe lang moet dat nog doorgaan, dat gedenken en hoe vaak? Wanneer is de dankbaarheid voorbij?
Wanneer wordt gedenken, danken dus, afgeschaft?
God geef ons kracht als wij in wanhoop klagen, in onbegrepen leed van donk’re dagen.
Geef ons dan kracht om vol te houden, ook al zou rondom ons alles wankelen, God geef ons trouw!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief