Ouderen in de kerk
2000-09-01
Met belangstelling en instemming heb ik het stuk van Dr J.G. Knol in ons blad Opbouw nr 16 van 4 augustus gelezen. Tijdens dit lezen en daarna, kwam een volgend probleem, dat zijdelings verband houdt met de vergrijzing, mij voor de geest. Het lijkt mij nuttig om hier wat over te schrijven, omdat er heel wat kerken onder ons zijn die met dezelfde problemen van doen hebben.- Jaargang 44
- nummer 18
De kern van het probleem
De kern van het probleem is de visie op onze Christelijke vrijheid. Immers, als Christus u vrijgemaakt heeft, zult u waarlijk vrij zijn. En zegt de apostel het niet zo ongeveer: ‘Waarom zou ik deze door Christus verkregen vrijheid door eens anders geweten laten beoordelen?’ Ja alles is mij in die Christelijke vrijheid geoorloofd! 0 ja?
Dacht u dat? Zegt diezelfde apostel dan verder niet: ‘Maar alle dingen stichten, (dat is) bouwen niet’ Zij bouwen niet in geloof en liefde tot elkaar, en daarmee ook niet aan de Kerk! Laat daarom de hele gemeente, zowel predikant, ouderling, ja heel de kerkenraad met de gemeente in zijn geheel zich realiseren, dat wij een gemeente op weg zijn. Géén voorlopers en géén achterblijvers dus. Wát we doen, en wáár wij gaan, steeds moet het zijn: samen met alle heiligen.
Want bij alle vernieuwingen en welke ontwikkelingen er ook zijn in de gemeente van Jezus Christus -de gemeente is niet van ons- vraagt onze oplettendheid om daarmee de vijand niet in de kaart te spelen. De hele gemeente kan niet genoeg op haar hoede zijn.
Enkele voorbeelden
Ik zie in de kerk een bejaarde zuster zitten. Trouwe kerkgangster als zij is, kan zij verschillende liederen niet meer meezingen. O ja, wanneer het gaat om de aloude psalmen, die kent ze uit het hoofd en zingt ze ruimhartig mee. En zij is ook niet tegen vernieuwing, als het maar sticht. Dan doet zij haar gezicht tegen het gezicht van die zuster naast haar, om toch maar iets van inhoud en melodie op te vangen. Een broeder vindt het oefenen van een opwekkingslied aan het begin van de eredienst zo storend, dat dit ten koste moet gaan van de eerbied, en de gemeente het al haperend meezingt. Weer anderen blijven zitten in de samenkomst, die voor hen eigenlijk vreemd begint te worden door te veel opeenvolgende veranderingen.
Zij nemen hun verdriet hierom maar op de koop toe, om de dienst niet te verstoren. Zo missen zij ook de zegen.
Er zijn ook leden, die na afloop van de dienst aan hun medebroeders en zusters hun kritiek spuien, waardoor zowel van hen als van de aangesprokene de zegen wegebt. U begrijpt het al: ‘Alles is geoorloofd maar niet alles sticht!’
Dat moet ons een zorg zijn!
Ja, het moet ons, dat is de gehele gemeente een zorg zijn Zowel kerkenraad als gemeenteleden behoren levende stenen te zijn, en elkaar als zodanig ook te beoordelen met betrekking tot inhoud en vrucht van de prediking, daarbij bedenkend dat de gemeente het eigendom van de Here is. Hij bouwt haar, terwijl wij, op de plaats die God ons in de gemeente geeft, medearbeiders of stenen mogen zijn. Bouwers aan het huis Gods. En alles wat niet bouwt of sticht, is ondanks ons vrij zijn door Christus niet goed. De gemeente is de schaapskudde van de Here Christus.
Bedenk daarbij ook dat die kudde vóórttrekt en stilstand óók niet goed is. Christus' schapen zijn niet allen gelijk. Het mag niet zo zijn dat jonge schapen de oudere verdringen, maar ook andersom mogen de oudere schapen ook geen jonge schapen verdringen.
Wij allen samen zijn de kudde van de Heer, de Kerk is onderweg. En hebben wij nog kritiek of verdriet over de gang van zaken, laten wij dit met de ouderling- of predikant bespreken. Maar laat alle ding in Christus’ gemeente tot opbouw, eerlijk en met orde geschieden.