Ten volle overtuigd

2000-06-09
  • Jaargang 44
  • nummer 12
Vorige maand kwam naar goed gebruik het blauwe informatieboekje voor onze kerken uit als de jaarlijkse foto van het Nederlands Gereformeerde wereldje.
Heel plezierig als de momentopname weer voor even klopt met de werkelijkheid en dan denk ik natuurlijk aan alle namen en adressen. In vergelijking met vorig jaar blijkt de explosieve groei van het aantal elektronische brievenbussen, die het grote voordeel hebben dat ze bij verhuizen gewoon kunnen blijven staan - open voor elektronische post van nabij en ver.
Het meeste aanleiding tot bezinning geeft ongetwijfeld het jaaroverzicht, dat ook dit jaar geschreven is door ds. J.C. Schaeffer. Ik heb de maar liefst 57 pagina’s geboeid gelezen en bewonder de heldere en liefdevolle wijze, waarop ds. Schaeffer over onze kerken (en niet alleen de onze) schrijft.
Schaeffer komt direct na de opening met ‘het kerkelijk gesprek’, ofwel de landelijke samensprekingen met CGK en VGK. Het oogt - Luther zou het gezegd kunnen hebbenals bier dat maar niet wil schuimen. Maar daarna vliegt de vaart er in, want ter plaatse bruist er van alles, binnen en buiten de eigen muren. Vooral met het oog op dat wat zich plaatselijk aandient, lijkt het me helemaal niet zo’n gek idee om eens een kerkenraadsavond van bezin ning en gebed te wijden aan het in het overzicht gebodene! Hoe dan ook, voor mij is het jaaroverzicht aanleiding geworden tot een enkele bespiegeling over dat landelijke en plaatselijke en nog iets meer.

De eeuw van mijn vader
De eigenlijke opening van het overzicht is met het oog op het voorgaande ook interessant. Ds.
Schaeffer begint zijn rondblik namelijk met de opmerking, dat ‘de overgang naar het jaar 2000 binnen de kring van onze kerken op een vrij nuchtere manier is beleefd ’ en eindigt trouwens ook in die geest. Deze omlijsting geeft me de gelegenheid om nog eens wat te mijmeren over wat we met die markante overgang van 19 naar 20 achter de horizon van de tijd zagen verdwijnen. Veel meer dan het einde van een millennium was het voor mijn besef het afscheid van een eeuw. Een eeuw van Churchill en Kennedy, Picasso en The Beatles en wat dichterbij Schilder en Kuitert. Een eeuw van twee wereldoorlogen en een communistische dictatuur, die kwam en ging.
En van veel meer, zoals Geert Mak in zijn boek ‘De eeuw van mijn vader’ indringend heeft beschreven.
Inderdaad: de eeuw van mijn vader, een suggestieve, maar o zo herkenbare typering. Want wat lijken veel gebeurtenissen uit de vorige eeuw vreemd ver weg. Dat merk je al lezend in het boek van Geert Mak. Wat was het honderd, maar ook vijftig en misschien wel dertig jaar geleden anders - maatschappelijk, politiek en ook kerkelijk. Groter dan ooit is de afstand tussen twee generaties, de vaders van toen en de zonen van nu.

Vreemde verte
Met de kerkelijke scheuringen van 1944 en 1967 en (gelukkig veel lokaler, Zwolle) 1983 is het niet anders. Zelfs tot die laatste scheuring, die ik - nog maar 17 jaar geledenpersoonlijk meemaakte, is de afstand voor mijn besef onwezenlijk groot geworden. Dat het zó botste - hard tegen hardterwijl het strikt inhoudelijk gezien om niks ging.
En dat laatste niet alleen in 1983, maar ook al in 1967 en 1944. Menigeen heeft toen ter plaatse al beseft dat de kerkelijke geest ziek was, maar anders had één kerkdienst in Afrika of Azië en de ontmoeting met exotische christenen daar, genoeg kunnen zijn om dat te ontdekken. En toch - zo is de verdrietige, bittere en beschamende ervaring van velen - werd je er in meegezogen door donkere machten, vaak groeiend overtuigd van het eigen gelijk. Gevangen in een gekrompen kerkelijk wereldje en geworden tot mensen van het ogenblik, zoals Jezus ergens zegt.
Met gebeden, die door dat ziekmakende virus krachteloos werden, of nog erger veel weg hadden van het slijpen van de messen, voordat het eigenlijke (vergader!)werk begon. Vreemd ver weg lijkt het allemaal ...
Wat op zo’n (psychologische) afstand overblijft uit die twistzieke jaren veertig en zestig (en tachtig) van de vorige eeuw is het verdriet en het onbegrip over hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren.
Dat trof me in elk van de vier ‘in memoriams’, waarin deze kerkelijke twisten als diep ingrijpend worden beschreven, zowel gemeentelijk als persoonlijk - als een kerkelijk concentratiekamp-syndroom, schrijft ds. Veefkind zelfs.
Verbijsterend dus en tegelijk is het mij zo vreemd ver weg en zo onvoorstelbaar wat toen gebeurd is.
Voor mij al, die de scheuring in 1969 als vijftienjarige meemaakte!
Hoeveel te meer voor degenen, die nog een generatie jonger zijn en van nog grotere afstand terugkijken op die gebeurtenissen uit de eeuw van hun grootvader ...

Landelijk
In dat licht ervaar ik de landelijke samensprekingen in klein-oecumenisch verband als een overblijfsel uit een eeuw die voorbij is - de eeuw van mijn vader. Samensprekingen die van de buitenkant ogen als een langdradig getrouwtrek om weinig, maar van binnenuit bezien wel eens een krampachtig zoeken naar kerkelijke zekerheid zouden kunnen zijn. Om vast te leggen wat maar enigszins vast te leggen is, opdat niets meer wankelt.
Want kerkelijke zekerheden vragen om veel meer cijfers achter de komma dan zekerheden van het geloof. Heeft dit omslachtig kerkelijk overleg zichzelf niet overleefd - denk je dan - vreemd geworden in een wereld waarin je via e-mail binnen een kwartier geestelijk zaken doet met een christen uit Calcutta of Bangui? In zo’n wereld kan het toch niet bestaan dat je manjaren verspilt aan een discussie of je je kerk nu organiseert volgens de DKO uit 1619 of naar het AKS uit 1983. Of dozen kopieerpapier besteedt aan het scherpstellen van een ondertekeningsformulier, waarbij blijkt dat dat in de samensprekingen nog niet afdoende is. Als je me vraagt: waar zou het landelijk tussen de kleine kerken over moeten gaan, dan zou ik ook willen zeggen: precies over die zaken waar het plaatselijk tussen kerken en christenen ook over gaat! En wat zijn er dan veel zaken op pastoraal, diaconaal en missionair terrein, waar we - waar nodig met stimulans en coördinatie vanuit het landelijke samen de schouders onder zouden kunnen zetten, verbonden in hartelijk geloof. Maar de huidige thematiek en benadering in de samen- sprekingen is voor de kinderen en zeker de kleinkinderen wereldvreemd kerkelijk gedoe uit de eeuw van mijn vader. En dat in een nieuwe eeuw, waarin ik te veel van zulke kinderen en kleinkinderen tegenkom die vervreemd zijn van een hartelijk christelijk geloof. Als het dan ergens gaat om de toe-eigening des heils dan daar wel, zou je zeggen.
Maar over die voorkant van het kerkelijke gaat het op landelijk niveau maar zelden.

Plaatselijk
Ter plaatse - met de beide benen op de grond - is het vaak zo anders. Zoals de Enschedese predikanten van NGK, CGK en VGK, die elkaar vonden in geloofsverbondenheid en samen het goede hebben gezocht voor de getroffenen van de vuurwerk- katastrofe.
Hartverwarmend! En zo lees je in het overzicht over tal van projecten in binnen- en buitenland, waarbij christenen in hartelijk geloof de handen ineenslaan.
Binnen de eigen kerken zelf is er ook veel in beweging en zo’n landelijk overzicht is één van de mogelijkheden om op elkaar betrokken te blijven.
Op het terrein van het pastorale en bestuurlijke werk wordt vrij veel uitgeprobeerd. Er is - zo is mijn indruk - een ontwikkeling, waarbij de complexere taken uitgesplitst worden. Zodat er naast ouderlingen, die zich vooral concentreren op het bestuurlijke, anderen komen die alleen het pas torale werk doen. Dat sluit aan bij de gedachte dat niet iedereen voor elk onderdeel de gave en belangstelling heeft. En de energie, niet te vergeten!
Bij het vele, dat op ons afkomt is er dus een tendens van concentratie en specialisatie binnen het kerkelijk werk. Het overzicht van ds. Schaeffer geeft op dit soort punten genoeg stof tot nadenken over de eigen gemeente.

Het ethische
Als het over de drie landelijke kerkbladen gaat, zoomt Schaeffer in op de discussie over het boek van ds Jan Mudde - Je weg vinden. In Mudde’s benadering van veelal ethische problematiek verschuift het accent van de kleine woorden van de afzonderlijke teksten naar de grote woorden van de Schrift, zoals gerechtigheid, liefde en barmhartigheid.
Over de weging van dat kleinere en grotere in de bijbelse boodschap ontspon zich de discussie.
Maar het ging ook over de concrete moeite om een weg te vinden in de harde werkelijkheid van elke dag. Juist ook daar waar je als kinderen van Abraham oploopt tegen de gebrokenheid van het leven op de aarde van Noach.
Dat voel je bijvoorbeeld als ds Mudde voor de homofiele naaste de weg geopend ziet naar een relatie in liefde en trouw als genezing er niet in zit en alleen blijven een ondraaglijke opgave blijkt te zijn. Mudde typeert die derde weg met twee woorden ‘barmhartige concessie’, een typering, die iets instabiels heeft en alleen daarom al uitnodigt tot verder gesprek.
Best mogelijk dat in zo’n gesprek het woord ‘concessie’ meer en meer de klank krijgt van liefdevol, zodat het wordt tot liefdevolle barmhartigheid, waarmee je ook weg komt uit de sfeer van het gedoogbeleid, die zulk homofiel samenwonen nu wel heeft. Of gaat de ontwikkeling juist in tegenovergestelde richting? Dat de geest van concessie leidt tot een uitholling van de bijbelse barmhartigheid, met als gevolg een houding die je eerder onverschillig en gemakzuchtig zou kunnen noemen.
Zodat je bij het gaan van deze weg uiteindelijk - geestelijk gezien - met lege handen komt te staan. Het zou grote winst zijn als we over zulke punten, verbonden in hartelijk geloof, open gesprekken zouden kunnen voeren. Met ieder die mee wil doen, zou ik over de kerkmuren heen willen zeggen. En dat alles hand in hand met daadwerkelijke barmhartigheid, die de eenzaamheid (en dat niet alleen van de homofiele naaste) verzacht.
En dat is dan nog maar één punt, waarop we onze weg te zoeken hebben.
Want dezelfde verlegenheid uit het gesprek over homofilie is ook herkenbaar op andere punten.
Rond de euthanasie b.v. als het lijden lang wordt en je opnieuw tegen het woord ‘ondraaglijk’ aanloopt.
Vraagt dat nog eens om een barmhartige concessie, hoe huiveringwekkend de vraag ook blijft, waarin een mens zijn naaste het verzoek doet om te doden? Of roept het zoveel stralender Amsterdamse antwoord hou van de daadwerkelijke barmhartigheid om tientallen of misschien wel honderden Kuria’s, wil ons ‘nee’ tegen euthanasie niet goedkoop worden?
En dan is er - om nog iets te noemen - het veel lichtere, maar slepende probleem van het samenwonen.
Daar lijkt het gesprek maar al te vaak gevangen in een machteloze cirkel.
Misschien niet op kerkenraden, waar met behulp van prima boekjes als van Jan Mudde (Kostbaar en kwetsbaar) of Gerrie Velema (Save Sex) de heren en soms dames het nog wel eens kunnen worden. Maar om dan met een doorwrocht plaatselijk herderlijk schrijven de rest van de kerkelijke gemeente te overtuigen, laat staan de gangbare praktijk te veranderen!
Hoe goed en bijbels het ook allemaal ma zijn, of het aankomt is een heel ander verhaal.

Ten volle overtuigd
Op zulke momenten, waar onze denk- en overtuigingskracht te kort schiet, blijkt dat er meer nodig is. Ergens in het overzicht duikt ineens een woord van Paulus op: "Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd"
(voor wie het na wil slaan: Romeinen 14:5). Het is zo’n typisch Paulus-woord - een woord waar je helemaal heer en tegelijk helemaal dienaar van wordt. Volkomen vrij en daarin toch gebonden.
Waarin je hoort dat alles geoorloofd is, maar niet alles opbouwt. Zo prikkelt dit woord uit Romeinen 14 om mee te denken en mee te praten en mee te doen als mensen met een eigen leven en een eigen geweten. En tegelijk is die uitnodiging tot mondigheid nog maar het begin.
Want de laatste drie woorden brengen je voor je naaste en voor God. Ik doel op dat ‘ten volle’ , dat vraagt om een houvan ding waarbij de voorgenomen weg weer helemaal open komt te liggen.
Open voor toetsing van opzij en van boven (Psalm 139). Om vervolgens het eigen persoonlijk geweten nog maar weer eens te bekloppen en heel modern te zeggen ‘hoe het dan voelt’- na vooral die inspraak van Gods Geest. ‘Je weg vinden’ in het landelijke, plaatselijke en in het ethische vraagt om zulke openheid, niet in de laatste plaats voor Gods leiding. Eigenlijk steeds: als we (te) goed weten hoe het verder zal gaan, maar ook voor die momenten waarop we geen idee hebben welke kant het uit moet.
Bovenstaande maakt duidelijk, dat het overzicht van ds. Schaeffer veel meer is dan een droge opsomming, maar een uitnodiging om mee te denken en mee te praten, om mee te doen en mee te bidden in de dingen van het Koninkrijk - ook op het kleine stukje dat Nederlands Gereformeerd heet!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief