Is het christelijk geloof religieuze kletskoek?

2000-09-01
  • Jaargang 44
  • nummer 18
Bovenstaande vraag, en andere vragen rondom religie en spiritualiteit, kwamen vorig najaar aan de orde in de Volkskrant1. Ze vormden het onderwerp van een discussie die begonnen was met een column van de bekende Amerika-deskundige Maarten van Rossem. In zijn column toonde Maarten van Rossem zich teleurgesteld in al diegenen die hun leven niet uitsluitend baseren op het wetenschappelijk beeld van de wereld. De moderne wetenschap biedt volgens hem een oneindig veel interessanter, complexer en meer open wereldbeeld dan welke godsdienst ook. Godsdienst is in zijn ogen dan ook 'religieus obscurantisme'2 en het christelijk geloof 'religieuze kletskoek'.

Toenemende mystiek
Volgens één van de reacties op de column van Van Rossem, bedoelt de columnist eigenlijk dat een wetenschappelijk wereldbeeld onverenigbaar is met welke godsdienst dan ook. Een ander schreef dat de wetenschap voldoet waar het gaat om stoffelijke zaken, maar geen raad weet met het niet-stoffelijke.
In weer een andere reactie werd juist gesteld dat de beweringen van Van Rossem de betreffende schrijver uit het hart gegrepen waren. Deze persoon beweerde dat één van de problemen van onze tijd 'de toenemende mystiek' is. 'De verworvenheden van de Verlichting worden overboord gezet, het gezonde verstand raakt verloren en we gaan geleidelijk terug naar de Middeleeuwen'.
Vooral sinds de Renaissance en de Verlichting staan wetenschap en religie met elkaar op gespannen voet.
Het lijkt wel of religie zich stil moet houden, juist wanneer de wetenschap spreekt. Andersom mag de wetenschap wél het terrein van de religie beheersen. Enkele aspecten van dit opvallende verschijnsel zullen in dit artikel aan de orde komen. Allereerst zullen we nagaan waar geloof en wetenschap zich op (horen te) richten.
Vervolgens zullen enkele achtergronden van het conflict tussen geloof en wetenschap aan de orde gesteld worden.
Als laatste proberen we te zoeken naar een mogelijkheid om beide met elkaar in harmonie te laten zijn.

'Hoe' tegenover 'zin'
Als we het hebben over wetenschap, dan hebben we het over verklaren, doorzichtig maken. Met de wetenschap proberen we de wereld om ons heen te begrijpen. De wereld om ons heen kan concreet, tastbaar zijn. De concrete wereld wordt bijvoorbeeld onderzocht door wetenschappen als natuurkunde of biologie.
Daarnaast bevat de te onderzoeken wereld ook abstracte, niet-tastbare, zaken. We kunnen bijvoorbeeld denken aan onze taal of aan het gedrag van mensen; zaken die onderzocht worden door de taalwetenschappen respectievelijk de gedragswetenschappen.
De kennis over al deze terreinen wordt gezocht omdat we het gewoon interessant vinden of om er iets mee te gaan doen, om het toe te passen.
Met wetenschap houden we ons eigenlijk bezig met het hoe van de werkelijkheid om zo onze werkelijkheid te proberen doorgronden.
Wanneer we spreken over geloven, gaat het meer over datgene dat de verklaring overstijgt. Bij geloof hebben we het over de grote vragen van ons bestaan: waar komen we vandaan?
waarom zijn we hier? waar gaan we heen? Ons geloof, van welke vorm of inhoud dan ook, vormt bij deze en andere vragen het vaste punt van waaruit we een antwoord proberen te zoeken. Om een voorbeeld te nemen: wie is de mens? Is de mens het product van een op het toeval gebaseerd evolutionair proces? Of zijn we bewust gewild door God? Vormt bij de bevestiging van de eerste vraag het geloof in de natuur (-wetenschap) het vaste punt; bij de bevestiging van de tweede vraag is het geloof in God het vaste punt. Kortom, geloof richt zich op de oorsprong, het bestaan en de bestemming van onze werkelijkheid om zo te zoeken naar de zin van onze werkelijkheid (zie Rom. 11: 36 en Hebr.11: 3). Geloof en wetenschap zijn dus beide menselijke activiteiten die echter naar hun aard en richting verschillend zijn. Wat geloof is, in tegenstelling tot wetenschap, komt heel treffend tot uiting in Hebreeën 11: 1: "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet". Dit sluit echter de samenhang tussen geloof en wetenschap niet uit.

Conflict
Het conflict tussen geloof en wetenschap is eigenlijk al zo oud als de wetenschap zelf. Wat dat betreft is de discussie rondom de column van Maarten van Rossem niet nieuw.
Befaamd is de discussie tussen Galileï en de rooms-katholieke kerk in de eerste helft van de zeventiende eeuw over de vraag of de zon om de aarde draait of de aarde om de zon. Onder druk van de Inquisitie heeft Galileï zijn eigen antwoord - het juiste 'de aarde draait om de zon' - moeten inslikken. Hier had de kerk (ik gebruik hier bewust niet het woord 'geloof') het nog gewonnen van de wetenschap.
Daar bleek uit dat het werkelijkheidsbeeld ontleend aan de zin van de werkelijkheid belangrijker werd geacht dan het zoeken naar het hoe van de werkelijkheid. De zin bepaalde hoe je zou moeten denken over de feiten (hoe <– zin). Maar nu, zoals we al opmerkten, zijn de rollen omgedraaid. In 't Westen heeft niet langer het geloof het eerste en het laatste woord, maar de wetenschap.
Het liefst ook nog de natuurwetenschappen.
Wat is de oorzaak van dit conflict?
De belangrijkste oorzaak van het conflict tussen geloof en wetenschap is m.i. het door elkaar halen van het hoe en de zin van de werkelijkheid.
Voor sommigen is het zoeken naar het hoe van de dingen al zo bevredigend dat ze aan de zinvraag niet meer toekomen (hoe = zin). De opvatting van Maarten van Rossem is hiervan een voorbeeld.
Eigenlijk een variant van de vorige is de gedachte dat door het doorgronden van het hoe de zin ontdekt kan worden (hoe –> zin). Dit vinden we in zekere zin terug bij de Britse natuurkundige Stephen Hawking. Hij beweert dat met het opstellen van één, alles verklarende fysische theorie iedereen kan deelnemen aan de discussie waarom wij en het heelal bestaan. 'Wanneer we het antwoord op die vraag kennen is dat de bekroning van het menselijk verstandwant dan kennen we de geest van God'.3 De grootste 'fout' die bij de bovenstaande beweringen gemaakt wordt, is dat de zin van de werkelijkheid op één of andere wijze aan dezelfde werkelijkheid ontleend wordt. Hierdoor kunnen zaken die zich aan de 'grens' van onze werkelijkheid bevinden, zoals de oorsprong en de bestemming van alle dingen, per definitie niet aan de orde komen.
Ook de vraag naar de betekenis van ons leven kan dan bijvoorbeeld alleen beantwoord worden vanuit de plaats van ons leven in de natuur of in onze omgeving. Deze wijze van redeneren noemen we ook wel het 'gesloten wereldbeeld'; 'gesloten' omdat het geen rekening houdt met een beantwoording van de zinsvraag buiten de voor ons waarneembare (en doordenkbare!) werkelijkheid om.

Bewijzen
Naast het feit dat hoe en zin door elkaar gehaald worden bij het conflict tussen geloof en wetenschap, speelt er nog iets anders mee bij het gegeven dat geloof in onze tijd door velen als 'kletskoek' of 'mystiek' wordt gezien.'Kletskoek' en 'mystiek' hebben als gemeenschappelijk kenmerk het gebrek aan bewijs. Dat is dan ook impliciet het verwijt aan het adres van hen die geloven: het (christelijk) geloof is ongeloofwaardig juist vanwege het gebrek aan bewijs. Resultaten van wetenschappelijk onderzoek en de wetenschap zèlf worden geaccepteerd wegens de aanwezigheid van bewijs.
Laten we even stilstaan bij het begrip 'bewijs'.
In de wetenschap is de acceptatie (of verwerping) van een theorie gebaseerd op de bewijslast. De bewijzen moeten de theorie aannemelijk maken waardoor de theorie geaccepteerd en gangbaar kan worden. De fysicus Van den Beukel maakte de vergelijking met juridisch bewijs.4 De officier van justitie probeert middels feiten en verklaringen van getuigen (de 'bewijzen') de schuld van de verdachte aannemelijk te maken voor de rechter. De advocaat doet het omgekeerde: met 'bewijzen' de onschuld van de verdachte aannemelijk maken. Het oordeel van de rechter is uiteindelijk gebaseerd op de mate van acceptatie en de weging van de diverse bewijzen en bevat daarmee natuurlijk ook een subjectief element; wat voor de ene rechter geldt als 'bewezen geacht' hoeft voor de andere rechter (nog) niet zo te zijn.
De wetenschap werkt in wezen net zo. Voor 'het forum van ter zake deskundigen' (de wetenschappers dus) moeten bewijzen verzameld worden om een theorie al dan niet aannemelijk te laten zijn. Het oordeel over de aannemelijkheid bevat ook hier een subjectief element, een persoonlijke keuze dus. Het zal de lezer vermoedelijk wel duidelijk zijn waar ik naar toe wil: geloven op basis van de aannemelijkheid van 'bewijzen' is uiteindelijke (mede) gebaseerd op een keuze.
Dus als beweerd wordt dat de wetenschap aannemelijker is dan het christelijk geloof - als we al akkoord zouden kunnen gaan met de vergelijking van principieel onvergelijkbare grootheden -, is daar een persoonlijke keuze aan voorafgegaan en geen 'wetenschappelijke' weging van 'bewijzen'.

Verwijzing en aanvulling
We keren terug naar de verhouding tussen hoe en zin. We hebben in het begin kunnen lezen dat de tegenstelling tussen geloof en wetenschap begint met (het creëren van) een tegenstelling tussen hoe en zin van de werkelijkheid. Het gevolg is een spanning die we voelen wanneer de wetenschap zich begeeft op het terrein van het geloof en omgekeerd.
De oplossing zullen we moeten zoeken in een verwijzing en evt. aanvulling in de verhouding tussen geloof en wetenschap. Hierbij verwijzen hoe en zin naar elkaar (hoe <––> zin) en kan bijvoorbeeld de zingeving (het geloof) een ingang en normatief kader vormen bij wetenschappelijk onderzoek. Integratie van geloof en wetenschap is dus mogelijk indien we uit geloof en tot geloof wetenschap beoefenen. Ter illustratie noem ik de presentatie van de 'kladversie' van de 'kaart' van het menselijk genoom.
President Clinton had het bij de presentatie van de resultaten van vele jaren noeste wetenschappelijke arbeid onder meer over de 'doorgronding van de taal van de schepping'. Zo werd op bijna speelse wijze verwezen naar Degene bij Wie onze wortels liggen, waarmee het besef van en verwondering over het geschapen zijn fraai onder woorden gebracht werd.
Als we op deze manier kijken naar (het bedrijven van) wetenschap en ons tegelijk bewust zijn van de grenzen van de wetenschap, zijn we in staat de wetenschap minder als een bedreiging voor de religie te zien.
Tenslotte een citaat uit het eerste hoofdstuk van de brief van Paulus aan de Romeinen (vss. 20-25). Let u met name op de gecursiveerde delen; het eerste gecursiveerde deel zouden we kunnen opvatten als een bijbelse definitie van wetenschap en het tweede als een waarschuwing als we wetenschap niet zo zien: "Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart.
Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren […]. Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen."

Noten:
1) De Volkskrant, 28-9 en 9-10-1999
2) obscurantisme is het bewust onwetend houden van mensen
3) Stephen Hawking, Het heelal.
Amsterdam: Ooievaar Pockethouse, 1995.
4) A. van den Beukel, De dingen hebben hun geheim - gedachten over natuurkunde, mens en God. Baarn: Ten Have, 1991.

Aanbevolen literatuur, m.n. voor jongeren: A. J. van Vliet (red.): Christendom onwijs?! - 15 wetenschappers over God, geloof en wetenschap. Kampen: Kok Voorhoeve, 1996.
Vragen of reacties kunt u sturen naar Sander Dekker. Zijn e-mail adres is: sander.dekker@wolmail.nl

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief