Het heil van de techniek

2000-05-26
  • Jaargang 44
  • nummer 11
"Ik geloof in de mens" is een veel gehoord antwoord dat mensen geven op de vraag of ze 'ergens' in geloven. Eigenlijk bedoelen ze dan dat ze veel verwachten van het menselijk kunnen. Vooral het technisch kunnen van de mens blijkt dan bij verder doorvragen bedoeld te worden.

Om misverstanden te voorkomen: de mens is ook, met zijn techniek, tot veel dingen in staat. Een groot deel van onze welvaart hebben we mede te danken aan onze techniek.
Ook kunnen onze zorgen, nood en lijden toch in ieder geval voor een groot deel worden verzacht door de moderne techniek.

Ziekenhuis
Een fraai voorbeeld is de inrichting van een ziekenhuis.
Van de klimaatbeheersing tot aan de hartlongmachine, het is allemaal ontwikkeld dankzij onze wetenschappelijktechnische kennis en daarmee hebben we onze gezondheid vooral te danken aan het technologisch kunnen van de mens en, uiteindelijk, aan de mens zelf. Tegelijk maken we van onze gezondheid zélf soms ook een afgod.
Eindelijk hebben we het dan voor elkaar: in onze zorgen, noden en lijden zijn we niet meer afhankelijk van God, maar uitsluitend van onszelf. We zijn nu zelf God, want we creëren en beheersen zelf onze leefomstandigheden met onze technische vindingen.
Zoals de Duitse filosoof Oswald Spengler het eens kras uitdrukte: "De techniek is eeuwig en onvergankelijk als God de Vader, zij verlost de mensheid als de Zoon, zij verlicht ons als de Heilige Geest".
Ik geef toe dat het wat overdreven lijkt, maar het is toch een hoofdlijn die we in onze cultuur kunnen bespeuren. In het vervolg gaan we wat dieper in op de geestelijke achtergronden van de verwachting die we hebben van ons technisch kunnen.

Geloof als drijvende kracht
Zoals we in het artikel 'De ontwikkeling van de techniek' hebben kunnen lezen, maakt techniek deel uit van de cultuur waarin de mens leeft en werkt. Techniek als zodanig staat dan ook voortdurend in wisselwerking met een ander aspect van de cultuur, namelijk de samenleving, zoals ik dat twee weken geleden heb aangegeven. Maar wat is dan de drijvende kracht achter een cultuur en daarmee van de samenleving en de techniek? Voor de beantwoording van deze vraag is het goed om eerst een na te gaan wat nu precies het begrip 'cultuur' inhoudt.
Het begrip 'cultuur' is onder andere afkomstig van de Latijnse woorden 'colere' en 'cultus'. Colere betekent wonen, veredelen, bouwen of bebouwen; betekenissen waar ons woord 'maken' eigenlijk ook aan verwant is. Cultus daarentegen heeft meer een religieuze betekenis en betekent dan ook vereren, godsdienst ofwel het hart en de ziel van een cultuur.
Deze laatste betekenis heeft dan ook meer betrekking op het heersende geloof in een cultuur, welke inhoud dit geloof dan ook heeft en waarop dit geloof dan ook gericht mag zijn.
Hiermee is meteen de vraag beantwoord wat de drijvende kracht achter een cultuur is: het geloof.
Van wie? Van de cultuurvormers.
De cultuurvormers zijn diegenen die in een bepaalde tijd een positie bekleden waardoor zij de benodigde macht bezitten om de cultuur te manipuleren, te vormen. Waren dit vroeger meer de politieke machthebbers en weer later ook de intellectuele en economische elite van een land of beschaving, tegenwoordig kan dankzij de invloed van de moderne informatie- en communicatietechnieken (bijna) iedereen hieronder geschaard worden.
Samenvattend kunnen we dus stellen dat de cultuurontwikkeling, en daarmee ook de techniekontwikkeling, beheerst wordt door een religieus grondmotief.

Natuur en vrijheid
Sinds het begin van de zestiende eeuw wordt onze cultuur- en techniekontwikkeling in grote mate beïnvloed door het religieuze grondmotief van het humanisme en de Verlichting. Binnen deze stromingen speelt de tegenstelling tussen natuur en vrijheid, ook wel polen genoemd, een belangrijke rol. De pool vrijheid is het ideaal van de totale vrijheid van de menselijke persoonlijkheid.
De mens is alleen dan vrij wanneer hij zich los weet van iedere autoriteit buiten zichzelf en dient, als logisch gevolg hiervan, zijn lot in eigen hand te nemen. Dit wordt wel het humanistisch persoonlijkheidsideaal genoemd. De pool natuur is datgene dat door die totale vrijheid beheerst moet worden.
Kan de mens dit persoonlijkheidsideaal bereiken en handhaven in een natuur die vaak zo bedreigend kan zijn met haar nog vele onbekende en onbeheerste krachten? Ja, zo geloofde men, zeker in de toekomst, die men dan ook optimistisch tegemoet kan zien. Want door de ontdekking van de wetten van de mechanica konden bijvoorbeeld de banen van de hemellichamen berekend worden.
Men meende dat als dít al mogelijk was, het toch slechts een kwestie van tijd was voordat ook de andere wetten die de loop van de natuur bepalen, zijn gevonden.
Hiermee zijn we uitgekomen op het humanistisch wetenschapsideaal: het doorzichtig en berekenbaar maken van de natuur door middel van de natuurwetenschappelijke methode om te komen tot exacte resultaten.
Natuurlijk kon op geen enkele wijze bewezen worden dat dit in de toekomst bereikt zou worden.
Toch had men hierover volkomen zekerheid, ja, zelfs geloofszekerheid.
Maar dit geloof was niet gericht op de Schepper, maar op de natuurwetenschappen als product van het menselijke verstand en uiteindelijk op de mens zelf.

Oorzaak en gevolg
Het genoemde wetenschapsideaal berustte op een zeer belangrijke vooronderstelling, namelijk dat alle gebeurtenissen in het heelal gedetermineerd zijn, wat zeggen wil dat alles onderworpen is aan causale natuurwetten, die geen uitzondering toelaten. Dit wil zeggen dat alles ondergeschikt is aan de wet van oorzaak en gevolg. De vrije mens echter zal door zijn kennis deze wetten gebruiken en zo de natuur beheersen, zodat hij niet meer het slachtoffer kan worden van het noodlot. Ten opzichte van de natuur is hier dus sprake van een beheersingsmotief.
Hoe kan de natuur dan beheerst worden? Dankzij de natuurwetenschappelijke kennis met als instrument de techniek die zowel een middel is om te ontdekken als een middel om te ontginnen. De techniek is daarmee het middel bij uitstek om het laatste restje gebondenheid door de natuur, dat de totale vrijheid van de mens in de weg staat, weg te nemen. Hier komt dus de techniek als 'verlosser' en als 'heilbrenger' tevoorschijn!
Wegens het grote 'succes' van het beheersingsmotief in de natuurwetenschappen, begon dit motief ook steeds meer ingang te vinden bij de andere, nietnatuurwetenschappelijke, vakgebieden.
Hoewel het principe van de 'oorzaak en gevolg' meer en meer op de helling kwam te staan, onder meer door de opkomst van de kwantummechanica aan het einde van de negentiende eeuw, is het beheersingsmotief toch nog steeds het heersende motief gebleven.

Herstel van de harmonie
Wat is nu het catastrofale van het wat hiervoor beschreven is, in het licht van het Evangelie?
Allereerst het religieuze grondmotief met z'n beide polen natuur en vrijheid. Doordat de mens zich moest ontdoen van de banden met datgene wat onze zichtbare werkelijkheid overstijgt, uiteindelijk dus God, heeft de mens zijn vaste punt, zijn vertrouwen, zijn geloof, verlegd van God naar zichzelf. Dit veronderstelt wel dat de omstandigheden waarin de mens leeft, volledig door hem gekend en beheerst moeten worden om daarmee een basis voor een nieuw vertrouwen buiten God te kunnen opbouwen. Maar omdat de mens zelf ook deel uit maakt van de werkelijkheid en daardoor ook slachtoffer kan zijn van natuurlijke gebeurtenissen (lees: ziekte en dood), moet de mens zelf ook 'beheerst' worden.
Hiermee wordt de grote tegenstrijdigheid binnen de humanistische idealen zichtbaar: het door het wetenschapsideaal ingegeven beheersen van de mens leidt tot gebondenheid van die zelfde mens, wat strijdig is met het persoonlijkheidsideaal.
Leiden de genoemde humanistische idealen wel tot echte vrijheid? Anders gezegd, zijn natuur en vrijheid door het humanisme wel goed gedefinieerd?
Het Evangelie leert bijvoorbeeld iets heel anders over echte vrijheid.
Als tweede het ideaal van de totale vrijheid van de mens. Dit motief kan ons doen vergeten dat we, volgens psalm 8, weliswaar bijna goddelijk geschapen zijn maar toch ook slechts rentmeester en dat we hierdoor op z'n minst verantwoording verschuldigd zijn aan God de Schepper. Tezamen met de opvatting dat de mens zich vrij moet weten van iedere autoriteit buiten zichzelf en zich dus niets hoeft te laten gezeggen door dat wat God ons voorhoudt, is dit de basis van het wegvallen van een ethisch referentiekader zoals het Evangelie dit ook kan zijn voor ons cultureel en technisch handelen.
Het kan leiden tot een, om het eens met Nietzsche te zeggen, 'Umwertung aller Werte': een omkering van alle waarden.
Het catastrofale bestaat hieruit dat we ons eerst ontdaan hebben van wat God ons te zeggen heeft en vervolgens van God zelf onder het mom van herwonnen vrijheid.
Hiermee ontkent de mens uiteindelijk het vertrekpunt van het herstel van de harmonie in deze wereld, de basis van het herstel van de breuk tussen natuur en vrijheid: Jezus Christus.

Recht doen aan God
Met het terloops laten vallen van de erkenning dat Jezus Christus het begin is van een herstel van de verhoudingen, moeten we oppassen. Het kan immers erg goedkoop klinken, want al te vaak laten we het hierbij doordat we niet goed weten hoe we dit in de praktijk vorm moeten geven. De vertaalslag van het Evangelie naar de (weerbarstige) praktijk is en blijft een lastige opgave, juist ook waar het gaat om het zoeken van een richting voor de (ontwikkeling van) techniek.
Laten we toch een poging ondernemen en daarbij gebruik maken van de begrippen vrijheid in verantwoordelijkheid, dienen en liefde.
Hiermee bedoel ik dat we alles mogen doen in Gods schepping om zowel God als onze naaste in liefde te dienen, waarbij we tegelijkertijd weten dat al deze goede werken al voor ons gedaan zijn. Het eerste deel van de zin houdt in dat het ongelooflijk veel is dat we kunnen en mogen doen, het tweede deel van de zin betekent dat we vrij zijn van de last van het moeten.
De verantwoordelijkheid komt tot uiting in de liefde, immers, met de uitspraak dat de liefde de vervulling der wet is, omdat de liefde de naaste geen kwaad doet (Rom. 13:10), hebben we een ethisch toetsingskader van groot formaat in handen!
Voor ons technisch handelen betekent dit concreet dat we bijvoorbeeld op zoek gaan niet-vervuilende producten en processen, dat we productieprocessen toepassen die niet-geest-dodend zijn en dat we geen activiteiten ondernemen uitsluitend om veel geld te verdienen.
Kortom, ook onze techniek behoort recht te doen aan het unieke van de schepping omdat het daarmee recht doet aan God zelf!

Literatuur:
Over techniek: Marie-Louise ten Horn-van Nispen: 400.000 jaar maatschappij en techniek - Van vuursteencultuur naar informatiemaatschappij; Utrecht, 1996.
E. Schuurman: Filosofie van de technische wetenschappen; Leiden, 1990.

Over de verhouding techniek, wetenschap en geloof: A. van den Beukel: De dingen hebben hun geheim - Gedachten over natuurkunde, mens en God; Baarn, 1991.
J. Polkinghorne: Quarks, chaos en christendomVragen over wetenschap en religie (vert. uit het Engels: Quarks, Chaos and Christianity - Questions to science and religion); Baarn, 1996.
E. Schuurman: Geloven in wetenschap en techniekHoop voor de toekomst; Amsterdam, 1998.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief