Persschouw
2000-05-26
Vorig najaar vierde de Utrechtse hervormd-gereformeerde studentenvereniging Voetius haar honderdste Dies Natalis. Voor die gelegenheid was een gerenommeerd spreker uitgenodigd om de feestrede te houden, nl. dr. B. Plaisier, thans secretarisgeneraal van de Nederlands Hervormde Kerk, en ooit preses van Voetius. Zijn toespraak, met als titel ‘Dankbaarheid’, is in samengevatte vorm opgenomen in het aprilnummer van Kontekstueel.- Jaargang 44
- nummer 11
In een inleidend woord merkt de redactie goedkeurend op dat Plaisier er veel werk van had gemaakt. Alle reden dus om als goede buren mee te luisteren. Eén van de dingen die hij in zijn toespraak uitwerkt, is de nadruk op het Woord, zoals die kenmerkend is voor het Gereformeerd protestantisme. Daardoor is, aldus Plaisier, in de praktijk van het kerkelijk leven het aspect van de vreugdevolle dankbaarheid vaak op de achtergrond geraakt. Plaisier:
Het valt () op, hoezeer het gereformeerde leven bepaald wordt door het Woord en de leer, en hoeveel aandacht er in huis en kerk is voor de verwoording van het geloof.
De gereformeer-de vroomheid is bij uitstek een vroomheid waarin woorden en beschouwingen een grote rol spelen.
Het accent op het woord is bij het sacrament zo dominant, dat het vieringselement vaak geheel verloren ging.
Kenmerkend werd de voorlezing van een lang didactisch formulier bij het Heilig Avondmaal, waarin vooral de oproep tot zelfbeproeving de viering ging bepalen. Het gevolg was dat de Maaltijd des Heren niet in het teken van de vreugde, maar in het teken van de kennis van de waarheid, van het zichzelf onderzoeken en de heiligheid van het sacrament kwam te staan. Ook in de zondagse diensten staat niet de viering centraal, maar de preek en daarmee de 'godsdienstoefening'. Ten aanzien van de kerkdienst valt een opvallende inconsequentie op. We bespeuren namelijk in het gereformeerd protestantisme grote aandacht voor de ontwikkeling en gestaltevorming van het geloof in het bevindelijke en maatschappelijke leven. Wonderlijk genoeg is deze doorgaande gestaltevorming er niet ten aanzien van een vernieuwing van de liturgie en het belijden. Daar heeft men zich vastgelegd op wat er al is.
Het lijkt erop dat de gereformeerden bij de expressie van de dankbaarheid in de eredienst schrokken van de consequentie van hun eigen belijdenis, dat een christen in dankbaarheid mag reageren op wat God gezegd en gedaan heeft. Vanaf het begin bespeuren we een groot wantrouwen ten aanzien van de zuiverheid van de eigen verwoording van de dankbaarheid - bijvoorbeeld in het lied. Dit leidde wonderlijk genoeg tot een gebod om alleen psalmen te zingen. Het bijna exclusieve Nederlandse verschijnsel dat de gemeentezang moet aansluiten bij het bijbelwoord, leidde ertoe dat eeuwenlang het belijdende christocentrische en trinitarische lied niet klonk. Juist in de kring waarin zo opgegeven wordt van het werk van de Geest, worden de uitingen van de Geest beperkt tot berijmingen van de psalmen. De fixatie op eens gegeven antwoorden is kenmerkend geworden voor het gereformeerd protestantisme.
Daarbij kwam, dat hoe langer hoe meer de tijd der hervorming geromantiseerd werd. Steeds meer vatte de gedachte post, dat de Geest zich vooral bij de reformatoren en de oudvaders gemanifesteerd had. De eeuwen nadien werden nogal eens gezien als tijden van afglijding.
Daarom werd het wijs geacht om zich blijvend te fixeren op dat wat in de bloeitijd van de kerk beleden, gezegd en gedaan was. We zien dit bijvoorbeeld ten aanzien van de bijbelvertaling, de liturgische formulieren, maar ook voor het orgel, dat uiteindelijk het alleenrecht in de eredienst kreeg, vaak met uitsluiting van het koor. De openingen die Calvijn in de eredienst gegeven had, werden in de eeuwen daarna gedicht. Dit alles heeft aan het gereformeerd protestantisme in Nederland een stoereenigszins oudtestamentische - vorm gegeven. De schaduwzijde hiervan was echter dat de aansluiting bij de cultuur steeds minder lukte.() Het is van groot belang dat we in de theologie meer ernst maken met de categorie van de verwondering en dankbaarheid.
We worden dan bewaard voor een rationalisering van het christelijk geloof en de fixatie op de traditie en haar vormen. Eerst dienen we ons te verwonderen, vóór we ordenen en redeneren. Als we beseffen dat het diepste van ons leven is, dat het ons geschonken is en dat we elkaar geschonken zijn, bloeit de dankbaarheid op en wordt het leven - om met Van Ruler te spreken - een lofzeggende dienst.
M.H.T. Biewenga, Emmeloord