Ongelijk verdeeld

2000-05-26
  • Jaargang 44
  • nummer 11
Het is in deze wereld ongelijk verdeeld, ook onder de kinderen van God. De een wordt al op jonge leeftijd gesloopt door een pijnlijke en ontluisterende ziekte, terwijl de ander na een lang leven rustig en kalm ontslaapt; bij de een loopt de carrière op rolletjes, terwijl het de ander steeds weer bij de handen afbreekt, enzovoorts.

Ook als het gaat om het lijden omwille van het geloof, is het zeer ongelijk verdeeld. Wij kunnen rustig als gemeente samenkomen en ook naar buiten toe voor ons geloof uitkomen, terwijl in landen als China of Sudan veel christenen dat met gevangenschap of zelfs met de dood moeten bekopen.

Ongelijk
Wat dat betreft was het bij de apostelen ook al ongelijk verdeeld. Jacobus werd al op vrij jonge leeftijd om zijn geloof onthoofd, terwijl zijn broer Johannes, volgens de overlevering althans, op hoge leeftijd in bed gestorven is. Petrus is niet jong gestorven, maar wel aan het kruis.
Waarom behandelt de Here de zijnen zo ongelijk?
Dat Johannes de gemeente zo lang mocht dienen en dat hem een marteldood bespaard bleef, kwam dat doordat hij bij de Meester een streepje voor had - hij was immers de discipel dien Jezus liefhad - en mogen wij daarom, wanneer de Here ons een lang en vruchtbaar leven geeft, daaruit ook de conclusie trekken dat Hij ons meer dan anderen liefheeft? Of is het juist andersom en moeten wij mensen als Jacobus en Petrus benijden, die hun verbondenheid met Christus met hun bloed mochten bezegelen?
Als we deze vraag aan de Here Jezus zelf zouden stellen, zou Hij ons vast en zeker verwijzen naar het antwoord dat Hij eens aan Petrus gaf, toen die Hem over hetzelfde wilde ondervragen.
Toen Petrus, die zich kort daarvoor als een huurling gedragen had, door de opgestane Here opnieuw tot herder was aangesteld, kreeg hij meteen daarop van diezelfde Here te horen, dat hij als een goede herder ook eens voor de kudde zijn leven zou geven.
Jezus gaf hem te kennen, met welke dood hij God zou verheerlijken, dat hij de marteldood zou sterven.
En daarna zei Hij: ‘Volg Mij’, om aan te geven, dat wat Hij aangekondigd had, niet als een onontkoombaar noodlot over Petrus zou komen, maar zou voortvloeien uit een bewust volgen van Hem.

Marteldood
Petrus begreep dat, dat hij, als hij zou doen wat Jezus zei, de marteldood tegemoet zou gaan, maar hij deed het toch, want hij had Hem lief. Hij richtte zijn ogen op Jezus om Hem te volgen. Maar daarbij kon hij het toch niet laten nog eens om zich heen te kijken. En toen zag hij, dat hij niet de enige was die Jezus volgde: de discipel dien Jezus liefhad, deed het ook. Op zich is het een goede zaak om, als je de Here Jezus volgt, ook te letten op degenen die dat met jou doen. Dat vraagt de Here van ons en dat vroeg Hij zeker ook van Petrus, tegen wie Hij immers zojuist nog gezegd had: "Hoed mijn schapen". Maar ditmaal werkte het (letterlijk!) omzien naar een medevolgeling bij Petrus verkeerd uit. Hij vroeg aan Jezus: "Here, maar wat zal met hem gebeuren?" En dat niet uit liefdevolle belangstelling voor het wel en wee van een broeder.
Jezus antwoordde namelijk: "Als Ik wil, dat hij blijft leven totdat Ik kom, wat gaat jou dat aan? Volg jij Mij." Achter Petrus' vraag zat kennelijk de gedachte: ‘Mij wacht dus een pijnlijk levenseinde, maar zou de Here hetzelfde met Johannes voor hebben? Vast niet, want Johannes is zijn lievelingsdiscipel, hem wil Hij vast en zeker zo'n lot besparen.
Misschien hoeft Johannes wel helemaal niet te sterven maar laat de Here hem leven totdat Hij weerkomt. Maar dan is het wel ongelijk verdeeld: waarom hij wel en ik niet?’

Volg Mij
Het was inderdaad ongelijk verdeeld, al heeft Johannes niet echt het genoegen mogen smaken de Here nog tijdens zijn leven te zien komen.
Maar Jezus gaf Petrus ten antwoord: ‘Wat gaat jou dat aan? volg jij Mij.’ Over hoe het Johannes zou vergaan, kreeg Petrus geen enkele informatie, laat staan uitleg omtrent het waarom. Jezus zei niet: "Johannes is mijn lievelingsdiscipel, Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen hem zwaar te laten lijden; Ik geeft het hem, mijn beminde, in de slaap." Hij zei ook niet: "Jij, Petrus, moet je juist bevoorrecht voelen boven Johannes, want Ik doe jou, en niet Johannes, de eer aan voor Mij te mogen sterven." Hij zei enkel: "Wat Ik voor jouw medediscipel heb weggelegd, gaat jou niet aan. Jij moet gewoon Mij volgen zonder je af te vragen of de weg waarlangs Ik je leid, makkelijker of moeilijker is dan die waarlangs Ik anderen leid. Het gaat erom, waar de weg naartoe leidt, en dat is voor ieder die Mij volgt, de eeuwige heerlijkheid, ook voor jou. ’Wat gaat jou dit aan? Volg jij Mij’ Dat zegt de Here ook tegen ons, als wij Hem vragen, waarom Hij degenen die Hem volgen zo ongelijk behandelt.

Minder
Als je zelf voortdurend tegenslagen te verwerken krijgt en je ziet om je heen allemaal gelovigen op wie Psalm 1:3 van toepassing lijkt: Al wat hij onderneemt, gelukt, dan kun je je wel eens afvragen: Houdt de Here soms minder van mij dan van hen? Aan de andere kant, als je in Hebreeën 12:8 leest: Blijft gij vrij van tuchtiging, dan zijt gij bastaards en geen zonen, dan kun je je wel eens afvragen: Zijn wij, Nederlandse christenen wel zonen, kinderen van God, dat we nu al zo lang godsdienstvrijheid en welvaart genieten, terwijl zoveel christenen verdrukt en vervolgd worden?
Dan antwoordt de Here: Maak je daar niet druk om, volg Mij maar gewoon. Als je leed te dragen krijgt, geef Ik je daarmee gelegenheid om, door te verdragen, te laten zien dat je geloof en hoop hebt; als je vrijheid en welvaart geniet, geef Ik je daarmee gelegenheid om, door anderen te helpen, te laten zien dat je liefde hebt. Zo laat Ik alles bijdragen ten goede voor wie Mij liefhebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief