Meewerken ten goede (4)
2000-08-04
Nog één keer borduur ik voort op de thematiek, waar het me in de afgelopen drie artikelen ook om ging. Net als de vorige keren is het meer een bespiegeling naar aanleiding van discussies over huwelijk en samenwonen, dan dat ik de bedoeling heb om de discussie zelf nog weer een keer over te doen. Geeft al het gedoe rond huwelijk en samenwonen mogelijk ook in de breedte van het gemeentelijke stof tot denken. Dat was de rode draad. Kunnen we er bijvoorbeeld ons voordeel mee doen in het onderling pastoraat, met name bij verschillen in het ethische (1e artikel)? Of vanuit een heel ander gezichtspunt is ongehuwd samenwonen wellicht maar één symptoom van een levensstijl, die niemand van ons vreemd is (2e artikel)?- Jaargang 44
- nummer 16
En de vorige keer vroeg ik me af, of er niet iets versmalds en selectiefs zit in onze gemeentelijke benadering van huwelijk en seksualiteit (3e artikel). Nu een vierde in de reeks, waarbij ik uitkom op onze omgang met de bijbel, die krachtig en doorwrocht oogt, maar ook zijn zwaktes kent. Ik begin evenwel op de grens van kerk en wereld.
Twee momenten
Twee momenten op één zondagavond.
Een coördinator van het Alpha-werk zou iets komen vertellen over zijn cursus-ervaringen. Zelf was hij allerminst een Jan-doorsnee - nooit geweest en gelukkig ook niet geworden toen hij tot geloof kwam. Dat laatste was gebeurd na een jarenlange weg van zoeken en zich verzetten, waarbij een nachtelijke, bijna fysiek ervaarbare nabijheid van God hem uiteindelijk op de knieën had gekregen. Halverwege zijn verhaal ging het over de cursisten.
Hij liet zich ontvallen, dat ze werkelijk ‘van alles’ binnenkregen op de Alphacursus - onder andere ook mensen die samenwoonden, zo voegde hij er aan toe. Maar over zulke punten was hij met zijn Alpha-cursisten nooit het gesprek begonnen.
Want wat wilde het geval? Zodra de betrokkenen tot geloof kwamen, plooide het leven zich vanuit die eerste liefde als vanzelf naar de lijnen van het door hen ontdekte evangelie. Niet omdat ze dat opgedrongen kregen, maar vanuit de vragen, die ze zichzelf en anderen gingen stellen over de inrichting van hun leven. Als voorbeeld noemde hij een trouwdienst van een stel, dat in de fase na zijn bekering steeds meer was gaan verlangen naar de zegen van God, ook over hun officieuze relatie. Dus trouwden ze (na jaren van ongelovig samenwonen) alsnog voor de overheid en hadden samen met velen een feestelijke dienst van zegen en voorbede. En óf daar een getuigenis van was uitgegaan! Laat ik nu net een kwartier voor het begin van die vergadering een telefoontje gehad hebben van twee alleraardigste jongeren, in de kerk opgegroeid en positief meelevend. Ze vertelden me dat ze gingen trouwen en ook dat ze alvast bij elkaar ingetrokken waren. Dat was het andere moment.
Het water zal stromen
"De rotsen die staan vanaf de dagen der schepping, staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open. Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen, dorstigen komen en drinken".
Het zijn regels uit het mooiste opwekkingslied dat ik ken - De steppe zal bloeien.1 Het gaat in dat lied weliswaar in een vergezicht over de grote omwenteling ten goede, maar iets daarvan zou de kerk in het hier en nu toch ook wel kunnen gebruiken. De kerk als een beek die stroomt, meer dan een gracht, die er al eeuwen verstild bij ligt - hoe mooi ook. Zit er eigenlijk stroming in onze kerken en ik bedoel dan de vreugdevolle instroom en niet de bittere uitstroom?
Is er onder ons überhaupt verlangen in die richting, gepaard aan gebed?
De laatste paar jaar denk ik vaak: wat zou het onze kerken goed doen als we vaker zouden kunnen genieten van de vreugde en het enthousiasme van iemand die heel bewust christen geworden is. Alleen al dat er eens een mens op eigen benen de kerk binnenkomt om gedoopt te worden, dat zou al heel mooi zijn. Maar ook daarna kan de eerste liefde voor God en evangelie een uitstraling hebben, die goed is tegen scepsis, gezapigheid en lauwheid in geloof en leven.
Als je daar de gesprekken en discussies in het ethische naast legt - over huwelijks- diensten en zo - met alle goeie verhalen en prima boekjes.
Argumenten genoeg, denk je dan, maar waarom gebeurt er vervolgens zo weinig? Nu, één zo’n dienst - zoals boven beschreven - waarin twee mensen, pril verliefd op God en overtuigd van het heilzame van het nieuwe leven, de hemelse zegen zoeken over hun samengaan, doet honderd keer meer dan al mijn geargumenteer. Net zo goed als één hartelijk getuigenis van iemand, die vanuit het ‘niets’ christen is geworden, meer doet dan tien preken.
Zonder dat ik wil zeggen dat we daarom maar moeten ophouden met argumenteren en preken. Maar misschien toch anders, meer vanuit het verlangen dat het in de kerk weer eens wat meer zal gaan stromen. Wat zou dat goed zijn voor de kerk - voor de leer en voor het leven, om het zo maar eens te zeggen. Daar kun je vanuit discussies over huwelijk en samenwonen soms zo maar naar verlangen.
Van ‘binnen’ naar ‘binnen’
Nu wordt het de hoogste tijd om het kerkelijke binnen te lopen en daar de jongeren te ontmoeten, die binnen onze gemeenten groot worden. Zoals we er twee al even tegenkwamen in dat andere moment. Ze krijgen groeiende aandacht, als ik denk aan het jeugdwerk en de kerkdiensten, die meer op jongeren worden toegesneden.
Niet zonder reden want, alle aardige cijfers uit het informatieboekje ten spijt, de band met de opgroeiende generatie is het laatste decennium een stuk losser geworden, en vaak losgeraakt. Dat merk je in het geloof en ook aan de inrichting van het leven van zulke gedoopte tieners. Ik zeg het expres maar eens zo, gedoopte tieners, om aan te geven dat ze een eigenaardige positie innemen in de gemeente, zeker ook als je nog eens terugdenkt aan die echte bekeringen van zoëven.
Als gedoopten behoren ze namelijk helemaal bij de gemeente, zitten onder verkondiging, lied en gebed, vieren in sommige gemeentes ook het avondmaal mee, maar tegelijk zijn ze nog op weg naar een meer volwassen geloof. Ze zijn ergens ‘binnen’, maar jeugdig ‘binnen’ is nog geen volwassen ‘binnen’, zo weten we uit bittere ervaring.2 Daarvoor is een beslissing nodig. Niet alleen het afleggen van het christelijk geloof vraagt een beslissing, maar ook de aanvaarding is een heuse stap. Van een kinderlijk, via een jeugdig naar een volwassen geloof.
Een echte stap, die soms haast doet denken aan de stap, die iemand zet om werkelijk van buiten binnen te komen.
Moeten
In de gesprekken over een thema als samenwonen merk je keer op keer dat ‘binnen’ nog geen ‘binnen’ is. Dat maakt de gesprekken over het ‘item’ zelf er niet gemakkelijker op. Want wat begin je met argumenten uit de bijbel, als je (jonge) gesprekspartner ‘die bijbel’ ervaart als een boek van lang geleden. Of bij elke tekst met zijn eigen uitleg komt, die toevallig ook nog eens als een lineaal langs zijn eigen leven past. Of dat hij het gewoon ‘anders’ ziet. Of de bijbel ervaart als een moeilijk boek met veel geboden, allerminst sluitend bovendien - want waar staat dat eigenlijk in de bijbel, dat je moet trouwen en niet mag samenwonen?
Steeds weer zal het zoeken zijn naar de ingang om tot een werkelijk gesprek van hart tot hart te komen.
Maar laat ik ditmaal op die laatste vraag nog iets breder ingaan, omdat die ons brengt bij de omgang met de bijbel. Die woordjes ‘moeten’ en ‘niet mogen’ verraden iets van de kijk van zo’n jongere op de kerk. Voor hem zal het een club zijn, waar je vooral van alles moet en niet mag, omdat je van de bijbel ook ‘niks’ mag. Kortom veel gebod en weinig God, zodat geloven door menige tiener wordt ervaren als een ‘moeten’ en ‘niet mogen’.
Maaltijd
Daar kom je maar op één manier uit en dat is op het moment dat je de Heer zelf in het evangelie ontmoet.
Pas dan gaat de bedekking van het gelaat van een mens (2 Corinthe 3:15-18) en zijn de geboden en grenzen niet langer een beknotting, maar een weg waarop je voor struikelen wordt bewaard.3 Ik herinner me nog een gesprek van een paar jaar terug, waarin iemand vertelde dat ze een soort omslag in denken had doorgemaakt en meer en meer was gaan inzien, hoe heilzaam de aanwijzingen van God zijn. En zo’n pasbekeerde, waar ik het artikel mee begon, zul je in zijn eerste liefde al helemaal niet horen over ‘moeten’ en ‘niet mogen’.
Die heeft als geen ander door, dat de aanwijzingen van God een mens goed doen.
Als je merkt in een gesprek, dat de ander het evangelie zo in de sfeer van het ‘moeten’ en ‘niet mogen’ trekt, dan is het bijna zeker dat hij of zij nog niet echt de Heer in het evangelie heeft ontmoet. Ondanks jaren van kerkgang zit er ergens nog een deur in het slot, misschien wel de voordeur.
Waarbij de Heer aanklopt en een mens voor de keus staat om open te doen (Openbaring 3:20) of andersom (Mattheüs 7:7) - dat doet er nu even niet zoveel toe. In Openbaring blijkt zelfs, dat de Heer uit is op een maaltijd - Hij met ons en wij met Hem.
Eigenlijk wel een heel aardig beeld, waarin je de omslag van zonet nog weer een keer terugziet. Want aan tafel blijven zitten is voor een jongere vaak ‘omdat het moet’, terwijl het een paar jaar later - samen met vriendeneen groot genoegen is, zonder ook maar iets van ‘moeten’.
Neventinten
Van hieruit wil ik nog iets inzoomen op het bijbels getuigenis en dan in het bijzonder op de geboden. Ik kwam een stukje verder bij die steile woorden van God, toen ik merkte dat er neventinten zijn te ontdekken in de bijbelse geboden. Ze zijn daardoor zoveel meer dan alleen een kaal ‘moeten’ of ‘niet mogen’. Dat is te merken, als je zo’n gebod binnenstapt. Opvallend vaak stuit je op een uitnodigende trek, die in zo’n gebod meekomt. Bijvoorbeeld als Jezus zegt: ‘volg mij’, dan is dat gebiedende wijs (dus gebod), maar tegelijk vol van uitnodiging. Weer heel anders zijn de geboden, die de tint van een belofte hebben meegekregen.
Bijvoorbeeld ‘gij dan zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is’. Alleen die twee al, uitnodiging en belofte, zijn hartelijke helpers om de bijbelse geboden weg te houden bij het kale ‘moeten’. En misschien zijn er nog wel meer. Het lijkt me iets om voor ogen te houden in onze gesprekken met en over jongeren binnen de gemeente. Zodat we naar jongeren toe ook niet met een mager ‘moeten’ komen, waar noch uitnodiging noch belofte aan te ontdekken valt.
Eenzaam heden
Iemand schreef me in reactie op de eerste twee artikelen dat ‘jongeren zich vooral druk maken om het heden - dat te overzien is - en niet nadenken over de toekomst die ongrijpbaar is’.
Heeft de jeugd nog wel toekomst, zou je bijna kunnen zeggen. Dat zou ons als christelijke gemeente toch moeten prikkelen om te zoeken naar een gesprek over de lange lijnen van het evangelie, waar heilzame beloftes liggen, nabij en ver. Omdat een mens nu eenmaal niet bedoeld is om te leven op de smalle en eenzame strook van het hier en nu, ten diepste zonder veel perspectief. En dat diep in zijn hart waarschijnlijk zelf ook wel voelt.
Wee ons, als we op zo’n jongere generatie afgaan met het kale ‘moeten’ en ‘niet mogen’. Maar misschien dat we eerst zelf nog weer onder de indruk moeten komen van dat uitnodigende en beloftevolle van het evangelie, om vervolgens verrijkt de boer op te gaan.
Boeket of bloem
‘Waar staat in de bijbel, dat je moet trouwen en niet mag samenwonen?’ Dat was de vraag van zoëven, waarbij ik vooral doorging op dat ‘moeterige’.
Nu het begin van die vraag: waar staat dat in de bijbel? Daarover kun je kort zijn: dat vind je nergens in de bijbel zo kras en kort omschreven.
Natuurlijk kun je wel wat verder komen door de verschillende bijbelse noties bij elkaar in één vaas te zetten - als een boeket bewijsplaatsen. Maar toch ben je er ook dan nog niet. Want de ander zal het wel moeten aanpakken en die behoefte is opvallend gering.
Misschien wel omdat onze jongere tijdgenoten zo’n boeket bewijsteksten teveel als een sluitend betoog ervaren en daar zijn ze als gevoelsmensen anno 2000 niet zo van onder de indruk.
‘Ik voel dat gewoon anders’, krijg je dan te horen en daar ga je met je boeket.
We zullen het daarom moeten zoeken in een opener omgang met de bijbelse gegevens. Geen boeket, maar bloem voor bloem. Misschien is het nog niet zo gek om eens te vragen welke indruk een woord uit Genesis 2:24 (daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten, etc.) op hem of haar maakt.
Zeker als je ziet dat Jezus dat woord van achter een lange geschiedenis van polygamie en andere akeligheden weer te voorschijn roept (Marcus 10:1-12).
Of is iemand als Boaz niet een man om jaloers op te worden? En niet te vergeten Ruth, wat een gave vrouw!
De bijbelgedeelten worden op die manier niet in stelling gebracht als bewijsplaats voor het huwelijk of als wapen tegen samenwonen, maar als een hartelijke uitnodiging - zou dit voor jou niet een levensstijl kunnen zijn, waar je alleen maar beter van kunt worden? Dat is een uitnodigende omgang met de bijbel, waar nog eens toekomst in zit ook. Open naar de ander, die zo de mogelijkheid krijgt om zelf met dat Woord aan de gang te gaan. Open ook naar God, die met zijn Geest door zo’n bijbelwoord in de ander kan werken. Of is dit allemaal te mooi om waar te zijn?
Gebed
Terugkijkend op discussies en gesprekken over huwelijk en samenwonen moet ik zeggen, dat de verleiding steeds weer groot is (althans voor mij) om de weg in te slaan van de stevige discussie en het krachtige argument.
Ik heb zelf meer dan eens langs die weg het gesprek met de ander gezocht.
Of was een volgend moment bezig met het schrijven van een zo overtuigend mogelijk kerkelijk stuk. Los van het feit, dat het rendement van zulke ijver in onze tijd van veel gevoel en weinig argument wel eens gering zou kunnen zijn, is er nog iets.
Zou ons werk misschien ook zo weinig uitwerking hebben, vanwege overmoedige trekjes in onze omgang met de Schrift. Dat we wel eens even zullen laten zien wat de Bijbel over huwelijk en samenwonen zegt, of zoiets.
Ben je op zulke momenten niet teveel in eigen (denk)kracht bezig, is dan de vraag.
Het alternatief voor overmoed is het gebed, waarbij je je kracht juist in God zoekt (vgl. het slot van psalm 19).
Het gebed, dat bij ons traditiegetrouw nog wel eens wil blijven steken in de opening of de afsluiting van een gesprek of vergadering. Dat zou wel eens te weinig kunnen zijn, misschien voor God, maar zeker voor ons zelf.
Meer gebed, dat is naast een verlangen naar een kerk die meer stroomt en een poging tot een minder massieve omgang met de bijbel, de oogst van dit vierde en laatste artikel uit de rij.
Noten:
1. De tekst is van Huub Oosterhuis en de melodie van Antoine Oomen. Het lied is ook te vinden in de onlangs verschenen Evangelische Liedbundel; Zoetermeer, 1999.
2. Dat motief - van ‘binnen’ naar ‘binnen’ - herken je in de gang van de beide zonen uit de gelijkenis (Lucas 15). Vergelijk ook de zeer sprekende titel van het boek van Henri Nouwen: Eindelijk thuis.
3. Ik denk hierbij aan psalm 119, direct al in vers 2: ‘Welzalig zij, die zijn getuigenissen bewaren, die Hem van ganser harte zoeken’. De Schrift is dus de (vreugde)bode, die je bij de Heer zelf brengt.