De plaats die de Here in Israël verkoos om daar Zijn naam te doen wonen
2000-07-07
Van Hebron naar Jeruzalem- Jaargang 44
- nummer 14
Bij mijn zwerftochten door het Oude Testament ben ik veel moeilijkheden tegengekomen waarvan de oplossing mij ver boven de pet ging. Maar af en toe stuitte ik op problemen waarvan ik mij verbeeldde dat ik er enig verklarend licht op kon laten vallen. Daarvan wil ik er nu een noemen. Het gaat over de keus die David liet vallen op Jeruzalem als de hoofdstad van zijn rijk. De uitleg prijst David hemelhoog vanwege het politieke inzicht dat hem tot deze keus bracht. De jonge koning stond voor de moeilijke taak om het volk Israël dat op uiteenvallen stond als natie rondom een troon te verenigen.
En wat geniaal dan van David om zijn oog op Jeruzalem te laten vallen! Jeruzalem was namelijk een stad zonder een Israëlitisch verleden, een onbeschreven blad om zo te zeggen, en derhalve voor een ieder acceptabel. Bovendien was de stad gelegen in een soort politiek niemandsland tussen noord en zuid, waardoor noch de stammen rond Efraim noch die rond Juda er een claim op konden leggen.
Het was een bewijs van Davids buitengewoon groot staatsmanschap dat hij bij de ineenstorting van het rijk van Sauls dynastie de Judese provinciehoofdstad Hebron verliet en de Jebusietenstad Jeruzalem veroverde om van daaruit over het geheel van de twaalf stammen te regeren.
Wie koos de plaats: de Here of David?
Ik wil van deze staatsmanswijsheid van koning David niets afdoen.
Alleen, nu breidt men deze wijsheid van David ook uit tot het religieuze en roemt men zijn vooruitziende blik dat hij door de verovering van Jeruzalem een beslissing heeft genomen inzake de centrale plaats van de eredienst van Israëls God. De opvoering van de ark des verbonds waar II Samuel 6 van vertelt zou daar een helder getuigenis van afleggen, vindt men. En daar ligt voor mij nu een grote moeilijkheid. Was immers niet gezegd dat de keus van die plaats aan de Here God zelf was voorbehouden? 'De plaats die de HERE verkiezen zal om daar zijn naam te doen wonen', lees je tot eenentwintig maal toe in het boek Deuteronomium.
En krijgt deze zin in de geschiedenis van de koningen niet een duidelijke echo, in die zin dat Jeruzalem inderdaad de plaats was geworden die de Here God verkozen had (bijv. I Kon. 11 : 13)?
Is het mogelijk van zoiets belangrijks als de keuze van de cultusplaats in Israël te zeggen (wat in de handboeken regelmatig gebeurt): Nu ja, dat zei men nu wel, dat de Here God zelf die plaats zou kiezen en gekozen had, maar in werkelijkheid ging die keus op Davids wijsheid terug?
Mag je in de bijbel de voorstelling verwachten dat een menselijke keuze zo opgehoogd wordt tot een goddelijke daad?
Ziedaar de moeilijkheid waarop ik stuitte.
De beginjaren van Davids regering in Jeruzalem
En nu het licht dat ik meen erop te kunnen laten vallen. Het is, meen ik, wel terdege de Here God zelf geweest die zijn keuze van de cultusplaats aan David bekend heeft gemaakt. En wel voorafgaande aan alle bemoeienissen van David ter zake. Dat moet gebeurd zijn in de beginjaren van Davids verblijf in de veroverde stad. Bij gelegenheid van de telling van het volk waarvoor de koning, of eigenlijk zijn volk, zo zwaar bestraft is geworden. Het verhaal daarvan wordt ons gedaan op het einde van het tweede boek Samuel.
In II Samuel 24, om precies te zijn. De plaatsing van deze geschiedenis op het einde van Davids regering en leven bevat de suggestie dat deze telling in de nadagen van de koning heeft plaats gevonden. En dat nu meen ik te kunnen bestrijden. De reden waarom dit gebeuren zo laat verteld wordt in het boek Samuel weet ik niet, maar dat het in tijd naar voren geschoven moet worden, zoals trouwens ook het gebeuren met de Gibeonieten in II Samuel 21, dat staat voor mij vast.
Let alleen al op de beginzin van het hoofdstuk over de telling die letterlijk vertaald aldus luidt: 'De toorn van de HERE voer voort tegen Israel te ontbranden...' Daaruit krijgen we de weinig passende indruk dat de geschiedenis van Davids regering een aaneenschakeling geweest is van goddelijke toornontladingen.
Dat klopt van geen kant, het is veeleer een rijk gezegende tijd geweest.
Het is daarentegen heel goed voorstelbaar dat over de overgangstijd van Sauls naar Davids regering dit negatieve beeld wordt opgehangen. In de kwalijke erfenis van Saul kwam veel wangunst van de Almachtige over Israël mee.
Naar de tijd gerekend misplaatst
Maar er is meer. Er is in dit hoofdstuk sprake van de ziener Gad als de geestelijke adviseur van David (de verzen 12 ev). Maar de naam Gad verplaatst ons naar de periode dat David voor Saul op de vlucht was (I Sam. 22 : 5).
Het is natuurlijk zeer wel mogelijk dat Gad het begin van Davids regering, eerst in Hebron en later in Jeruzalem, nog heeft meegemaakt, maar zeker is dat hij later vervangen is door Natan.
Deze heeft de gevestigde koning David pastoraal begeleid en hem zou je hier in dit hoofdstuk van de telling dan ook verwachten.
Het optreden hier van Gad verwijst naar de begintijd van Davids regering. En wat te den ken van Joab die de koning op een diep gelovige wijze van het heilloze plan van de volkstelling wilde afbrengen (vers 3)?
Dit beeld klopt toch op geen enkele wijze met dat van de cynische legeroverste die we later in Davids omgeving ontmoeten?
Ligt ook het plan tot de volkstelling niet meer voor de hand aan het begin van Davids regering in Jeruzalem, toen hem het gebied van Sauls zoon Isboset in handen gevallen was? Dat David precies toen wilde weten over hoeveel manschappen, maar vooral over hoeveel belastinggeld hij zou kunnen beschikken? Is het in verband daarmee ook niet opmerkelijk dat de telling juist begint in het gebied van het Overjordaanse (vers 5) waar Isboset zijn regerings-zetel had gehad (zie II Sam. 2 : 8 en 9, waar het gebied van Isboset in eenzelfde tegenklokse richting beschreven wordt als in de verzen 5 - 7 van hfst 24)? Maar, als deze argumenten doorslaggevend zijn, waarom is het verhaal over de telling dan zo raar terecht gekomen, zo helemaal achterin het boek II Samuel? Zoals gezegd, dat weet ik niet.
Maar we weten wel dat de volgorde van de bijbelhoofdstukken niet altijd dezelfde is als die van het gebeuren waarvan ze vertellen. Het is met die hoofdstukvolgorde soms echt een rommeltje zoals het boek Jeremia laat zien, wanneer je de Hebreeuwse tekst daarvan vergelijkt met die van de LXX (de Griekse vertaling der Zeventig). Ik houd het voor mogelijk dat op het eind van het boek II Samuel, in de hoofdstuk denken 21 - 24, enkele paralipomena, dat wil zeggen: overgebleven zaken (een paar berichten en gedichten), zijn toegevoegd. En dat dus deze hoofdstukken naar de tijd gerekend niet op de goede plaats terecht zijn gekomen.
De pestepidemie voor Jeruzalem tot staan gebracht
In dat 24e hoofdstuk nu van II Samuel, waarvan ik dus beweer dat het in tijd naar voren moet worden gehaald, wordt ons verteld hoe de Here God zelf het is geweest die heel opvallend en nadrukkelijk de plaats van het toekomstige heiligdom heeft aangewezen. Dat is gebeurd bij gelegenheid van de pestepidemie die de Here God als straf over de telling bracht. Heel opmerkelijk houdt die plaag voor Jeruzalem halt, terwijl nu toch juist deze stad, waar de initiatiefnemer David woonde, het eerst voor bestraffing in aanmerking kwam!
Waarom stopte de slachting juist voor die stad?
Was dat nu omdat David daar een altaar bouwde en een kostbaar offer bracht om het onheil af te wenden? Dat speelde een rol, maar was niet beslissend.
Beslissend was dat 'het onheil de HERE berouwde' (vs 16). Van deze geheel vrije gemoedsbeweging in het hart van God wordt in het verhaal het eerst gesproken en pas daarna krijgen we te horen hoe dit berouw in de weg van Davids offer zijn uitwerking kreeg. Precies zoals in ons leven Gods vrije verkiezing zich realiseert in de weg van ons geloof.
Niet vanwege maar op ons geloof worden wij hoofdstukbehouden, moeten wij dan zeggen. Zo stopte ook de plaag niet vanwege, maar op het offeren van David. Merkwaardig dus hoe die twee dingen: de beslissing van de Here God en het offeren van David na elkaar en los van elkaar beschreven worden, terwijl het toch om een enkel samengesteld gebeuren ging! Een van de subtiliteiten van Israëls vertelkunst!, moet je wel zeggen.
Sions ouderdom
En dan dat gebeuren zelf: Zoals ooit Abraham met het mes boven zijn zoon stond om hem te slachten, zo zweefde de verderfengel met uitgetrokken zwaard boven de stad Jeruzalem om die te vernietigen, totdat de HERE tegen hem zei: 'Genoeg!
Laat nu uw hand zinken' (vers 16). Ik houd het erop dat de geschiedenis van de pest vanwege deze opmerkelijke overeenkomst een opzettelijke toespeling op de vertelling van Abrahams offer bevat. Zoals dan ook (dat komt hier nog bij) de aangewezen plaats volgens II Kronieken 3 : 1 iden-tiek was met de berg Moria die in Genesis 22 genoemd wordt. De relatie tussen beide gebeurtenissen wordt dus dubbel gelegd. De plek waar Abraham zijn zoon offerde was in het geheugen van Israël niet exact bewaard gebleven ('een der bergen die Ik u noemen zal', heet het vaag in Gene-sis 22 : 2) en miste in de ogen van de niet- Israëlitische Jeruzalemmers natuurlijk iedere wijding, zodat hij door de Jebusieten zelfs als dorsvloer gebruikt kon worden.
Maar het gebeuren