Kardinaal Danneels
2000-07-21
In onze tijd zien we op kerkelijk gebied een verzwakking van oude tegenstellingen. Enerzijds heeft dat te maken met het relativisme dat eigen is aan deze tijd, anderzijds is er ook iets in te vinden van een nieuwe concentratie op datgene wat werkelijk tot het wezen van geloof en kerk behoort. Zo negatief als het eerste te beoordelen is, zo positief het tweede.- Jaargang 44
- nummer 15
En dan is er opeens, over een heel rijtje kerkgrenzen heen, een herkenning die vele eeuwen lang ondenkbaar was. Zo verging het mij tenminste, toen ik las wat de RK aartsbisschop van Mechelen-Brussel, Godfried Danneels, onlangs heeft gezegd. Het Centraal Weekblad (9 juni) publiceerde gedeelten uit de door hem gehouden Titus Brandsma Lezing (een jaarlijkse voordracht over hedendaagse spiritualiteit). Ik neem er hier een paar fragmenten uit over.
De lezing draagt als titel ‘Is een oude honger terug?’ en gaat over het opmerkelijke verschijnsel dat er in onze wereld veel meer dan twintig of dertig jaar geleden wordt gevraagd naar spiritualiteit. Danneels is daar blij mee, maar waarschuwt er wel voor ons als kerk niet te snel rijk te rekenen: De mens houdt nooit op te zoeken naar geluk. Maar hier schuilt vaak een adder onder het gras: hij haalt nuttigheid en waarheid door elkaar. God heeft iets te maken met gelukkig worden. Het is inderdaad gebleken dat deze gelukshonger niet is afgenomen naarmate de eerste behoeften meer bevredigd en zelfs over-bevredigd zijn geworden. De materiële welstand heeft die honger niet gestild, maar hem nog aangevuurd. Hoe groter immers de welvaart, hoe meer men voelt nog ver af te staan van het echte welzijn. Geld, seks en macht maken niet gelukkig. Dat staat al lang te boek in de bijbel. Maar het verschil is dat deze wijsheid nu niet meer moet gepredikt en ‘aangezegd’ worden; ze is haast experimenteel ervaarbaar in het leven van elke dag.
Om de hoek ligt ook hier de verzoeking op de loer: waarheid is niet zonder meer gelijk te stellen met nuttigheid en God kan niet ingehuurd worden als bevrediger van mijn behoeften.
God is waar in zichzelf en veel van wat waar is, is gratuit: het is niet direct nuttig. God heeft veel gezegd dat niet direct in de lijn van mijn onmiddellijke behoeften ligt. Hij maakt slapende behoeften bij mij wakker en tilt me op tot een hogere geluksdrang. Er zijn evangelische waarheden die tegen de haren instrijken. De bergrede staat er vol van als ze spreekt over armoede, over de linker-
en de rechterwang of over de liefde tot de vijand.
Wie godsdienst en spiritualiteit reduceert tot onmiddellijke behoeftebevrediging, verlaagt godsdienst tot het niveau van een aspirine.
Hij mist ook iets in alle aandacht voor spiritualiteit: Er is één bron van authentieke christelijke spiritualiteit die niet meer schijnt te vloeien: het zondebewustzijn en de behoefte aan vergiffenis.
We voelen wel gebrokenheid en ervaren zoveel nood ( = behoefte, mhtb) aan genezing op velerlei gebieden.
Maar heling voor onze morele ontoereikendheid en ziekte voelen we nog amper. Dat zou verontrustend moeten zijn. Want elke christelijke spiritualiteit die niet begint bij de ‘metanoia’ ( = bekering, MHTB) zou wel eens een dwaalweg kunnen blijken, een doodlopend pad. Jezus’ eerste woorden bij zijn publieke optreden in het Marcusevangelie waren toch: ‘Bekeert u...?’ Pas later volgt: ‘En gelooft in de blijde boodschap’.
Wij hebben de volgorde omgedraaid: de blijheid voor de bekering! Maar hoe kan een boodschap blij zijn als ze ons niet van iets droefs hoeft te bevrijden? Is die christelijke boodschap dan nog iets anders dan een van de vele goedkope heilstherapieën zonder morele bekering, waarvan onze tijd zat is? Drinken we dan niet uit een waterput die gebarsten is?
Met de zekerheid van de ontnuchtering verderop?
Op het gebied van zondebesef en deemoedig roepen ‘uit de diepten’ – ‘Heer, als ge mijn zonden blijft gedenken, wie houdt dan stand?’ (Psalm 130) - is er nog een hele weg af te leggen. Het is dus veel te vroeg om al overwinningsbulletins te publiceren.
Elke echt christelijke spiritualiteit begint met de deemoedige bede: ‘Heer, heb medelijden met mij’.
Tenslotte wat Danneels schrijft over de rol van de hoop: Spiritualiteit is hunker naar genezing en verlangen om meer mens te worden.
Heel onze tijd zoekt ernaar. Is er dan geen medicijn te vinden voor onze kwalen? Jawel: de hoop. De enige weg voor onze tijd om te genezen bestaat erin dat de hoop weer opgewekt wordt. Want die ontbreekt in veel gevallen. Vele dingen hebben we nodig: geloof en liefde, solidariteit, creativiteit en inzet. Maar wat we het meest behoeven, is de hoop.
Als die afsterft, lijden we niet zomaar aan een infarct: dat is vaak te genezen.
Maar de hoop is de hartspier van de mens en van de samenleving: als die geraakt wordt, is er een hartstilstand en die is dodelijk.
De mens van de hoop verwacht iets radicaal nieuws. Het zal van elders komen en alhoewel het ook zijn eigen inspanningen vooronderstelt, is het resultaat niet in evenredigheid.
De utopie is vooral spanning en inspanning. Hoop is ontspannen en vertrouwvol. Zo is ze meteen ook in de grond bevestiging van een transcendentie.
Een Ander zal het realiseren, niet zonder mij, maar met méér dan mij. Het nieuwe dat komt, zal niet de exclusieve vrucht zijn van mijn kennis of vaardigheid, noch beloning voor eigen verdiensten. De hoop put niet uit de eigen waterput, ze leeft van het vermoeden dat er ergens hogerop een bron moet zijn. De waterput bergt geen verrassing, een bron verrast altijd.
M.H.T. Biewenga, Emmeloord