Dromer

2000-06-23
  • Jaargang 44
  • nummer 13
Loop ik de docentenkamer binnen, komen er twee collega’s op me af.
Ernstige blikken, vragende ogen en na de eerste zin hoor ik een rare ondertoon.
Ze vragen me of het waar is dat ik toestemming heb gegeven voor de start van een gebedsgroep.
Ze vragen hoe de besluitvormingsprocedure is geweest.
Of ik het wel aan de identiteitcommissie heb gemeld.
Ik luister.
Ik kijk naar een stukje eiersalade dat van haar broodje druipt. Mijn collega vraagt of ik me realiseer dat het bewuste groepje leerlingen ook al brieven aan alle klassen heeft gestuurd.

Dat groepje… Wie is het geheime groepje brievenschrijvende godsdienstwaanzinnigen?
Het is een groepje leerlingen uit verschillende klassen.
Ze zijn een jaar of 17, 18 oud. Bijna allemaal lid van een kerk of groep. Het zijn actieve jonge christenen.
Sommigen zitten in mijn opleiding, anderen ken ik van gezicht. Sommigen zijn medewerker op de alphacursus en ik ken er ook een van opwekking ’99.
Ze kwamen drie weken terug aan mijn bureau.
Of ze in een pauze een lokaal mogen gebruiken voor een gebedsgroep.
Een soort bidstond voor onze school. Om met elkaar te bidden voor zieke leerlingen en overspannen leraren.
Om te bidden voor docenten die geen orde kunnen houden en leerlingen die het moeilijk hebben.
Ik hoor hen aan.
Ik zie hun oprechte blik, hun hoopvol vragende ogen en vriendelijke ondertoon.
Ze laten mij een bijbeltekst uit Jacobus 5 zien; "het gebed van een rechtvaardige vermag veel".
Ze vertellen dat deze tekst hun uitgangspunt is. Ze willen hun groep klein houden, maar willen er wel bekendheid aan geven. Iedereen die mee wil bidden is welkom.
Ik realiseer me dat deze jongelui ronduit voor hun geloof uitkomen. Ik had daar bijna twee maal 17 jaar voor nodig.

Ja, dat groepje ken ik dus wel.
Terwijl ik naar mijn beide collega’s luister, realiseer ik me dat ik bizarre gedachten krijg.
Wij werken op een christelijke school en twee collega’s raken van de leg als er leerlingen gaan bidden.
Het gesprek wordt vervelend.
Ik betrap mezelf erop dat ik geprikkeld raak, geïrriteerd.
In plaats dat ik mijn collega met de liefde van mijn Heer beantwoord, spreek ik vanuit mijn gekrenkte gevoel.
Als ze mij vragen of ik me realiseer dat er misschien wel geëvangeliseerd zou kunnen worden door die jongelui, haal ik mijn schouders op.
Mijn collega vervolgt haar verontwaardiging met "Ze smijten zelfs met bijbelteksten."
Vervolgens vragen ze me of ik me realiseer dat ik nu ook de deur open gezet heb voor elke sektarische bijeenkomst die er maar zou kunnen zijn.
Ik zeg dat ik me dat niet realiseer en dat ik me er geen zorgen over maak.

Ik buk. Ik haal de klodder eiersalade van mijn schoen.
Ze mompelt een excuus en ik zeg dat het niet erg is.
Ik hervind me en zeg: "Ik denk dat jullie het belangrijk vinden dat dergelijke initiatieven zorgvuldig begeleid moeten worden om het zo integer mogelijk te behandelen."
Dat wordt ijverig bevestigd.
Nog voordat ze aanvullende eisen definiëren zeg ik ze toe dat ik met de grootst mogelijke zorg het initiatief zal begeleiden.

Ik besluit dan ook ‘s avonds in bed voor alle betrokkenen te bidden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief