Ouderen in de kerk
2000-08-04
Op een kerkenraadsvergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerk in Utrecht heb ik een korte inleiding mogen houden over enkele problemen die verband houden met de vergrijzing van de bevolking van onze gemeente.- Jaargang 44
- nummer 16
Omdat wellicht andere kerken zich in deze problematiek herkennen volgt hier een iets aangepaste versie van mijn verhaal.
De kern van het beleid
Ik heb mijn analyse van het ouderenbeleid in onze kerk vooral willen bezien vanuit de zorgvraag van de ouderen.
De toenemende zorgvraag heeft uiteraard te maken met de vergrijzing en vraagt om een specifiek zorgaanbod.
In mijn beschouwing speelt heel sterk de opvatting door dat ouderenbeleid in de kerk toch ook onderdeel is van het totale ouderenbeleid in onze samenleving.
Hoe kunnen de predikant, de ouderling, de bijbelkring en allerlei andere verbanden inspelen op de zorgvragen van ouderen? En welke rol mogen de ouderen nog in de gemeente spelen?
Bij nadere beschouwing kan men bij deze problematiek twee vragen onderscheiden. De eerste en meest belangrijke vraag luidt: Wat is nu de echte zorgvraag van ouderen?
Waaraan hebben zij behoefte? In ouderlingenbezoek of liever een bezoek van een contactzuster waar men vertrouwelijk mee kan praten?
Praten over de kerk of over de kleinkinderen?
De andere vraag is: Hoe kan de kerk in deze zorgvraag voorzien? Of anders gezegd: Hoe kan het zorgaanbod zodanig georganiseerd worden dat de gemeente in de zorgvraag van de ouderen kan voorzien?
In het ouderenbeleid zal op beide vragen een antwoord moeten worden gegeven, waarbij bedacht moet worden dat de zorgvrager de vraag bepaalt naar zorg en niet de zorgaanbieder.
Met welke edele bedoelingen hij ook moge komen. Voor een kerk en voor de kerkleden liggen hier grote kansen.
Ook in het verleden zijn kerken vaak actief geweest bij het vorm geven aan georganiseerde hulpverlening aan ouderen en gehandicapte mensen.
Wel moet uitdrukkelijk worden gesteld dat predikanten, ouderlingen en diakenen geen ziekenverzorgers zijn of bejaardenhulp. Daarvoor zijn zij niet opgeleid.
In het vervolg bij opmerkingen over de mantelzorg kom ik hierop nog nader terug.
Enkele ontwikkelingen
Het is reeds gezegd dat wij leven in een samenleving die steeds meer vergrijst.
Bij zowel mannen als vrouwen neemt de levensverwachting toe, zij het ook dat deze toename bij vrouwen wat minder is dan bij mannen.
Op papier en volgens de wet heeft ieder in ons land recht op zorg. Alleen niet in dezelfde mate. Nu is het zorgveld zo ingewikkeld dat het vaak moeilijk is om het recht op zorg geëffectueerd te krijgen. Soms moet de rechter er aan te pas komen om duidelijk te maken hoe de zorgvrager zijn recht kan krijgen. Zo hebben onderzoekingen aangetoond dat hoger opgeleide zorgvragers meer kans zien om hun zorgvraag vervuld te zien dan minder opgeleiden. En dat komt lang niet altijd doordat zij over meer geld beschikken. Maar wel dat men wat handiger is om door bureaucratische rompslomp heen te komen. Men moet vaak vele en moeilijke formulieren invullen. Ik denk dat in het moderne diaconaat voldoende kennis aanwezig moet zijn om het recht op zorg van de oudere broeders en zusters te realiseren.
Er is nog veel onkunde wat betreft de mogelijkheden om in de zorgvraag te voorzien.
Een belangrijke ontwikkeling is ook dat door het Nederlandse pensioensysteem de beschikbare koopkracht bij veel ouderen is toegenomen waardoor de strikte diaconale zorg vaak minder nodig is. Een uiterst belangrijke ontwikkeling in de zorg is dat gestreefd wordt naar "zorg op maat", de zgn.
flexibilisering van de zorg. De zorgvrager heeft vaak een hele specifieke zorgvraag. Hij vraagt niet om algehele verzorging in een verpleegtehuis, maar om bijvoorbeeld alleen maar om gewassen te worden en zijn kamers schoon te houden. Dit betekent dat de zorg steeds meer verschuift van intramurale naar extramurale zorg.
Het beste tehuis is voor de oudere mens heel dikwijls zijn eigen vertrouwde omgeving. Praktisch gesproken betekent dat dat de thuiszorg een steeds grotere betekenis krijgt.
Indien ik een typering van het ouderenbeleid moet geven dan denk ik dat ouderenbeleid in de kerk a.h.w. in twee compartimenten uiteenvalt.
Een belangrijk deel van het ouderenbeleid kan men zien als een sociaal beleid. Een beleid dat erop gericht is de ouderen zo lang mogelijk actief lid te doen en laten zijn van de kerkgemeenschap.
Het andere deel van het beleid richt zich meer op concrete zorgvraag.
Ik noem wat voorbeelden. Het boodschappen doen voor iemand die niet zo goed ter been is. Of het samen gaan winkelen om nodige inkopen te doen.
Mantelzorg
Men zou met enig recht van spreken het ouderenbeleid kunnen rangschikken onder de mantelzorg. In het verleden zag men de mantelzorg vooral als een kwestie van de familie: zorg die op vrijwillige basis door familieleden wordt verleend. In de meeste gevallen diende de mantelzorg om de ziekenverzorgenden, thuiszorgers en bejaardenhulpen een handje te helpen.
Organisatorisch is een mantelzorger een vrijwilliger die dit ziet als een onbetaald beroep. Maar wel een beroep met rechten en verplichtingen.
Inmiddels weten we wel dat het in de zorg om meer gaat dan wassen, eten en kleden. Vandaar dat men geluiden hoort om het begrip mantelzorg een bredere betekenis te geven. Immers in de loop van zijn leven is de mens allerlei relaties aangegaan en heeft hij in meer verbanden geleefd dan alleen maar in familieverband.
Elk mens heeft in zijn leven een netwerk opgebouwd en dit netwerk kan ook als vangnet functioneren.
En als bij het klimmen der jaren de band met de familie minder wordt ontstaat er des te meer de noodzaak dat de kerkgemeenschap een netwerk en vangnet is voor de ouderen onder ons. Ouderen die toch steeds eenzamer worden. In de moderne visie heeft de zorgvragende een netwerk nodig dat veelal door vrijwilligers wordt ingevuld en opgevuld. En waarom zouden dit alleen maar familieleden moet zijn?
Structuurelementen in de zorg voor ouderen
Deze bredere betekenis van de zorg voor ouderen sluit aan bij onderzoekingen over het karakter van de zorgvraag bij oudere mensen. Het blijkt namelijk dat bijna zonder uitzondering de zorg van ouderen vooral te maken hebben met de volgende aspecten: De oudere is bang
- voor verlies van autonomie en waardigheid, heeft vrees voor dementie
- steeds meer met pijn te maken te krijgen waardoor allerlei activiteiten niet meer goed mogelijk zijn
- steeds eenzamer te worden
- dat de zorg niet op tijd beschikbaar is, als die nodig is Juist deze vier elementen komen samen in de vraag hoe de terminale begeleiding zal zijn als men zelf niet meer in staat is om beslissingen te nemen. Uitzicht op een goede terminale begeleiding wordt door ouderen als een geruststelling ervaren. Dat men uiteindelijk waardig op weg kan gaan naar het einde. Want dat beleven de ouderen vooral. Zij zijn op weg naar het einde van hun leven.
Enkele waarden
Zorg heeft alles met waarden te maken.
Een goed zorgbeleid, dus ook een goed seniorenbeleid kan niet zonder erkenning van waarden in de zorg. Ik noem de meest belangrijke waarbij ik erop reken dat het mantelzorger-kerklid in zijn relatie met de oudere mens zelf wel concrete inhoud aan deze waarden zal geven.
In elke zorgrelatie moet sprake zijn van:
- respect voor de mens die geschapen is naar Gods beeld en die zelfs op hoge leeftijd nog beelddrager mag en kan zijn;
- zorgvuldigheid in de omgang met de oudere mens die tenslotte niet altijd in de klas van de zorgaanbieder heeft gezeten
- het geven geborgenheid in de ontmoeting
Conclusie
Wat betekent nu een verantwoord seniorenbeleid?
Een goed ouderenbeleid wordt gekenmerkt door het volgende:
- luisteren naar en in waarde laten van de oudere mens
- indien de oudere mens dit wil contact met anderen regelen
- respect hebben voor hun autonomie en niet blijven aandringen
- inzicht hebben in de regeling van mantelzorg in relatie met de thuiszorg
- veel gebed voor onze oudere broeders en zusters
- geloven dat de Here Zijn zorg speciaal uitstrekt tot de dementerende broeders en zusters die nog slechts liederen uit het verre verleden kennen.