Dromer
2000-09-01
Vorige week begon het schoolse leven weer.- Jaargang 44
- nummer 18
Onze zomervakantie viel wat laat dit jaar en nog even en het is alweer herfstvakantie.
Je hoort mij niet klagen.
Een nieuwe lichting eerstejaars kwam opdraven en als docent denk je elk jaar dat ze weer jonger zijn dan vorig jaar.
Zo’n opmerking zegt waarschijnlijk meer over mijzelf dan over hen.
Het betekent ook dat sommige van deze leerlingen voor het eerst een christelijke school van binnen zien.
Ik sprak bij de intake jongeren die hierover zeiden: ‘Ik vind het niet erg hoor, om op een christelijke school te zitten.’ Fascinerende opmerking: Ik vind het niet erg…
Als je doorpraat met zo’n jongere hoor je vaak: ‘Ik heb er geen last van, je merkt er toch niets van. Alleen met kerst en zo, maar dat is niet verplicht.
Sommige lui in de klas zijn wel heel streng opgevoed en moeten naar de kerk. Ze vinden dat zelf ook stom, maar moeten dat van hun ouders. Mijn vriend is ook gelovig en daar merk je het ook niet aan. (-daar-heb-je-ook-geen-last-van.) Iedere keer als ik dergelijke verhaaltjes hoor word ik een beetje verdrietig.
Dat wordt nog een beetje erger als leerlingen bij ons les gaan krijgen over allerlei ethische onderwerpen.
Bij een aantal vakken moeten leerlingen nogal wat discussiëren. Leren discussiëren is voor een aantal al vrij moeilijk, maar daarnaast blijkt het een enorme opgave te zijn om met christelijke medeleerlingen te moeten discussiëren.
Bijvoorbeeld bij het vak Levo (fantastische nieuwe naam voor Godsdienst: levensbeschouwelijke vorming) wordt er bijzondere schade aangericht. Niets ten nadele van mijn integere collega die dit allemaal in goede banen probeert te leiden.
Ook de christelijke leerlingen zie ik als oprechte jongelui. Ze bedoelen het ongetwijfeld goed.
Maar leerlingen die niet christelijk zijn komen nogal eens hun beklag doen. Zij geven vaak op niet mis te verstane wijze aan hoe ergerlijk veel christelijke leerlingen discussiëren.
Ik hoor dan de verschrikkelijkste dingen.
‘Op de een of andere manier willen die lui altijd gelijk hebben en ze respecteren je helemaal niet!’ ‘Het ergst,’ zeggen ze dan, ‘zijn christelijke leerlingen die gereformeerd zijn of zoiets. Die lui maken ook zo’n ongelofelijke ruzie met andere christelijke leerlingen!! Echt dromer, ik zweer je, volgens mij is daar helemaal niets christelijks meer aan!’
Het gebeurt ook in mijn eigen lessen.
Christelijke leerlingen, voor mij gewoon lieve jonge broeders en zusters, die ongelofelijk botte en kwetsende opmerkingen maken en vervolgens een blik opzetten alsof het Hemelse Gelijk aan hun kant is.
Laatst zei een meisje doodernstig dat het krijgen van gehandicapte kinderen een straf van God is. Klasgenootje boos, woedend, en later in tranen, zij had een ernstig gehandicapt zusje. Volgend lesuur.
Meisje legt uit dat ze op zondag niet wil zwemmen in het zwembad, maar wel in een recreatieplas. Een christelijke klasgenoot vult braaf aan: ‘Ja, maar dan moet daar geen toezicht zijn, anders geldt het niet.’ Talloze voorbeelden kan ik aanhalen. En elke keer weer blijkt een aantal zeer uitgesproken christelijke leerlingen hun primaire reactie te koppelen aan een onuitstaanbaar arrogant of kortzichtig optreden.
Voorbeelden die in de ogen van niet christelijke leerlingen een gedrocht van het christelijk geloof maken.
Voorbeelden die mij telkens weer doen afvragen: ‘Van wie hebben die christelijke leerlingen die praat toch?’