De huurling wordt herder

2000-05-12
  • Jaargang 44
  • nummer 10
Petrus werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot hem zei: Hebt gij mij lief?
En hij zei tot Hem: Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zei tot hem: Weid mijn schapen.
Johannes 21:17

Dat Petrus juist bij Jezus' derde vraag bedroefd werd, is goed te begrijpen.
Niet alleen leek de Meester met die vraag zelfs zijn simpele genegenheid voor Hem in twijfel te trekken, maar ook herinnerde het drievoud hem aan zijn drievoudige verloochening van Jezus.
Maar juist tegen de achtergrond van die verloochening moet het voor hem veel hebben betekend, dat Jezus hem met een eveneens drievoudige opdracht als herder in dienst nam. Toen Jezus kort voor zijn gevangenneming over zijn heengaan sprak, vroeg Petrus: "Here, waar gaat U heen?" Toen antwoordde Jezus: "Waar Ik heen ga, kun jij Mij nu niet volgen, maar je zult later volgen."
"Waarom niet?" vroeg Petrus toen, "Ik zal mijn leven voor U inzetten!"
Waarop Jezus zei: "Jij je leven voor Mij inzetten?
Je zult Me verloochenen!"

Inzetten
"Ik zal mijn leven voor U inzetten", zei Petrus.
Dezelfde uitdrukking gebruikte Jezus even later ook: "Niemand heeft grotere liefde dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden."
Je leven voor iemand inzetten, zei Jezus, is een blijk van volmaakte liefde. Petrus had dus beweerd volmaakte liefde voor Jezus te hebben.
Daaraan herinnerde Jezus hem door te vragen: "Heb je Mij lief?"
Maar de eerste keer vroeg Hij niet slechts: "Heb je Mij lief?", Hij voegde eraan toe: "meer dan dezen". Petrus had immers ook nog gezegd: "Ook al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik niet." Daarmee had hij zich boven zijn medediscipelen verheven: die zouden Jezus misschien in de steek laten, maar hij niet, want hij had Hem lief, meer dan wie ook.
Nu vroeg de opgestane Jezus hem, of hij dat nu nog durfde te zeggen. En Petrus bleek dat niet te durven. Zelfs het hoge woord liefhebben durfde hij niet in de mond te nemen: hij verving het door: houden van. En dat houden van durfde hij ook niet zomaar aan zichzelf toe te schrijven. Door schade en schande had hij geleerd, hoe je je als mens in jezelf kunt vergissen.
Daarom antwoordde hij: "Ja Here, U weet, dat ik van U houd."

Afgedaald
Bij de tweede vraag daalde de Here een trede af door nog wel het hoge woord liefhebben te gebruiken, maar nu zonder meer dan dezen. Voor Petrus was Hij daarmee echter nog niet ver genoeg afgedaald; die herhaalde zijn eerste antwoord: "Ja Here, U weet, dat ik van U houd."
Bij de derde keer nam ook Jezus het woord liefhebben niet meer in de mond. Zich aansluitend bij de woordkeus van zijn discipel vroeg Hij: "Simon, zoon van Johannes, hou je van Me?"
Petrus had zichzelf op het voetstuk geplaatst van iemand die Jezus meer liefhad met zichzelf opofferende liefde dan wie ook. Toen had Jezus hem gewaarschuwd: Pas op, Petrus, dat kun je niet waarmaken. En inderdaad, juist die hoge dunk van zichzelf had Petrus ertoe gebracht zich in het hol van de leeuw te wagen, terwijl zijn Meester juist voor hem en zijn medediscipelen vrije aftocht had bedongen. En daar, waar hij niet had hoeven zijn, had hij toen zijn Meester verloochend.
De zelfopofferende liefde waar hij prat op ging, bleek hij niet in huis te hebben, toen hem gevraagd werd ermee voor de dag te komen. En nu hoorde hij Jezus vragen, of hij wel gewone genegenheid voor Hem koesterde, alsof zelfs dat niet zeker was!
Zo bracht de Here Petrus ertoe aan zichzelf te vertwijfelen.
Met het doel dat hij zijn vastigheid zou zoeken in Hem.

U weet alles
Dat deed Petrus dan ook.
Op Jezus' derde vraag horen we hem antwoorden: "Here, U weet alles, U weet, dat ik van U houd."
"U weet alles", daarmee bedoelde Petrus: Mijn hart veroordeelt mij, maar U bent meerder dan mijn hart en hebt kennis van alle dingen. Niet mijn zelfbeeld, maar hoe U mij ziet, is doorslaggevend.
En hoe zag Jezus Petrus?
Dat blijkt uit de opdrachten die Hij hem gaf: "Weid mijn lammeren", "Hoed mijn schapen", "Weid mijn schapen".
Jezus vertrouwde Petrus zijn lammeren en schapen toe. Kennelijk zag Hij iets in hem. Wat zag Hij in hem? Liefde, echte liefde.
Echte, zichzelf zo nodig opofferende liefde is namelijk het kenmerk van een goede herder. "De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen", heeft Jezus zelf gezegd. Daartegenover stelde Hij toen de huurling.
"Wie huurling is en geen herder", zei Hij, "die laat, als hij de wolf ziet aankomen, de schapen in de steek en vlucht." Dat had Petrus gedaan in het paleis van de hogepriester.
Toen had hij zichzelf op het voetstuk van de goede herder geplaatst: hij zou zijn leven voor Jezus inzetten; maar toen het erop aankwam, had hij als een huurling de benen genomen. Maar nu bleek de Goede Herder, Jezus, in hem toch een goede herder te zien, want Hij vertrouwde hem zijn kudde toe!

Goede herder
Maar hoe kon hij, die zich pas nog een echte huurling had betoond, nu opeens een goede herder zijn? Vergiste Jezus zich niet? Jezus Christus, Gods Zoon, vergist zich nooit.
Wel kan het zijn, dat wat Hij zegt, nog geen zichtbare werkelijkheid is, maar dan zorgt Hij er zelf voor, dat het dat wordt.
Dat zien we aan Petrus: die heeft later meermalen voor Christus' kudde gevangenschap en stokslagen getrotseerd en tenslotte zelfs zijn leven ervoor gegeven. Dat was te danken aan het feit dat de Goede Herder, Jezus Christus, hem zijn Geest en daarmee echte herdersliefde in het hart gegeven had.
Laten wij dus ook, net als Petrus, Hem aan het woord laten over ons.
Want zijn woorden zijn woorden van eeuwig leven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief