en de manier waarop God echt gediend wil worden (2)
2000-09-15
Waar doen we het eigenlijk nog voor, dat vasten? Daar sloten we het eerste deel mee af. Die vraag geeft God de kans Israëls zonde uit de doeken te doen. Kort samengevat komt zijn kritiek hierop neer: ze vasten wel, maar dat heeft verder geen enkele invloed op hun levenswijze. Met name hun optreden op het sociale en economische vlak blijft onveranderd.- Jaargang 44
- nummer 19
Er bestaat bij hen een waterscheiding tussen vroomheid enerzijds en het leven van elke dag anderzijds. Die twee schuiven langs elkaar heen zonder elkaar te beïnvloeden. Ondanks hun onmiskenbare vroomheid blijven ze dan ook hardvochtig en harteloos ten opzichte van de sociaal zwakkeren en hun ondergeschikten. Geld gaat bij hen vóór alles, zelfs op hun vastendagen.
Dat alles liegt er niet om. En u zult het wel met me eens zijn, dat het een kritiek is die eigenlijk alle eeuwen door op zijn plaats was en dat ook nu nog is. Altijd weer blijkt geld de grote drijfveer te zijn in het leven van massa’s mensen, ook van christenmensen.
Altijd weer blijkt dat mensen die met tranen van ontroering in hun ogen in de kerk psalmen en liederen zingen, in het leven van elke dag bikkelhard kunnen zijn in hun contacten met anderen, ook als dat hun broeders en zusters zijn, vooral als er geld op het spel staat. Hoe vaak hebben geldkwesties al niet tot hooglopende ruzies geleid tussen christenen onderling?
Bij Israël was dat ook het geval.
Al dat vrome vasten hield hen er niet van terug met elkaar overhoop te liggen, elkaar de huid vol te schelden en zelfs letterlijk met elkaar op de vuist te gaan. Denk niet, zegt de HERE, dat jullie met vasten onderbouwde gebeden dan tot Mij door kunnen dringen.
Geen sprake van. Ook al zijn die gebeden nog zo innig en al komen ze regelrecht uit jullie hart, toch is de hemel ervoor gesloten en bereiken ze Me niet (vgl. Spr. 28:9).
Het ware vasten
Het waarachtige vasten bestaat dan ook niet in het naleven van een voor iedereen zichtbaar ritueel, hoe oprecht dat ook gemeend mag zijn, maar in het in praktijk brengen van Gods geboden in het leven van elke dag, waarbij hier het volle accent gelegd wordt op de sociale en maatschappelijke kant van Gods gebod.
We mogen er rustig van uitgaan, dat het bij Israël dus met name op dit punt fout zat. En eigenlijk is dat niet zo verbazingwekkend, want op dit punt heeft het overal ter wereld altijd fout gezeten. Er worden verschillende voorbeelden van wantoestanden genoemd: arme broeders en zusters worden verdrukt en als slaven en slavinnen onder de duim gehouden.
Hongerigen sturen ze weg zonder hun iets te eten te geven, in daklozen zijn ze niet geïnteresseerd, arme sloebers in vodden laten ze in hun sop gaarkoken, terwijl het nota bene eigen broeders en zusters betreft, kinderen van één Vader. Herkent u het beeld van mensen die de hand op de knip houden, omdat ze alleen maar geïnteresseerd zijn in hun eigen voordeel?
Herkent u er misschien ook iets van uzelf in?
Uit een onderzoek in het laatste kwartaal van 1999 bleek, dat een gezin in onze Nederlandse welvaartsstaat gemiddeld fl. 220.– per jaar aan goede doelen geeft. Dat is bedroevend weinig. Als die Israëlitische profeet vandaag in Nederland kwam, zou hij hier de Nederlanders hetzelfde verwijt kunnen maken als indertijd zijn eigen volksgenoten. Ook dat is weer niet verbazingwekkend, want waar het marktdenken op de troon gezet is en allesbepalend geworden is, verdwijnen de armen en zwakken en weerlozen, van wie niets te plukken valt en die alleen maar geld kosten, uit het gezichtsveld. Het is niet toevallig, dat met name de zorgsector in onze huidige samenleving zo in de knoei is gekomen.
Godsdienstige knuffelbeesten
Als jullie aan dat alles nu eens een eind zouden maken, zegt de HERE, en weer aandacht zouden hebben voor armen en zwakken in jullie omgeving, dan zou dat een manier van vasten zijn, die mijn goedkeuring kan wegdragen.
De HERE zegt hier dus niet: je moet het ene soort vasten doen en het andere niet nalaten. Nee, Hij zegt: er is maar één soort vasten waar Ik iets in zie, nl. in het helpen en steunen van de armen en zwakken.
Het vasten dat de Israëlieten deden, spaarde hun wat voedsel en daarmee wat geld uit en spekte dus in feite hun eigen portemonnee. Bovendien probeerde men er iets voor zichzelf mee te verkrijgen van de HERE. In feite was heel dat ritueel dus nogal ik-gericht, georiënteerd op het eigenbelang.
Dat geldt overigens van bijna alle rituelen: ze zijn bedoeld om er zelf beter van te worden, om het eigen vrome gevoel te versterken. Het zijn om zo te zeggen godsdienstige knuffelbeesten. Maar van een vroomheid die alleen maar op eigenbelang gericht is en waarin de vrome mens zelf centraal staat, heb Ik een afkeer, zegt God. Daarom heb Ik ervoor gezorgd, dat jullie het gevoel hebben dat jullie vasten niets uithaalt. Ik haal de bezem door al dat soort godsdienstigheid.
Wat Ik zoek, is een vroomheid die geeft, die wegschenkt, die gericht is op de armen, zwakken en weerlozen in de maatschappij.
Als jullie zo vasten, gaat de HERE verder, zullen jullie het wonder van jullie levensontplooiing beleven. Zolang jullie gefixeerd blijven op jullie eigenbelang, zal jullie leven steriel en uitzichtloos zijn, omdat Ik dan mijn zegenende hand terughoudt. Maar zodra jullie aandacht zich op de armen en zwakken richt, breekt de hemel voor jullie open en wordt jullie leven gezegend. Want wie uitdeelt, houdt ruimschoots over (vgl. 2 Kon. 4:42-44), maar wie zijn hand op de knip houdt, heeft nooit genoeg.
Gods zegen
Gods zegen wordt onder verschillende beelden getekend, zoals het opkomen van het licht bij het aanbreken van een dag, het genezen van een wond en ook het beeld van Israëls tocht door de woestijn, toen de HERE in wolk- en vuurkolom hun voor- en achterhoede vormde (vgl. Jes. 52:12). Zo zal het dan zijn, zegt de HERE. Jullie heil, dat wil zeggen: jullie verlossing zal voor jullie uit gaan. Jullie verlossing zal de weg voor jullie plaveien.
Jullie hoeven je dan niet zelf moeizaam een weg te banen door dit leven. En mijn heerlijkheid, dat wil zeggen: Ik zelf in al mijn majesteit en luister, zal jullie achterhoede zijn, zodat jullie niet in de rug aangevallen kunnen worden. Dan zullen jullie niet langer tegen elkaar zeggen: de HERE luistert niet naar ons. Integendeel. Als jullie dan om hulp roepen, zal Ik antwoorden en zeggen: hier ben Ik.
Dat zal er gebeuren, als ze de armen en zwakken gaan behandelen zoals ze zelf behandeld zouden willen worden en – wordt daar nu nog aan toegevoegd – als ze ophouden een beschuldigende vinger naar elkaar uit te steken en kwaad te spreken over elkaar. Want ook dat is een groot kwaad. Binnen een gemeenschap waarin men elkaar over en weer beschuldigt en over elkaar roddelt, valt niet te leven.
Dat is niet de gemeenschap die de HERE voor ogen staat. Ook op dat punt zullen ze moeten veranderen.
Als ze dat doen, zal de HERE hen voortdurend leiden. Het beeld van de tocht door de woestijn wordt dus nog even vastgehouden. Die leiding houdt niet in, dat ze nooit meer door dorre streken zullen trekken. Het menselijk bestaan is nu eenmaal doorschoten met zulke stukken woestijn, waar leven onmogelijk lijkt. Dat is een gegeven waaraan niet te ontkomen valt. Maar als jullie daar doorheen moeten, zal Ik jullie volop te eten en te drinken geven, zodat jullie sterk en krachtig blijven. Dan zullen jullie zijn als een besproeide hof en als een nooit opdrogende bron.
Herbouwers
U moet er even op letten, dat er niet staat dat de HERE die dorre streken tot een tuin maakt, maar dat Hij het volk in zo’n tuin verandert. Dat maakt een wezenlijk verschil. Mogelijk vinden wij dat teleurstellend. Ik denk dat wij liever zagen, dat die dorre streken zelf veranderd werden in paradijselijke tuinen en dat het leven één onafgebroken pleziervaart werd. Maar dat belooft God hier niet. De woestijnen blijven woestijnen met alle daaraan verbonden moeiten en ongemakken.
Wat de HERE ons wel belooft, is dit, dat we zelf tijdens onze trektocht niet verdorren zullen en dat zijn leven dan in overvloedige mate in onszelf present zal zijn en blijven.
U hebt ongetwijfeld zulke mensen wel eens ontmoet, die middenin de ellende en in de kaalslag van hun bestaan die kracht van God uitstralen; mensen, die jij in hun ellende zou moeten troosten, maar bij wie je zelf getroost wordt. Dat belooft God: dat je zelfs in de woestijn een altijd borrelende bron blijft. Later zal Jezus zeggen: Ik ben degene die dat water schenkt. Wie ervan drinkt, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid (Joh. 4:14).
En ja, gelukkig zijn er ook situaties waaraan wel iets te verbeteren valt.
Aan woestijnen kun je weinig veranderen.
Daar moet je domweg doorheen.
Maar puinhopen kunnen weer opgebouwd worden, ook al zijn ze nog zo oud en liggen ze er al sinds mensenheugenis. Puinhopen hoeven geen puinhopen te blijven. Waar Gods zegen zijn werk kan doen, worden de puinhopen aangepakt en komt het leven weer vast op zijn fundamenten te staan. En dat is zo spectaculair, dat de bouwers er naar vernoemd zullen worden: herstellers van bressen en herbouwers van straten.
Het zijn woorden die duidelijk betrekking hebben op de herbouw van Jeruzalem na de babylonische ballingschap.
Maar daar zijn ze niet toe beperkt. Overal waar mensen zich bekeren van hun zelfzucht en van het najagen van hun eigenbelang, kunnen puinhopen opgeruimd en levens herbouwd worden. Dat geldt zelfs voor geseculariseerde kerken. Wat zou het mooi zijn, als er in die kerken weer een brede toewending tot God en tot Christus ontstond, zodat er aan de afbraak een eind kwam en er weer echt gebouwd kon worden.