Een neef in Hoogeveen
2000-06-23
Als je het Centraal Station in Amsterdam uitkomt zie je recht voor je aan de overkant van het plein het Victoriahotel uit 1888. De lange voorgevel vertoont een merkwaardige onderbreking in de vorm van een ouderwetse souvenirwinkel, bestaande uit twee samengetrokken huisjes, die zijn blijven staan van vóór de bouw van het grote hotel. Als bewijs van de standvastigheid van de huiseigenaars die hun bezit slechts wilden verkopen tegen exorbitant hoge bedragen? Of van de onverwachte laconiekheid van de hotelbouwer die er zoveel niet voor over had?- Jaargang 44
- nummer 13
’Goed, dan bouw ik er wel omheen’.
Voor Thomas Rosenboom vormde het de aanleiding tot het schrijven van zijn derde roman, Publieke werken. Een boek waarmee hij mijns inziens volkomen terecht op 17 mei de grote Librisliteratuurprijs gekregen heeft. Die prijs, groot f 100.000 is merkwaardig genoeg precies het bedrag dat de eigenaars in het boek samen voor hun huizen vragen. (Overigens was dat bedrag in die tijd meer dan het tienvoudige waard van een ton nu).
Vioolbouwer
Het is geen echte historische roman, in die zin dat precies verteld wordt wat er in die tijd gebeurd is.
Rosenboom heeft de gegevens alleen gebruikt om er zijn eigen verhaal van te maken. Anders dan de historische bewoner van het pand Prins Hendrikkade 46 is de eigenaar bij Rosenboom de vioolbouwer Vedder. Een boeiende figuur. Hij heeft zich weten op te werken van meubelmaker tot vioolbouwer, weliswaar niet één van topklasse, maar toch. In de steek gelaten door zijn vrouw bewoont hij op zijn eentje het smalle huis met op de benedenverdieping de werkplaats en op zolder de keuken. Tegen de eenzaamheid geeft hij zijn vaderlijke gevoelens ruimte door de zorg voor Theo, een vondeling die door een ander echtpaar in huis genomen is.
Meer nog dan aan zijn dagelijks werk ontleent Vedder zijn zelfrespect aan de krantenartikeltjes waarin hij zijn ideeën ventileert over alles wat met ‘publieke werken’ te maken heeft; meestal zijn ze gericht tegen de verantwoordelijke gemeentelijke instanties, want die kiezen altijd de verkeerde locaties voor de openbare gebouwen. Hij publiceert ze onder een vast pseudoniem, wat in die tijd gebruikelijk was.
Uitgerekend zìjn huis moet wijken voor het te bouwen reusachtige Victoriahotel. Op een ideale locatie, namelijk recht tegenover het sta tion, dat daar overigens volgens Vedder nooit had mogen komen. Het is het begin van zijn gevecht met de grote Henkenhaf om de prijs van zijn huis en dat van zijn buurman.
Hun vraagprijs staat in geen verhouding tot de waarde van de huizen; in een opwelling heeft Vedder het bedrag zo maar genoemd. Het zijn de omstandigheden die hem op den duur dwingen eraan vast te houden.
Apotheker Anijs
Aanvankelijk volkomen los van Vedders geschiedenis is er een tweede verhaallijn. Om en om krijgen de twee verhalen een hoofdstuk toebedeeld.
Het tweede is gesitueerd in Hoogeveen, waar Vedders neef Anijs apotheker is. Deze is met zijn vele openbare functies een kleurrijk figuur en een geliefd gelegenheidsspreker.
Anijs heeft een warm hart, hij trekt zich het lot aan van de door en door arme arbeiders in de turf die niet geduld worden in Hoogeveen zelf, maar wonen in hun zelfgemaakte plaggenhutten in het Veld, door de stichters Elim genoemd.
Grauw is hun leven dat nauwelijks die naam waard is. Verstoken van medische hulp – Amshoff, de officiële armendokter zet geen prestaties tegenover het honorarium dat hij ervoor ontvangt – worden ze opgevangen door de apotheker, die zelf niet eens over een echt diploma beschikt. In een achtergelaten doktersjas van Amshoff treedt hij in het Veld op als arts: stelt zijn diagnoses en verstrekt medicijnen; verricht puncties en helpt bij een gruwelijke bevalling. Bij een algemene ‘medicatie’ belooft hij de Veldelingen, meegesleept door zijn eigen redeneertalent meer dan hij waar kan maken: hun verheffing, hun ‘uitleiding’.
En op dat punt komen de twee verhaallijnen samen.
Het bedrag dat Anijs nodig heeft om zijn arme turfstekers te redden komt namelijk exact overeen met de prijs die Vedder voor zijn huis denkt te krijgen. Vanaf het moment dat de neven tot die ontdekking komen, gaan ze zich samen sterk maken voor de ‘uitleiding’, als één man in twee werkzame gedaantes.
Groot inlevingsvermogen
Vedder en Anijs zijn de tragische hoofdfiguren van de roman. Ze bedoelen het allebei goed, maar hun overmoed is te groot; ze grijpen boven hun macht, laten zich meeslepen door hun ideeën en als daar dan nog allerlei omstandigheden en gebeurtenissen van buitenaf bijkomen, die hen klem zetten en waar ze machteloos tegenover staan, gaan ze hun ondergang tegemoet. Tot die omstandigheden behoren de kwijnende economie van Drente, de verantwoordelijkheid die Vedder voelt voor de ernstige ziekte van zijn buurvrouw en de verwijdering tussen hem en Theo. Je maakt het allemaal mee, want Rosenbooms inlevingsvermogen is groot. Je gelooft in de figuren die hij neerzet en raakt betrokken bij hun levens. Het gaat je aan het hart dat ze steeds verder alleen komen te staan en in hun goede bedoelingen niet begrepen worden. Terwijl zeker Anijs beter verdient. En je hebt de neiging Vedder zo nu en dan af te remmen en op het goede spoor te zetten.
Ook de bijfiguren zijn levensecht getekend.
Vooral de vrouw van de apotheker, Martha, blijft in je herinnering, tragisch en vereenzaamd als ze is.
Door haar huwelijk is ze het contact met haar gelijken kwijt geraakt; haar onvruchtbaarheid compenseert ze met haar liefde voor de tienjarige Klein Pet, uit het Veld, nog een figuur die met veel liefde geschetst is.
Onstuitbare fantasie De fantasie van Rosenboom is onstuitbaar; hij sleept je mee van de ene gebeurtenis naar de andere en het zijn er veel.
Daarnaast schrijft hij ook met veel kennis van zaken. Hij moet zich geweldig ingewerkt hebben in de wereld van de vioolbouwer; van een apotheker in een plattelandsgemeente in de negentiende eeuw die zich behalve met het samenstellen van medicijnen ook bezig houdt met het maken van vuurwerk en likeur. 1) En dan met name van deze apotheker die ook nog gemeenteraadslid is, voorzitter van de Vereniging voor Volksgezondheid, regisseur van de toneelvoorstellingen waar hij zelf soms de hoofdrol in speelt, en zo voort. De schrijver kent het werk van de turfgravers, weet van de locale situatie in Hoogeveen 120 jaar geleden en verwerkt bijzonderheden van het Amsterdamse leven, waarin nog zoveel ooievaars voorkomen dat ze zich kunnen doodvliegen in een overdekte vismarkt.
Knappe verteltechniek Ik heb grote bewondering voor de verteltechniek van Rosenboom.
Het perspectief ligt afwisselend bij Vedder en bij Anijs. Via hen leer je de andere verhaalfiguren kennen. Het vertekende beeld dat je daardoor krijgt van Theo, van onderhandelaar Ebert en van Anijs’ jonge collega Halink doorzie je moeiteloos.
De beschrijvingen zijn levendig, het verhaal is spannend. Terwijl Vedder er zelf van overtuigd is dat hij met zijn huis een sterke troef in handen heeft tegenover de grote Henkenshaf, weet je als lezer al bij voorbaat dat hij zijn huis niet zal kunnen verkopen – het staat er immers tot vandaag toe. En toch weet de schrijver je nieuwsgierigheid vast te houden. Telkens gebeuren er op cruciale momenten onverwachte gebeurtenissen: als Anijs stiekem medicijnen uitdeelt, komt dokter Amshof er aan; en op het moment dat hij zijn apothekerserkenning vervangt door zijn brandmeestersdiploma, komt de burgemeester zijn winkel binnen.
Sterke eenheid
De roman vertoont een sterke eenheid: allerlei gebeurtenissen en nevenintriges versterken de hoofdhandeling en voeren tegelijkertijd de spanning op; zoals de reparatie van de dure Syde-viool en de rol die de verre Amerikaanse neef Al Vedder speelt. Bij de veelheid van gebeurtenissen zijn er maar enkele draadjes die los blijven. Heel de roman door heeft alles met alles te maken; voorvallen worden zorgvuldig voorbereid: De bijenkorf die Anijs’ ongeluk veroorzaakt, wordt al in de proloog vermeld en de hele roman door kom je hem diverse malen tegen.
Ook op een andere manier is er eenheid: Begin en eind van de roman, de proloog en de epiloog hangen nauw samen. Ze dragen als titel Elim en Amerika. Elim (in Drente) is genoemd naar de oase waarin Israël verbleef tijdens de woestijntocht en Amerika wordt hier als het Beloofde Land gezien. Daarmee is het verhaal tot eenheid gesmeed en heeft het religieuze proporties aangenomen.
Want de emigratie van de mensen uit het Veld naar Amerika ziet Anijs als een uitleiding. De afspraken met de Veldelingen noemt hij een verbond; daarom gaat hij niet zelf mee: Mozes bleef toch ook in de woestijn achter. De leider van de turfstekers, Bennemin, vervorming van Benjamin, is jood door geboorte. In Drente heeft hij zijn geloof vaarwel gezegd, in de epiloog vertelt hij trots dat hij de wetsrol in de synagoge in New York weer heeft mogen opheffen en vertonen.
Taal
Aan één aspect ben ik totnogtoe voorbijgegaan.
Dat is de taal waarin het boek geschreven is. En die is toch wel heel opvallend.
Woordgebruik en zinsbouw liggen namelijk dichter bij de tijd waarin de roman speelt dan waarin hij geschreven is.
Het stoort niet, integendeel, het brengt die tijd dichterbij. Al kom je wel eens een woord tegen dat je met geen mogelijkheid thuis kunt brengen. Wie van beeldend taalgebruik houdt, komt zeker niet te kort, Rosenbooms vergelijkingen zijn origineel, hij gebruikt mooie metaforen, passend bij de situatie.
Alleen wat minder uitweidingen hier en daar had mijns inziens wel gemogen.
Wat een mooi boek! Een boek waarmee je kunt demonstreren hoe een roman hoort te zijn. 2) En de goede afloop met de mierzoete slotpagina dan? Die neemt de lezergraag in ontvangst als beloning voor zijn meeleven.
N.a.v. Thomas Rosenboom, Publieke werken. Amsterdam 1999. 488 pagina’s. f. 47,50
1) De Hoogeveense apotheker die als model gediend heeft voor Anijs was Christoffer Radijs (1825 – 1899). Zie A. Aalders, Apotheek Radijs, voor een gezond Hoogeveen. Hoogeveen, 1992
2) Een Opbouw-artikel is te kort om dat aan te tonen. Er is een avond mee te vullen. Overigens, Rosenbooms vorige boek Gewassen vlees vond ik te onsmakelijk om uit te lezen.
Thomas Rosenboom 1956, Doetinchem.
Opgegroeid in Arnhem in een rooms-katholiek milieu.
Studie psychologie en Nederlands.
Werk:
1983 De mensen thuis, verhalen 1986 Vriend van verdienste, roman 1994 Gewassen vlees, roman. Librisprijs 1995 1999 Publieke werken, roman Librisprijs 2000