Historiciteit en geloofwaardigheid (1)
1998-01-23
Al ruim een jaar vindt er in Opbouw een bezinning plaats naar aanleiding van ‘Het verhaal gaat…’ van Nico ter Linden. Een bezinning die met name cirkelt rond ter Lindens lijfspreuk ‘Wel waar, niet echt gebeurd..’ Na een boekbespreking van P.J. van Kampen, volgden zowel korte reacties als uitgebreide artikelen van respectievelijk Ab van der Ploeg, opnieuw van Kampen en van der Ploeg, A. v.d. Dussen, A. Koers, Martine Krabbendam-Veenhof, Bart Cusveller, Klaas Holwerda, en - in dit nummer van Opbouw – opnieuw A. Koers. Om te voorkomen dat het gesprek eindeloos opgerekt wordt, meent de redactie ervoor dit moment een punt er achter te moeten zetten. Gelet echter op die gestage opeenhoping van diverse bijdragen, is er vanuit de redactie wel behoefte aan een artikel waarin zowel een overzicht van de discussie als een korte evaluatie daarvan gegeven wordt. In het volgende nummer van Opbouw hoop ik daar een begin mee te maken. Ik ben echter zo vrij om eerst nog eens de iets aangescherpte reactie te publiceren, waarin ik – ruim een jaar geleden, via het dagblad Trouw – het gesprek met ds. ter Linden zocht. - Jaargang 42
- nummer 2
Een weergave van deze - indertijd door de redactie van Trouwomgewerkte en ingekorte - brief in Opbouw kan geen kwaad, omdat velen 'm niet gelezen zullen hebben. Belangrijker is, dat de inhoud van die reactie door allen die aan de bezinning in Opbouw een bijdrage hebben geleverd vermoedelijk zo fundamenteel onderschreven wordt, dat die er iets betrekkelijker van wordt, al bedoel ik daarmee allerminst, dat ze niet zinvol zou zijn. Tenslotte is mijn indruk, dat sommige lezerswaaronder allereerst Ter Linden zelf, maar ook Bart Cusveller, die er in zijn bijdrage naar verwees - m'n reactie onvoldoende op zich in hebben laten werken. Beiden meenden, dat het me om de historiciteit van de Bijbel als zekere basis voor het geloof ging. Mijn punt was echter een ander.
"Weleerwaarde ds. Ter Linden, Nico,
Onlangs begreep ik uit een interview in het NRG, dat je niet erg happig bent op reacties uit de orthodoxe hoek van kerkelijk Nederland op Het verhaal gaat .. Ze zijn zo voorspelbaar en gespeend van iedere poging werkelijk te communiceren dat discussie zinloos is. Laat ik er meteen maar voor uitkomen, dat ik een predikant uit die hoek ben, iemand die gelooft dat de heilige God vanaf Genesis 1:1 tot en met Openbaringen 22:21 in gesprek gaat met de mens van alle plaatsen en alle eeuwen. En hoewel het van jou niet hoeft, wil ik toch op je veelbesproken boek reageren.
Mooi
Het zal je misschien verbazen, maar in veel gevallen vind ik het werkelijk mooi, zoals je de eerste vijf boeken van Mozes hebt verhaald. Vooral als je heel dicht bij de verhaallijn van de Bijbel blijft, slaag je er vaak wonderwel in, om wat ook ik als de essentie van de verhalen zie over te brengen op de hedendaaqse hoorder, de hedendaagse lezer. Daarin proef ik eerbied en liefde voor de verhalen die je doorvertelt.
Ook het steeds weer terugkoppelen op de grote verhaallijn van de Bijbel, op het Verhaal, spreekt me aan. In verband met het geslachtsregister van Mattheüs 1 was ik deze adventstijd bezig met Genesis 38, de geschiedenis van Juda en Tamar, door jou levendig naverteld en uitgelegd (blz.157 vv). Ik stak m'n licht ook op bij Duitse grootmeesters van de exegese van het Oude Testament als Von Rad en Westermann. Ze beschouwen het Schriftdeel als een zwerfkei en behandelen het als een volstrekt op zichzelf staande vertelling. Nee, dan is jouw door de Amsterdamse School beïnvloede leeswijze stukken vruchtbaarder. Het Verhaal wordt ook zichtbaar in dit verhaal. Vermoedelijk zal ik in de toekomst geregeld naar je boekwerk grijpen, om dichter bij het verstaan van een schriftgedeelte te komen.
Mocht het bovenstaande je verrassen, van het volgende zal dat zeker niet gezegd kunnen worden. Zoals ik al zei, kan ik me in veel van wat je schrijft vinden, zolang je op de verhaallijn blijft. Zodra je echter spreekt over de herkomst van deze verhalen, komt er een diep gevoel van vervreemding over me. Je hebt er toch wel een heel sterke behoefte aan om je lezers duidelijk te maken, dat deze verhalen geen Godswoorden, maar mensenwoorden zijn. Fantasie van Israël over God, dromen, gedachten, pogingen om God in beeld te brengen. God spreekt 'bij wijze van spreken'. Soms is het effect hiervan op het verwoestende af. Ik denk bijvoorbeeld aan de ontmoeting van Jozef met zijn broers, de schuldbekentenis van Juda (Genesis 44 en 45), die jij behandelt onder de veelzeggende titel 'De boeken worden geopend' (blz. 184). Daar heb je een - voor wie thuis is in de Bijbel - machtige associatie: 'Juda voor de troon'. En: "Zo zal het aan het einde der tijden zijn, ...". Ik kreeg er een koude rilling van. Maar direct daarop ontneem je deze woorden hun geweldige kracht door hetgeen je achter de komma schrijft "..., als we een fantasie van eeuwen mogen geloven ..." (blz.185). Waarom voeg je deze woorden toe? Schrik je terug voor je eigen associatie? Ben je bang om te profeteren?
Wáárheid
Nu zullen deze typisch orthodoxe vragen je zéér bekend voorkomen. En misschien hoor ook ik wel te zeggen: Houd toch op met dat oude liedje, discussie is zinloos. Toch houd ik nog even aan. Ik werd namelijk getroffen door een zinsnede, die me meer dan de andere aan het denken zette. Je zegt van Israëls verhalenschrijvers: "Uiteraard is God gans anders dan zij zich hem fantaseren. Niettemin vertrouwen zij er in alle vrijmoedigheid op dat eens, wanneer zij aan de andere kant van het gordijn zullen zien van aangezicht tot aangezicht, zal blijken dat zij met die gedachten en dromen en fantasieën warm zijn geweest"
(blz.12). Naar mijn indruk rechtvaardig je met deze woorden het hele verhaalproject waarmee je deze jaren bezig bent. Waarom anders, dan omdat je gelooft dat Israël warm was, investeer je zoveel denkkracht, tijd en creativiteit in het doorgeven van de Bijbelverhalen?
Ik denk ook dat je je herkent in de brief van die rabbijn aan zijn kleinzoon, die van de in Israël van geslacht op geslacht doorgegeven waarheid zei: "Zul jij het van me aannemen, mijn kind? Zul jij het weer overdragen?
Misschien zul je het willen opgeven.
Als dat zo is, laat het dan zijn voor een grotere waarheid. Als die er is."
(blz.113) Niet alleen uit esthetische overwegingen, niet alleen om humanitaire redenen, zelfs niet alleen om religieuze redenen, maar omdat je gelooft via deze verhalen heel dicht bij het geheim van het leven, ja, bij de waarheid te komen, zo maak ik uit deze woorden op, laat je het verhaal gaan ...
Het is hier, Nico, dat ik met je in gesprek wil gaan. Laten we die woorden vasthouden: zij zijn warm geweest. Je levenswerk is hiermee gerechtvaardigd, maar juist door dit zó te zeggen, valt je hele werk in wezen ook in duigen. Hiermee beweer ik nogal wat, dus laat ik uitleggen wat ik bedoel. Jouw werk is een huis dat tegen zichzelf verdeeld is. Twee dragende gedachten in jouw werk staan namelijk diametraal tegenover elkaar.
Aan de ene kant jouw opvattingen over de Bijbel: "Alle woorden over boven zijn van beneden, dat kan nu eenmaal niet anders." (blz.12) En: "Nóóit heeft iemand met God gesproken."
Aan de andere kant het beeld van God zoals de Israëlieten het zich - volgens jou - gevormd hebben. Dat is het beeld van een God die relaties legt, omgang zoekt met mensen, een plan volvoert in de geschiedenis, een God die niet laat varen het werk van zijn handen. Heel mooi zeg je ergens: "God wil met de mens verkeren, even intiem als een moeder met haar kind, als een man met zijn vriend." (blz.244) Woorden die volgens jou dus reiken naar de waarheid, als ik het goed begrijp. Maar dan weer: "God heeft zich nóóit laten zien, God heeft zich nóóit laten horen!" Zie je de onoverkomelijke kloof tussen beide gedachten niet? Bladzijde na bladzijde blijkt, dat je opvattingen over het spreken van God haaks staan op het door jou nagetekende beeld van God. Daarom noem ik je werk een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is. En je weet, zo'n huis kan volgens onze Meester niet standhouden. Je zou ook kunnen zeggen, dat jij van twee walletjes eet. Je wilt aan de ene kant de moderne mens tegemoet komen, die niet geloven kan - en wil! - dat er een levende God is Die Zelf het gesprek met ons heeft gezocht en zoekt. Anderzijds wil je de bodem niet kwijt, die dankzij die God onder het menselijk bestaan gelegd wordt: de diepe zin die het leven dankzij Hem krijgt, de vrede, die de mens van Hem ontvangt, ondanks zijn sterfelijkheid en zonde.
Keuze
Mijns inziens sta je voor een keuze. Om het heel in het kort te zeggen: of je past je Godsbeeld aan je open baringsbegrip aan, of je stemt je openbaringsbegrip af op 'je' Godsbeeld. Ik bedoel, als jij werkelijk van mening bent, dat God nooit gesproken heeft, nooit de omgang heeft gezocht, dat al het spreken over boven van beneden komt, dan ontkom je er niet aan te zeggen, dat er van het prachtige beeld van God in de Bijbel helemaal niets klopt. Israël was niet warm, moet je dan zeggen, Israël was koud, ijskoud. Liever zou ik natuurlijk zien, dat je je visie op het spreken vàn God in overeenstemming brengt met het bijbelse spreken óver God. Eerlijk gezegd, het is vanuit deze naïeve en tegelijk brutale hoop, dat ik deze brief tot je richt.
Want is er niet heel veel dat hiervoor pleit? Laten we alleen maar eens om ons heenkijken in wat jij - Israël nasprekend - 'Gods wereld' noemt. Alles is wel zo sprékend gemaakt. De hele wereld is aangelegd op relatie en communicatie. En met name wij mensen zijn aangelegd op het gesprek met elkaar en de ons omringende wereld. Sommige mensen bezitten het vermogen om contact te leggen met de dieren en zelfs zijn er die vertellen dat de blom me hen een tale spreekt.
Als je dit zo overweegt en je gelooft werkelijk dat deze wereld Gods wereld is, zou het dan niet waar zijn wat in de psalmen geschreven staat: Zou Hij die het oor plantte, niet horen? Die het oog vormde, niet zien?
Zou hij die de volken onderwijst niet straffen, Hij die de mensen kennis leert? (Psalm 94:9 w) Kortom, zou God beneden de maat van Zijn schepsel blijven? Maar van nota bene de afgoden staat geschreven: Zij hebben een mond, maar spreken niet, zij hebben ogen, maar zien niet, zij hebben oren, maar horen niet ...(Psalm 115:5 w.) Eigenlijk zou ik je willen vragen open te gaan staan voor de mogelijkheid, dat de eeuwige, de levende God werkelijk en niet maar 'bij wijze van spreken' contact met ons heeft gelegd, op zo'n wijze dat je zonder reserve kunt zeggen: Hij komt tot ons, middels deze verhalen, Zijn Woord. Als je werkelijk gelooft dat Israël warm was, dan is dit, dacht ik, niet te veel gevraagd.
'Gods' geschenk?
Laat me hier nog een argument aan toevoegen, dat jou wel móét aanspreken. Eén van de kerngedachten van jouw boek immers is "Wie zichzelf vergoddelijkt, ontmenselijkt." (blz. 27) Gouden woorden. Maar besef je wel wat het gevolg is van jouw open baringsbegrip ...? Door God Zelf daarbuiten te houden, is jouw Bijbel het product van enkele diepzinnige geesten, mensen met een religieuze knobbel, om het zo te zeggen. En zo presenteer je het ook. De Bijbel is (blz.13), net als de sabbat (blz.17), Israëls geschenk aan de volken. "Een godsgeschenk", zo voeg je toe. En de tabernakel (blz. 256) noem je één van Israëls schoonste en geheimzinnigste scheppingen. Maar dan vraag ik je: Voor wie eigenlijk heb jij een troon gebouwd? Voor God, of voor de mens met zijn briljante religieuze gevoel?
Me dunkt, dat je van deze hybris niet wilt weten, omdat je de grens tussen God en mens intact wilt laten. Maar zit ze niet in je openbaringsbegrip ingebakken? Ik zou je daarom willen vragen, Nico: Blijf van die woorden 'En God zeide ...' af. Wie weet loop je er de Verhaler mee voor de voeten.