Over de kloof (1)

2000-09-15
  • Jaargang 44
  • nummer 19
Rond dit 19e nummer van Opbouw heb je het verschijnsel van de startzondag.
Veel kerkelijk werk is seizoensgebonden (geworden) en wacht na een zomersluimering op een fris ontwaken in de maand september. Kringen kiezen hun nieuwe thema’s, in de catechese worden de lijnen uitgezet, het jeugdwerk begint weer, de eerste pastorale bezoeken worden gepland.
Je gaat er weer fris tegenaan ...

Maar soms kan een verlammend gevoel je bekruipen, zo vlak voor een nieuw seizoen. Omdat je in een flits terugdenkt aan een catechisant, van wie je in het vorige seizoen diep in je hart wel eens hoopte, dat hij die avond niet zou komen opdagen.
Simpel omdat het zonder hem altijd zoveel beter liep. Of als nieuw gekozen ouderling zie je weer de naam van een niet onvriendelijke, maar onbereikbare randkerkelijke op je lijst. In een eerdere ambts-periode kon je ook jaar na jaar van hem horen, dat de kerk prima was, maar dat het bij hem zonder ook heel goed liep. En een gesprek? Nou ja, als de ouderling dat persé wilde! Mijmer je dan nóg even verder over degenen, die in de afgelopen paar jaar weg zijn gegaan bij de gemeente en wat daar tegenover staat - die echte binnenkomers uit het ‘niets’. Dan lijkt zo’n startzondag veelbelovend tegen beter weten in. En daarachter zie je jezelf weer staan bij gesloten deuren of bezig in moeizame gesprekken. In een drietal artikelen hoop ik iets te laten zien van nieuwe mogelijkheden en een evangelie dat niet voor één gat te vangen is.

Kloof in meervoud
Het zijn symptomen van één en dezelfde moeite. Of je het nu hebt over de volgende generatie, die je noch boos, noch blij krijgt met het evangelie.
Of ook de andere kant, als je ziet dat je niet- christelijke vrienden en bekenden allerminst zitten te wachten op kerk en bijbel. Tijdens de EOconferentie van drie jaar geleden ging het precies over dit verschijnsel van ‘De boodschap en de kloof’. Die kloof duikt overal op, je ziet hem tussen de generaties, tussen mij en de buren, je moet er overheen als je zapt van de ene naar de andere zender, hij loopt door de nacht van zondag op maandag, langs de randen van de gemeente.
Maar hij loopt ook door tot in de gespletenheid van je eigen hart, je gebeden en persoonlijke lezing van het evangelie. Ja ook daar, tot in ons eigen binnenste, zie je de barsten lopen. En piekerend over een onbereikbare catechisant of een randkerkelijke van jaren, ontkom je niet aan de vraag of je zélf nu wel zo uit één stuk christen bent. Of hoe het staat met de betrokkenheid, de gastvrijheid en de toewijding van de gemeente als geheel, onderling en naar buiten. En hoe kijken wij met de ogen van ons hart naar die onbereikbare anderdie onverschillige, die lastpak of die gepiercde en gekleurde snoeshaan?
Kortom, is onze christelijke (gemeentelijke) houding wel voldoende uitnodigend, warm en open?

Nog niet christen
Ik las in de afgelopen weken drie boeiende boeken. Heel verschillend, maar alle drie hebben ze op één of andere manier iets van doen met de boodschap en de kloof. In geen van de drie vind je het ei van Columbus, maar in elk krijg je het idee dat je als christen (en als gemeente) meer mogelijkheden hebt dan je op het eerste gezicht zou denken - als het gaat om onze tijdgenoten binnen en buiten de gemeente.
Het eerste boek is van een jonge Amerikaan, Kevin Graham Ford. Hij was nauwelijks de dertig gepasseerd, toen hij een boek schreef onder de titel ‘Jezus voor een nieuwe generatie’.
Eigenlijk is het begin van zijn boek al illustratief voor zijn benadering.
Hij schrijft, dat hij het liever heeft over ‘nog-niet-christenen’ dan over ‘niet christenen’. Waarom? Niet omdat hij zo naïef is te denken dat al die tijdgenoten, die hij als ‘nog niet christen’ typeert, ook werkelijk christen zullen worden. Maar wel omdat je alleen al door de toevoeging van dat ene woordje ‘nog’, anders gaat kijken naar je catechisant, een randkerkelijke of een klasgenoot. Meer bewust bezig met de vraag hoe je mee zou kunnen helpen om deze mensen hun bestemming in Jezus Christus te doen vinden, zo schrijft Ford. Ik vond het voor mezelf al een hele stap vooruit, toen ik me realiseerde dat ik naar een mens mag kijken door de ogen van God de Schepper. Zelfs een verlopen zwerver met ‘s ochtends al zijn eerste biertje of die verslaafde hoer met haar kind in de catacomben van Hoog-Catharijne - ze zijn geschapen naar het beeld van God! Als je zo naar een mens kijkt voel je de pijn, omdat die ander zo afsteekt bij zo’n wondermooie typering. Ford gaat nog een stap verder en laat je mensen zien met de ogen van God, die verlost. Zij is ‘nog geen christen’, zegt Ford. Als je die benadering van hem overneemt, is er bij die zwerver en die hoer nog niets veranderd, maar bij jezelf des te meer.

Boomers en Busters
Kevin Ford schreef zijn boek met de eigen generatie voor ogen, de generatie die geboren is in de zestiger en zeventiger jaren. Het is de generatie van de ‘Baby Busters’ (baby eb), zoals ze wel genoemd worden of ook de generatie-X of patatgeneratie. Ford zet deze tweede generatie van na de tweede wereldoorlog aan tegen de eerste, de Boomers. (baby vloed), vaak zelfs de ouders van de Busters.
Wat is er te zeggen van deze jongvolwassene van tussen de 15 en 35? Ford komt met een weinig optimistische schets. Als kind zijn ze opgegroeid in vaak kleine gezinnen, met ouders die niet zelden beiden een drukke baan buitenshuis hadden. Kwamen ze zo relationeel al het één en ander te kort, voor menigeen kwam daardoor het toegenomen aantal echtscheidingen - nog een thuis in tweevoud overheen. Het resultaat is een generatie, die zich vroeg leerde redden met de sleutel om de nek, met weinig richtingsgevoel vanwege de antiautoritaire opvoeding en met een diepe weerzin tegen de ambities van de bomergeneratie. De Busters hebben lak aan hun overdrukke ouders, iets wat ze onderstrepen met gewaagde piercings, geringe ambities en gevaarlijke hobby’s. Als het gaat om het materiële kun je rustig zeggen, dat er geen generatie in de wereld(geschiedenis) opgroeide in zo grote luxe als de generatie van de Busters. Materieel gezien kon het niet beter, maar juist dat geeft hen het beklemmende gevoel, dat het met de welvaart wel eens snel gedaan zou kunnen zijn. Ze hebben gezien hoe hun Boomer-ouders met hun grote idealen aan de wereldproblematiek van milieu, bewapening en voedselverdeling nauwelijks iets ten goede hebben kunnen veranderen. Op wereldschaal hebben Busters dan ook geen illusies en leven ze als mensen zonder veel toekomst. Het lijkt maar het beste om je terug te trekken in het kleinschalige hier en nu om er in het leven van alledag iets aardigs van te maken. Ford schrijft dan ook, dat zijn generatie zoekt te overleven door zich onder te dompelen in het entertainment met de korte spanningsboog, niet te veel na te denken en vooral niet alleen te zijn.
Ford heeft in zijn boek zijn analyses vervlochten met de gereconstrueerde levensverhalen van een aantal van zulke jongeren. Dat maakt zijn boek heel levensecht en concreet, waardoor je de pijn en machteloosheid van deze generatie verscherpt voelt. Een zelfmoord van een relationeel verwaarloosde broer en een jonge vrouw, die ten onder dreigt te gaan aan Boulimia, dat zegt minstens zoveel als een grondige analyse. Dat komt je begrip en liefde voor deze jongeren ten goede.

Gesloten?
Ik ben dus een Boomer, zo dacht ik bij het lezen van het boek. Ik herken ook wat Ford schrijft, dat Boomers in de vragen van geloof en ongeloof iets konden (en kunnen) met mensen als Francis Schaeffer en C.S.Lewis.
Denkend en argumenterend brachten ze mij en vele anderen bij de krachtige waarheid van het evangelie. Zulke denkers konden voor de Boomers ook een eerste overtuigende prikkel zijn om een weg in te slaan, die uitmondde in een hartelijk christelijk geloof.
Maar - zo schrijft Ford - deze apologeten van het christelijk geloof bereiken de Busters niet. Al zou je honderd keer (objectief) bewijzen dat Jezus is opgestaan, dan kun je nog horen: ‘fijn dat jij er wat mee kunt, maar ik heb er niets mee’. Voor een logische redenering en een krachtige argumentatie gaat de deur bij een Buster niet van het slot. ‘Ik voel dat anders’, krijg je doodleuk te horen. Zulke reacties herinner ik me ook uit de afgelopen jaren van catechese en pastoraat.
Toch hoeft dat helemaal geen teken te zijn van geslotenheid voor het evangelie uit desinteresse of onwil, maar eerder een signaal van ‘je klopt op een deur, die bij mij (nog) niet open gaat’. Ik schrijf expres ‘nog niet’, want Ford zegt dat schrijvers als Lewis en Schaeffer in een later stadium wel degelijk bruikbaar kunnen zijn voor de Busters. Maar je krijgt ze er niet mee over de drempel van geloof en ongeloof. Ik vond dat een heel leerzame notie uit het boek van deze jonge Amerikaan.

Ingangen
Hoe gaan de deuren dan wel van het slot, denk je vervolgens. Ford komt met drie punten. Hij stelt als eerste dat de Busters niet zitten te wachten op een christen, die zijn geloof bewijst, maar open kan worden voor christenen, van wie in hun leven te zien is dat ze christen zijn.
Evangelisatie moet trekken hebben van de incarnatie, zo stelt hij. Zoals Jezus onze wereld binnenging, zo moet het evangelie echt de levens van mensen ingaan en uitwerking hebben.
Het geloof moet werken, wil het voor een Buster overtuigend zijn - en niet alleen voor een Buster. In het boek vind je mooie voorbeelden van mensen, die getrokken worden door christenen, die zich onbaatzuchtig inzetten voor hun naaste (werk onder daklozen en verslaafden). Vervolgens stelt Ford dat evangelisatie richting de Bustergeneratie tijd vraagt en al gauw iets procesmatigs zal hebben. In echte vriendschappen bijvoorbeeld kunnen processen op gang komen, die de ander dichter bij God brengen.
Daar liggen ook kansen, want deze jongeren verlangen naar echte vriendschap en mensen op wie ze aankunnen. Mede omdat ze zo vaak teleurgesteld zijn in het relationele en op dit punt dus zeer gevoelig. Dat betekent ook dat je ze kwijt bent, zodra ze het idee krijgen dat de vriendschap middel tot evangelisatie is.
In de derde plaats legt Ford grote nadruk op het verhalende van de bijbel.
Evangelisatie zal een narratieve trek moet hebben. De boodschap is geen leer die uiteen wordt gezet, maar een verhaal, waarin de hoorder wordt meegenomen. Zoals Jezus de mensen meenam in zijn gelijkenissen en ze langs die weg uitnodigde tot de navolging.
Een volgende keer verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief