Een geestelijk pantser
2000-09-15
In het vorige nummer van ‘Opbouw’ werd - aan de hand van een boek van Nancy Groom - het begrip ‘relationele gebondenheid’ geïntroduceerd.- Jaargang 44
- nummer 19
Mensen die relationeel gebonden zijn ontwikkelen (vaak van jongs af aan) strategieën om zichzelf emotioneel staande te houden in moeilijke situaties.
Ze bouwen een geestelijk pantser op om daarmee pijn te vermijden.
Een geestelijk pantser lijkt op de geestelijke wapenrusting die de apostel Paulus beschrijft. Toch leidt –anders dan de geestelijke wapenrusting - dit pantser juist tot ‘geestelijke steriliteit’.
Emoties worden weggestopt omdat ze als te bedreigend worden ervaren.
Op die manier handhaaft iemand een ‘witgekalkt christelijk beeld’ om zijn ‘geestelijke’ reputatie te beschermen (19). We gaan nu nader in op een aantal (mogelijke) kenmerken van relationeel gebonden mensen, zoals deze door Nancy Groom worden genoemd.
Slachtoffer
Een beeld dat we vaak tegenkomen is dat iemand voortdurend spreekt en schrijft in termen van dingen die hem of haar overkomen. Zo iemand kiest niet zelf, hij lijkt voortdurend slachtoffer te zijn van de omstandigheden en plaatst zichzelf daarmee in de slachtoffer-rol: het overkomt hem of haar en een eigen keuze is er niet bij.
‘Ik kan niet naar bijbelkring, want mijn man vindt dat ik op de kinderen moet passen.’ Nancy Groom ontkent niet dat mensen echt slachtoffer kunnen zijn. Een kind dat geen enkele weerstand heeft tegen de emotionele of fysieke druk van mishandelende ouders is inderdaad met huid en haar slachtoffer.
‘Seksueel misbruikte kinderen gaan geloven dat de deurknop zich altijd aan de buitenkant van de deur bevindt en dat zij binnen zijn zonder één enkel recht om grenzen te stellen’ (31). Toch benadrukt Groom de belemmerende kant van het jezelf altijd maar zien als slachtoffer. Ze noemt aan het slot van haar boek de –in haar ogen: dwangmatige- terugkeer naar deze rol als één van de meest hardnekkige problemen bij de behandeling van relationele gebondenheid (248). Die positie is vaak ikgericht: mensen zoeken naar waardering, bewondering en sympathie door pijn te lijden en door die pijn te etaleren.
Angst voor afwijzing
Als iemand zijn eigen grenzen niet kent en voortdurend afhankelijk is van het oordeel van anderen maakt hem dat bijzonder kwetsbaar. Vaak merk je dat niet direct. Nancy Groom beschrijft Andrea, een maatschappelijk werker die zich voor de volle 100% inzet voor mishandelde kinderen.
Iedereen beschouwt haar als een sterke vrouw met een enorme vitaliteit.
De rol van het hulpverlenen is haar op het lijf geschreven. Opvallend is echter dat ze niet goed overweg kan met mensen die geen hulp nodig hebben. ‘Elke vriend(in) die uiteindelijk sterk genoeg is geworden verliest Andrea’s vriendschap’ (38). Ze speelt dus de rol van hulpverlener, waarbij mensen haar waarderen vanwege haar inzet en deskundigheid. Als mensen zelf sterk zijn (geworden) en een eigen mening hebben vormen ze een bedreiging voor haar. Die mensen kijken niet meer tegen haar op, waardoor ze het gevoel heeft dat ze de controle over deze mensen verliest.
Mensen die zo afhankelijk zijn van het oordeel van anderen zijn in sociale contacten buitengewoon kwetsbaar.
Vrienden moeten onvoorwaardelijk alle verhalen geloven; alleen al een vragende blik kan de persoon helemaal van slag doen raken. ‘Hij mag me ook al niet, zie je wel dat ik helemaal niets voorstel?!?’ Omdat deze gedachte ondraaglijk is keert de agressie zich vervolgens vaak weer tegen degene van wie even geen bevestiging werd ontvangen. ‘Heb je dan helemaal niet door wat mij door de mensen uit die kerk allemaal is aangedaan?’ Daarmee is de cirkel rond: ik ben een slachtoffer, het is mij allemaal overkomen.
Verslaafd aan waardering
De keerzijde van de angst voor afwijzing is de enorme behoefte aan positieve waardering. Alle mensen hebben die behoefte, maar Nancy Groom benoemt relationeel gebonden mensen in dit verband als mensen die verslaafd zijn aan positieve waardering (ze noemt in dit verband het onsympathieke woord ‘adoratie-junks’). Ze leven als gijzelaars onder de meningen en oordelen die andere mensen hebben ten aanzien van hun gedachten, motieven, gevoelens en gedrag.
Steeds weer verwachten ze waardering en bevestiging. Zo’n leven is emotioneel ondraaglijk. Daarom nemen veel mensen hun toevlucht tot kortdurende momenten van (onechte) bevrijding, vaak in de wereld van alcohol, drugs, gokken en vrije seks.
Er zijn echter ook (in onze ogen) nette vormen van verslaving. Over zichzelf schrijft Groom: ‘Ik probeerde succes te hebben door super-religieus te zijn, vastbesloten om door mijn godvrezendheid en mijn wijsheid op mensen indruk te maken’ (208). Dat is even wennen: het idee dat iemand die laat zien hoe goed hij leeft als christen op eenzelfde manier met een verslaving te maken kan hebben als de mensen aan de zelfkant van de samenleving…..
Als we niet die waardering krijgen die we voor onszelf wensen vluchten we in een schijnwereld. Relationeel gebonden mensen gaan in hun eigen fantasieën geloven. Ze verzinnen ook allerlei verhalen over andere mensen.
Mensen zijn zwart of wit, goed of fout, voor- of tegenstander. Ook het beeld van God wordt aangetast (241).
Het gevolg is diepe eenzaamheid, omdat de fantasie onze verbondenheid met andere mensen in de weg staat. Door die eenzaamheid gaat de fantasie nog meer met ons op de loop, totdat we uiteindelijk geen kant meer uit kunnen.
Gedreven tot sociale actie
Opvallend in ‘Van moeten naar mogen’ is dat er zoveel personen voor het voetlicht komen tegen wie je geneigd bent op te kijken vanwege hun gedrevenheid en actie, zeker ook binnen de christelijke gemeente. Met die mensen is toch niets mis?
Relationeel gebonden mensen hebben, volgens Groom, vooral twee strategieën van macht tot hun beschikking: anderen redden en anderen voortdurend op de vingers kijken.
Altijd klaar staan voor de ander: dat is toch het toppunt van christelijk dienstbetoon? Nancy Groom zal niet ontkennen dat hulp aan de ander een zeer wezenlijke opdracht aan christenen is. Ze plaatst echter vraagtekens bij de manier waarop sommigen helpen.
Het komt wel liefdevol over, maar is het dat ook altijd? Redders kunnen de dwangmatige behoefte hebben om alle verantwoordelijkheden van de ander over te nemen.
‘Het lijkt of de identiteit van de redder verankerd ligt in zijn imago van redder (55).’ Daarmee is er dus sprake van relationele gebondenheid: je helpt niet voor zover de ander hulp nodig heeft, maar omdat er dan (weer) tegen jou opgekeken wordt als degene die altijd klaar staat en die de situatie meester is.
Controle en perfectionisme
Relationeel gebonden mensen hebben een sterke behoefte aan controle over de omgeving. Ze willen de zaken goed regelen, maar ook het gedrag van de mensen om hen heen moet helemaal (voor hen) voorspelbaar zijn.
Iedereen kent in zijn omgeving personen die er voortdurend op uit zijn de zaken te regelen. Binnen de opvoeding is dit voor een klein kind zondermeer noodzakelijk.
Er zijn echter ook ouders die zelfs voor hun volwassen kinderen nog proberen om van alles te regelen. Ze regelen dat hun zoon bij de buurman gaat helpen en dat hun dochter op tijd de huursubsidie aanvraagt. Een gezinstherapeut in de USA noemt dit regelende gedrag hét kenmerk van op schaamte baseerde gezinnen: het gezin moet voor de buitenwereld een voorbeeld zijn en dus mag er niets mis gaan.
Perfectionisme is een karaktertrek die met deze behoefte aan controle te maken heeft. Maar: ‘het treurigste is dat het een poging is om het leven er aan de buitenkant aantrekkelijk uit te laten zien, een schijnvertoning van saamhorigheid, waar iemand zo dolgraag in wil geloven en anderen in wil doen geloven om zodoende de pijn van de realiteit te vermijden.
Maar het is een façade: het leven kan aan de binnenkant een oncontroleerbare puinhoop zijn’ (68).
Autonomie
Opvallend in de visie van Nancy Groom is dat veel door christenen als deugdzaam benoemd gedrag geen positief gedrag maar vermijdingsgedrag is: bedoeld om pijn te vermijden.
Door onszelf te wapenen door altijd bezig te zijn, altijd vriendelijk te blijven, altijd voor iedereen klaar te staan hoeven we onze eigen pijn niet te voelen. In de westerse samenleving wordt het opkomen voor jezelf gezien als hét antwoord op sociale kwetsbaarheid. Geef je eigen mening, neem je eigen beslissingen en laat je niet leiden door wat je ouders, je collega’s of je partner zeggen. Groom gaat in het 10e hoofdstuk nader in op dit streven naar ‘autonome onafhankelijkheid’.
Lost die zelfstandigheid iets op? Het lijkt een logische stap op weg naar genezing, maar volgens de schrijfster is deze weg een heilloze weg. "Autonome onafhankelijkheid ligt geworteld in zondige zelfbescherming.
Op die manier wordt de ene vorm van slavernij (=de relationele gebondenheid) ingewisseld voor een andere manier van slavernij" (130).
Verdriet
Bevrijding van relationele gebondenheid kan dus volgens Groom niet plaatsvinden via het streven naar autonome onafhankelijkheid. Die vorm van onafhankelijkheid kan slechts tijdelijk als bevrijdend worden ervaren, daarna raken mensen opnieuw verstrikt in allerlei vormen van wetticisme.
De weg die ze aangeeft om uit deze impasse te komen beschrijft ze in het derde deel van het boek: de weg naar verbondenheid. Om zover te komen zullen mensen eerst de moeilijke stap moeten nemen om de pijn in hun leven toe te laten. Voor Groom liggen de wortels van dat verdriet bijna altijd in de kindertijd. En daar zit nu juist een bijzonder moeilijk aspect voor veel mensen: ze zijn en blijven loyaal aan hun ouders. ‘Ze hebben dat toch niet zo bedoeld? Mijn vader heeft het in zijn jeugd toch ook heel moeilijk gehad?’ Dat kan wel zo zijn, maar toch, zegt de schrijfster, zul je moeten erkennen dat je als kind emotionele pijn hebt geleden. ‘Het was niet de bedoeling van je ouders om jou pijn te doen, maar het doet er niets aan af dat je als kind emotioneel verwond raakte. Het verdriet van je kindertijd is maar al te reëel, zelfs als er geen opzet in het spel was en je ouders het beste gaven van wat ze hadden’ (142). De bekende gezinstherapeute Alice Miller zei het zo: ‘Het enige wat je hierover te doen staat is te treuren…..
niet te beschuldigen. Wij kunnen niet genezen worden van de wonden die wij niet erkennen….’ In de beginfase van de genezing (als je het verdriet tot je door laat dringen) zal er een tijd zijn dat je verbitterd bent. Groom ziet dit als een fase in de genezing, maar ‘ons verdriet moet niet eindigen in verbittering of vervreemding’ (144).
Hoe kom je er achter voor welke pijn uit het verleden je het meest kwetsbaar bent? Groom: ‘Kijk naar je huidige vriendschappen. Wat in je huidige relaties pijn doet is waarschijnlijk een getrouwe afspiegeling van wat jou als kind pijn deed.’ Met andere woorden: als we ons nu realiseren hoeveel moeite we ermee hebben als de baas ons werk niet waardeert, als we merken hoeveel pijn het ons doet als iemand ons in de steek laat, als we zien hoe zeer het doet als je broer jou als volwassene kleineert, zegt dat vermoedelijk ook heel veel over hoe je je als kind voelde als je niet werd gewaardeerd, als je in de steek werd gelaten, als iemand jou als kind kleineerde.
Behandeling
Pas als het verdriet benoemd is, is de weg vrij voor de werkelijke behandeling.
Vanuit christelijk perspectief is het opmerkelijk dat Nancy Groom bij deze behandeling gebruik maakt van de 12 stappen van het programma van de Anonieme Alcoholisten (AA).
Aan de andere kant is het ook weer niet zo verwonderlijk omdat Groom zowel relationele gebondenheid als alcoholmisbruik ziet als manieren om de werkelijke pijn in je leven niet onder ogen te hoeven zien. Ze stelt zelfs dat relationele gebondenheid en verslaving vaak hand in hand gaan (157). We behoeven hierbij overigens niet alleen te denken aan de bekende verslavingen aan alcohol en drugs, iemand die innerlijk veel pijn lijdt kan ook proberen die pijn te vermijden door helemaal op te gaan in zijn werk. De eerste stap in het programma van de AA is dat mensen moeten erkennen dat ze machteloos staan tegenover hun verslaving: je komt er zelf nooit meer van af. De tweede stap is dat je daarom hulp van buitenaf nodig hebt. Nancy Groom vult al deze stappen in aan de hand van de uitgangspunten van het christelijk geloof. Bij stap 5 geeft ze aan dat mensen concreet moeten benoemen wat er nu precies mis gaat. Zoals de alcoholist minutieus moet aanwijzen dat hij, als hij alleen thuis is echt niet van de drank af kan blijven zodat hij ‘s avonds weer stomdronken in bed ligt, zo zullen ook wij concreet moeten aanduiden waar we tegen aan lopen in óns leven. Uiteindelijk, maar dat is een proces van vele jaren, komen we dan tot verbondenheid met onszelf, met God en met andere mensen. Wie dit deel van het boek leest zal er geen ander woord voor hebben dan het woord bekering. De weg voert eerst naar Boven: een volledig vertrouwen in God. Als we ons helemaal door Hem aanvaard voelen straalt dat af op onze kijk naar onszelf en naar andere mensen. We hoeven ons niet meer te wapenen tegen het oordeel van anderen. We staan fouten is ons eigen leven toe. We zijn ook niet meer veeleisend naar anderen toe. Dat geestelijke pantser hebben we niet meer nodig omdat we onszelf kunnen zijn.
Naar aanleiding van: Nancy Groom, Van moeten naar mogen; Navigator Boeken 2000.
In het volgende nummer van ‘Opbouw’ wordt nog nader ingegaan op de inhoud van dit boek.