Een rentmeester die uitdeelt
2000-07-21
We moeten gavengericht werken. Je hoort dit tegenwoordig in iedere opzet voor gemeenteopbouw. En ik vind het ook een heel belangrijke regel. Ieder jaar zijn er weer ‘vacatures’ te vervullen van ouderlingen en diakenen. En het valt vaak niet mee om er mensen voor te vinden. Je kunt dan elkaar boos gaan aankijken, maar je kunt ook vragen stellen bij de structuur van het werk.- Jaargang 44
- nummer 15
Stel dat er wèl mensen te vinden zijn die bezoeken willen doen, hulp willen bieden en zo meer. Dan moet je de structuur toch zo veranderen, dat de gaven van deze mensen tot hun recht komen? Misschien is het dan helemaal niet zo’n probleem als er wat minder ambtsdragers zijn.
Zeker, zo moet het gaan. Meer gavengericht dan functiegericht. Toch kriebelt er wel wat bij me als ik deze taal hoor en lees. Gaven moeten ontplooid en mensen moeten tot hun recht komen. Maar hoger dan de hoogste gave is de liefde. En mensen komen tot hun recht, vooral door elkaar in liefde te dienen. Dat vind ik zo mooi uitkomen in het geciteerde vers uit 1 Petrus, dat begint met de woorden: ‘dient elkander, een ieder naar de genadegave die hij ontvangen heeft’. Daar heb je ze bij elkaar: de gave en het dienen. Haal je die uit elkaar, dan krijg je Corinthische toestanden.
In die gemeente kwamen ze aan geen enkele genadegave tekort.
Maar het stikte er van de trots, opgeblazenheid en jaloezie. En je kunt beter geen gave hebben, dan een waar je mee loopt te leuren. Daarom heb ik die zinnetjes nodig, waar ‘elkaar dienen’ en ‘genadegave’ in één adem voorkomen. Inderdaad: ik heb dat zelf nodig...
Hun deel geven
Nu vind ik het mooie aan dit vers van Petrus, dat hij er achteraan zegt, dat we elkaar moeten dienen ‘als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods’. Dat beeld van de rentmeester is bekend; het is iemand, die namens zijn baas het beheer voert en aan hem verantwoording schuldig is. Je zou dan denken aan iets als woekeren met je talenten, om er meer opbrengst voor de Here God mee te maken. Maar het bijzondere is, dat we dit woord ‘rentmeester’ nu juist uit de mond van Petrus horen. En dan moet u weten, dat Jezus juist tegen Petrus eens over een rentmeester verteld heeft, Lucas 12: 41-48. ‘Wie is dan de trouwe, verstandige rentmeester, die de heer over zijn bedienden zal stellen om hun op tijd hun deel te geven?’. Hier tekent Jezus de rentmeester niet in de eerste plaats als de man die winst moet maken, maar als degene die moet uitdelen. Het gaat om zijn houding tegenover zijn medeslaven.
Die moet hij niet slaan, maar te eten geven. Hun op tijd hun deel geven. Deze gelijkenis vertelde Jezus destijds aan Petrus. Zou je, wanneer hij het in zijn brief over een rentmeester heeft, niet aan zo’n rentmeester mogen denken? Dat is dus eerder iemand die uitdeelt van de velerlei genade Gods, dan iemand die er winst mee maakt.
Contact met mensen
Daar moet je eens bij stilstaan: dat je voor elkaar een rentmeester, een uitdeler van Gods genade mag zijn. Je mag van die genade delen aan je vrienden, aan je collega’s, aan je kinderen en aan je broeders en zusters.
Dat vind ik een machtige stimulans om het goede te doen met de gaven die je kreeg. En het klopt ook met de praktijk: wij ontvangen de genade van God vaak via het contact met mensen. Met je ouders, met je vrienden en misschien in de kerk. Dat woord daagt mij uit om erover verder te denken, wat dat zijn kan: de velerlei genade Gods. Wat zitten er inderdaad veel kanten aan! Zijn liefde, barmhartigheid, vrede, maar ook zijn hulp in moeilijke omstandigheden.
Zijn vermaning en vertroosting. Als je daarvan mag delen, dan komen de gaven wel goed terecht! Dan zie ik gewoon gebeuren wat Petrus verder schrijft: ‘Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid! Amen.’
| ‘... als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods’ (1 Petrus 4:10) |