Ideaal en werkelijkheid

2000-08-18
  • Jaargang 44
  • nummer 17
In Kontekstueel wordt een briefwisseling gepubliceerd tussen Leneke Marchand, bijna afgestudeerd theologe uit Utrecht, en Nelly Boot, sinds een paar jaar (N.H.) predikant in Axel. In het mei-nummer staat aflevering 3 van deze serie.
Leneke Marchand is intussen begonnen aan haar vicariaat (een soort stage) in Zierikzee. En dan ontdekt zij de spanning tussen de idealen die ze (soms haast onbewust) met zich meedraagt, en de concrete werkelijkheid zoals ze die ontmoet in het leven van alledag. Ze noemt een paar voorbeelden van zulke idealen: Een pastoraal gesprek gaat (ook) over God, de kerkenraadsleden hebben een duidelijke visie op de gemeente, de gemeente is er voor de wereld en niet voor haarzelf.
Maar de realiteit is: Pastorale gesprekken gaan over de kleinkinderen, de kerkenraadsleden doen hun werk gewoon omdat het gedaan moet worden, en de gemeente is druk bezig haar monumentale kerkgebouw in stand te houden.
En dan natuurlijk de kritische vraag: hoe ga je daar nou mee om? Of, in de heel herkenbare formulering van Leneke Marchand: leg ik me te gemakkelijk bij de feiten neer? Moet je niet veel compromislozer en radicaler zijn? Ze vermeldt een gesprek met een predikant uit de kring van het Evangelisch Werkverband, die vertelde hoe hij in de gemeente omging met ethische kwesties als homosexualiteit en echtscheiding, compromisloos en radicaal. Hij gaf toe dat hij daarbij wel op de nodige weerstand stuitte, maar dat droeg hij dapper.
En ze vervolgt dan: Al koester ik enerzijds een groot wantrouwen tegen dergelijke houdingen (ze komen me zo eigenwijs en een beetje drammerig over, en ik vraag me ook af of zo'n werkwijze puur tactisch gezien wel zo verstandig is), anderzijds spreken ze ook mijn schuldgevoel aan.
Leg ik me te gemakkelijk neer bij de dingen zoals ze gaan, moet ik niet radicaler zijn, mensen duidelijk vanuit de bijbel toespreken in plaats van gezellig mee te praten over de kleinkinderen?
En terwijl ik me voorstel hoe ik dat dan zou doen, voel ik me al ongemakkelijk worden, hetwelk m'n geweten dan weer doet spreken; zie je wel, je bent gewoon bang voor weerstand en confrontatie!
Oef, weer die kloof tussen ideaal en werkelijkheid waar we het eerder over hadden.
Het heeft natuurlijk voor een groot deel te maken met je gemeentevisie.
Wat verwacht je van de gemeente, hoe ligt bijvoorbeeld de verhouding tussen kerkelijkheid en geloof? Ik zie nu voor het eerst de verleiding die er ligt in enerzijds de evangelische visie, die ervan uitgaat dat de gemeente bestaat uit allemaal bewuste gelovigen, en anderzijds de visie die je vindt aan de bevindelijke rechterkant (excusez het etiketje) van de kerk, waar men uitgaat van een groep ware gelovigen binnen de gemeente, die ook als zodanig geïdentificeerd en aangesproken kunnen worden (naar men meent).
Dan is het namelijk wel duidelijk allemaal!
De identiteit van de gemeente of van de individuele gelovigen staat vast, en bij die identiteit kun je vervolgens insteken. En toch, ik heb het gevoel dat ik die kant niet uit mag.
Daarvoor ligt de gedachte van de volkskerk, waar de schare, rijp en groen, in vergaderd is, me te na aan het hart. () Wat betreft de persoon van de Heilige Geest, ik ben () veel meer open gaan staan voor de charismatische nadruk op zijn aanwezigheid en werk in de gemeente, en vooral in het pastoraat (innerlijke heelwording e.d.). Ik heb het idee dat we wat dat betreft nog veel te weinig van God verwachten en vragen.
Maar hoe de Heilige Geest in de gemeente als geheel werkt, waar geloof en ongeloof hand in hand gaan ... verwacht ik te weinig als ik denk dat dit toch vooral verborgen is? Tijdens m’n vicariaat ben ik weer veel meer gaan zien in de kruistheologie: God is onder de schijn van het tegendeel aanwezig.
Tegelijk heb ik het gevoel dat je je er met zo'n uitspraak wat gemakkelijk van af maakt als het aankomt op de praktische kanten van de gemeenteopbouw.
Sussen we onszelf hiermee niet in slaap?
Er valt heel wat te herkennen in dit verhaal. Domineezijn heeft iets van pendelen tussen het profetische en het priesterlijke, tussen ideaal en werkelijkheid, norm en persoon, preek en pastoraat.
En dat roept onvermijdelijk spanning en vragen op. Schuif je op naar de ene kant, dan trekt onmiddellijk de andere.
Ik moet denken aan het woord van de Prediker over niet te rechtvaardig en te wijs zijn, maar ook niet te zeer goddeloos en dwaas. Hou beide in de gaten, zegt hij, en dan: "Want hij die God vreest ontkomt aan dit alles" (Prediker 7:15-18). God vrezen, als klein mens leven in relatie met Hem, de grote God: zo zullen we onze weg moeten vinden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief