Tronen op de lofzangen van Israël
2000-06-09
Hoop Onlangs, maar toch al weer even geleden, schreef onze professor D. Holwerda in het nummer van 29 oktober 1999 van Opbouw over de hoop als de essentie van het geloof. Daarin kwam ook even de bekende tekst uit Romeinen 8 : 24 ter sprake, waar Paulus zegt (in de vertaling van Holwerda): 'Hoop die men ziet, is geen hoop meer: wie hoopt er nu op wat hij al ziet?' Ik neem deze tekst als uitgangspunt om - naar ik meen in overeenstemming met de strekking van Holwerda's artikel - op een verschijnsel te wijzen waarvan ik meen dat we het in de oudere talen meer dan in de jongere tegenkomen.- Jaargang 44
- nummer 12
Ik zou het een voorrang van het objectieve op het subjectieve willen noemen.
Voor ons modernen is 'hoop die gezien wordt' de zichtbaar gemaakte daad van het hopen. Je krijgt daarbij het beeld voor ogen van een menselijk gelaat dat met span ning ergens naar uitziet.
Paulus bedoelt evenwel iets anders. Hoop staat bij hem niet altijd voor de daad van het hopen, maar vaak voor het verhoopte en dat is hier ook duidelijk het geval. Het gaat om het heil van de toekomst waarop gehoopt wordt. Die hoop zal pas te zien zijn wanneer dat heil zijn intrede heeft gedaan.
Gerloof
Bij het woord geloof heb je hetzelfde. De apostel schrijft in Galaten 3 : 25 ter kenschetsing van de nieuwtestamentische tijd en situatie deze opmerkelijke zin neer: 'Nu echter het geloof gekomen is, zijn we niet meer onder de tuchtmeester'. 'Het geloof gekomen...'? Maar Abraham heet toch al de vader der gelovigen?
Zeker, het geloof kan bij Paulus stellig ook wel de daad van het geloven aanduiden en in die zin kan hij moeilijk schrijven dat het geloof pas in zijn dagen gekomen is. Maar zo is het hier toch niet bedoeld, althans niet in de eerste plaats. 'Nu het geloof gekomen is', daarmee wil de apostel zeggen: 'Nu datgene gekomen is waarop ons geloof gevestigd is', te weten: de nieuwe bedeling met het heilswerk van de Christus.
Wij leven nu in de bedeling van het geloof dat inhoudelijk met de woorden van het Credo omschreven kan worden.
In Kampen leerden we dan wel spreken over de fides q u a e creditur, 'het geloof dat geloofd wordt', tegenover de fides q u a creditur, 'het geloof waarmee geloofd wordt'.
In navolging hiervan zou je nu ook wel kunnen spreken van de spes q u a e speratur, 'de hoop die gehoopt wordt', of wel 'het verhoopte', naast de spes q u a speratur, 'de hoop waarmee gehoopt wordt' of wel 'het hopen' (met excuus aan de lezer voor het Latijn, maar voor de dominees onder ons wekt dat een prettig gevoel van herkenning op en wie zou hun dat misgunnen?).
Wat ik nu beweer is dat wij dit onderscheid (van quae en qua, om het nu zo maar even aan te duiden) in de oudere talen meer kunnen en moeten maken dan in de jongere. Alsof er in de latere talen een verschuiving plaats vindt van het objectieve naar het subjectieve. Alsof men in de oudere tijden meer onder de indruk was van de werkelijkheid buiten ons dan van de werkelijkheid in ons. Ik wil niet spreken van een echt verschil, maar houd het op een accentverschil, al kan dit verschil in nadruk wel eens zwaar uitvallen.
De schrik van Isa.c
Inderdaad moeten wij het verschil niet onnodig aandikken.
Wanneer Jakob tegenover Laban zweert bij 'de Schrik van zijn vader Isaak' (Genesis 31 : 53) dan heeft dat taalkundig gesproken een zuivere parallel in de uitdrukking uit onze vaderlandse geschiedenis dat Michiel de Ruyter 'de schrik der zee' genoemd werd. In beide gevallen is immers niet aan het schrikken van God of van de zeeheld gedacht, maar bedoeld is dat door beiden schrik verspreid werd waardoor zij niet het onderwerp maar het voorwerp van de schrik waren. (Duidelijker is dat in onze bijbelvertaling tot uitdrukking gebracht in Jesaja 8 : 13 waar we lezen: 'De HERE der heerscharen, Hem zult gij heiligen en Hij zal het voorwerp van uw vrees en Hij zal het voorwerp van uw schrik zijn'.) Misschien komt dat verschil dat ik hierboven maakte tussen tussen vroeger en later wel voort uit een theologische vooringenomenheid mijnerzijds. Dat ik, wat ik in de geschiedenis van het geloof meen waar te nemen: een zekere versubjectivering, een aandachtsverschuiving van de werkelijkheid-buiten naar de werkelijkheid-binnen, van het dingelijke naar het persoonlijke, van het objectieve naar het subjectieve, van het q u a e naar het q u a (zie boven), in de taalontwikkeling wil terugzien. Ik zou de eerste niet zijn die in die fout vervalt.
Psalm 22 : 4b
Hoe dat verder ook zij, met het gevonden gegeven wil ik nu naar een bekend woord uit de psalmen gaan dat vaak misverstaan wordt. In Psalm 22 : 4b wordt van de Here God gezegd dat Hij 'troont op de lofzangen van Israel'. Het lijkt alsof de Allerhoogste daar een onverantwoord risico mee neemt. Ik herinner mij dat ik ooit ergens in een kerkdienst de dominee in zijn gebed hoorde zeggen, met een duidelijke toespeling op dit psalmwoord: 'Here God, als wij zouden ophouden met zingen, dan zou uw troon in elkaar storten!' Het psalmvers zoals wij dat in onze vertaling voor ons hebben geeft inderdaad tot die opvatting aanleiding.
Maar ik vraag me af of de werkelijkheid zo in elkaar steekt en of dit Davids bedoeling correct weergeeft. De lofzangen staan hier voor datgene wat in die lofzangen bezongen wordt. En dat zijn de verlossende daden van onze God. De Here God troont op de bezongen daden die Hij voor ons verricht heeft. Psalm 97 : 2b zegt het zo: 'Gerechtigheid en gericht zijn de grondslag van zijn troon'. Gerechtigheid en gericht - die twee zijn het dus die Gods troon voor instorten behoeden. En ook die gerechtigheid en dat gericht komen ervoor in aanmerking bezongen te worden.
Objectief en subjectief
Bij het woord 'lofzangen' gaan onze gedachten overwegend uit naar de daad van ons zingen. Dat is in de taal van de bijbel anders. Dat zingen van ons, zeker, dat krijgt ook wel aandacht. 'Mijn hart is gerust, o God, ik wil zingen, psalmzingen, ja van harte. Waak op, harp en citer, ik wil het morgenrood wekken', zo begint David Psalm 108 en in die woorden staan het zingen zelf en de lust ertoe voorop.
Maar in de regel is wanneer het over lofzangen gaat de hoofdaandacht toch bij de daden van God. Die zijn het die de tongen losmaken. Zij duiden de werkelijkheid buiten ons aan waarop het innerlijk zich mag afstemmen, het objectieve heil waar onze subjectiviteit zich bij aansluit. Zich bij aan moet sluiten, moeten we zeggen. Want dit blijft uit kracht van het woord uit Psalm 22 recht overeind staan dat zoals ons zingen niet van de daden des Heren losgemaakt kan worden, het zo ook de daden des Heren zijn die ons zingen als noodzakelijk gevolg achter zich aantrekken. Het objectieve en het subjectieve zijn in de Schrift op het innigst met elkaar verbonden.
Als bezongen daden schragen de daden van God zijn troon.
In de hope des eeuwigen levens
Nu nog even terug naar de hoop waarmee ik begon. Je komt het nog wel eens op rouwkaarten tegen: 'In de hope des eeuwigen levens overleden...' In het bekommerde protestantisme waarin ik groot geworden ben (niet in het ouderlijk huis, maar in de leefomgeving van de Alblasserwaard) bedoelde men met deze woorden uit te drukken dat het weliswaar niet zeker was of de gestorven geliefde behouden was, maar dat men er het beste van hoopte. Men trok die hope dus geheel in de subjectieve sfeer, in de mening dat men zo de Schrift nasprak. Dat laatste kon inderdaad volgehouden worden. Maar zou Paulus toch niet iets meer bedoelen als hij zichzelf in Titus 1 : 1 en 2 een dienstknecht van God en een apostel van Jezus Christus 'in de hoop des eeuwigen levens' noemt?
Schrijft hij niet bij herhaling dat Jezus Christus zelf zijn hoop is? Natuurlijk neemt dat onze roeping niet weg dat wij onze hoop nu ook daadwerkelijk op Hem vestigen, maar door Hem onze hoop te noemen drukken we het vertrouwen uit dat wij voor dat vestigen van onze hoop op Hem niet alleen staan. Dat Hij met wat Hij gedaan heeft en doet en doen zal ons hopen als een magneet naar Zich toetrekt. Dat wat we om zijnentwil mogen hopen zo schitterend en stralend is dat ons hopen daarnaartoe gezogen wordt. Zo zit er meer zekerheid in de uitdrukking dan men dacht en denkt.