Oud-Israël tussen feit en fictie (2)
2000-10-27
Een archeologische steen in een theologische vijver. Zo kwam het artikel van de Israëlische prof. Herzog bij velen over. Nu is die vijver nooit erg rustig geweest, maar om nu zwart op wit te lezen dat de bijbelse geschiedenis van oud-Israël grotendeels op fictie berust, dat valt niet mee. Zeker niet als een ‘neutrale', gerespecteerde wetenschapper dat met veel overtuigingskracht schrijft.- Jaargang 44
- nummer 22
Negeren geen uitweg
Natuurlijk gaan er stemmen op om die ‘gevaarlijke' archeologie zonder pardon af te wijzen of te negeren. Zo reageerde de Jeruzalemse rabbijn Sholom Gold namens het orthodoxe rabbinaat: ‘Iedere paar jaar is er wel een onbetekenende wetenschapper die met een revolutionaire openbaring op de proppen komt'. Zo eenvoudig laten zich echter de bevindingen van de archeologie niet terzijde schuiven.
Het is immers onmiskenbaar dat de archeologie een nuttige wetenschap is die het verstaan van de leefwereld van de Bijbel zeer bevordert.
Dankzij de archeologie hebben we veel meer kennis gekregen van Israëls levensomstandigheden en bestaansmiddelen, gebruiksvoorwerpen en sociale gewoonten, etc. Feiten laten zich nu eenmaal niet verdringen.
Maar de vraag is: wat zijn precies de feiten?
Stem en tegenstem
Prof. Herzog wekt de indruk dat zijn inzichten een uitgemaakte zaak zijn: zo denkt eigenlijk iedereen erover.
Ook suggereert hij dat de archeologie een tamelijk ‘exacte' wetenschap is, die zich niet laat ophouden door de hersenschimmen van geloof of ideologie.
Dat een en ander toch wel wat ingewikkelder ligt, blijkt alleen al uit het artikel van Jeffrey L. Sheler in het gerenommeerde Amerikaanse tijdschrift US News & World Report (ook in oktober vorig jaar gepubliceerd!), die stelt dat in de archeologie juist wel bewijzen zijn gevonden voor de historische betrouwbaarheid van de bijbelse geschiedenis van oud-Israël.
Hier kunnen andere namen van respectabele en eerlijke wetenschappers aan worden toegevoegd: K. Kitchen, J. Hoffmeier, E. Yamauchi, A. Millard, D. Freedman, etc. De tegenwerping dat deze figuren binnen hun vakwetenschap slechts een minderheid vormen, zegt nog niet alles.
De archeologische literatuur toont menig voorbeeld van tegenstrijdige standpunten en onderlinge correcties.
Een enkel voorbeeld. De beroemde archeologe Kathleen Kenyon die bij de tell (puinheuvel) van de oude stad Jericho opgravingen heeft verricht, concludeerde dat Jericho tussen 1500 en 800 v.Chr. geheel verlaten was. Dit levert problemen op ten aanzien van de geschiedenis van Jozua 6, omdat Israël ergens in de 14e-12e eeuw v.Chr. Kanaän moet zijn binnengekomen.
Nog onlangs werd echter door de geleerde B.G. Wood op grond van een nieuwe analyse van het beschikbare materiaal geconcludeerd, dat Jericho in de 12e eeuw wél bewoond was. Een verschil van mening heerst bijvoorbeeld ook ten aanzien van de opgravingen te Tel Masos: werd deze plaats door Israëlieten bewoond of niet? Ja, zegt de Duitse V. Fritz; welnee, stelt de Israëlische I. Finkelstein.
En hoe zit het met het verenigd koninkrijk onder David en Salomo, heeft dat ooit bestaan, of niet?
Jazeker, meent W. Dever, een internationaal erkende autoriteit op het terrein van de Syro-Palestijnse archeologie.
Dever heeft in Gezer opgravingen verricht, waarbij hij een poortgebouw uit de tijd van Salomo heeft geïdentificeerd.
Maar collega-archeologen willen hier niet van weten.
Feit en interpretatie
Wat leren we uit dit alles? Dat mening tegenover mening staat, en we dus gerust onze eigen weg kunnen gaan? Dat zou een te snelle en gemakkelijke conclusie zijn. Wat we wel goed moeten bedenken, is dat hierdoor duidelijk wordt dat de archeologie geen waardenvrije, ‘exacte' wetenschap is. Bij opgravingen worden nu eenmaal geen vondsten gedaan waaraan bordjes met namen, feiten en dateringen hangen. Elke vondst moet zorgvuldig in de eigen context geplaatst worden, en vervolgens geanalyseerd en geïnterpreteerd worden. Bij deze interpretatie komt het helemaal aan op het totaalkader waarin men de vondsten plaatst.
Subjectiviteit in het interpreteren van gegevens is hierbij niet te vermijden.
Bovendien speelt hoe dan ook een bepaalde waardering van de externe, bijbelse getuigenissen een rol bij de uiteindelijke interpretatie van archeologische vondsten. Gaat men ervan uit dat de bijbelteksten grotendeels het product zijn van veel latere generaties die hun behoeften en meningen via deze teksten probeerden te funderen, dan heeft inderdaad het O.T. in historisch opzicht weinig meer te zeggen.
Het valt me overigens steeds weer op, dat het wetenschappelijk onderzoek ertoe geneigd is aan allerlei buitenbijbelse teksten (zoals Assyrische koningsinscripties, nota bene doorgaans propagandaliteratuur) eerder en meer historische betrouwbaarheid toe te kennen dan aan het O.T. Kortom: het beeld dat we in de archeologie met objectieve feiten worden geconfronteerd en in de Bijbel slechts met subjectieve verhalen, is misleidend en dus onjuist.
Ontbrekende bewijzen
De relatie tussen archeologie en theologie/bijbelwetenschap is gecompliceerd.
Zij hebben elkaar op een bepaalde manier nodig, maar moeten voortdurend beseffen ieder op een eigen terrein werkzaam te zijn. Als een archeoloog mij zegt, dat hij bij zijn opgravingen geen enkel bewijs heeft gevonden voor het bestaan van Salomo of van het verenigd twaalfstammenrijk van Israël, heb ik dat te respecteren en niet als onzinnige bijbelkritiek te diskwalificeren. Als dezelfde archeoloog mij vervolgens zegt dat dús Salomo of dat twaalfstammenrijk nooit bestaan heeft, dan kan hij rekenen op mijn protest.
Immers, dan overspeelt de archeologie haar hand. Het ontbreken van een concreet bewijs aangaande een bepaalde zaak betekent immers nog niet, dat deze zaak zelf nooit bestaan heeft. Zoals de Engelsen zeggen: ‘The absence of evidence is not the evidence of absence' (het ontbreken van een bewijs vormt niet het bewijs dat iets ontbreekt). De algemene geschiedswetenschap levert hiervoor parallellen.
De Arabische invasie van Palestina in de 7e eeuw, de invasie van Brittannië door de Angelsaksen in de 5e eeuw, of de invasie van Engeland door de Normandiërs in 1066: oude tekstgetuigenissen hierover spreken consequent van een gewelddadige invasie inclusief verwoestingen - vergelijk de oudtestamentische berichten over Israëls invasie in Kanaän - terwijl de archeologische bewijzen hiervoor in feite ontbreken. Vonden daarom deze invasies nooit plaats? Geen zinnig historicus zal dit beweren. Ook moeten we goed bedenken, dat een archeoloog veel goede en mooie gegevens kan aanleveren over de materiële cultuur van Palestina, maar onmogelijk een reconstructie van de geschiedenis op zich kan geven. Wat archeologen aantreffen, is immers een restant van vroegere levensomstandigheden in het algemeen (van wat wás), maar niet een concreet bewijs van de handelingen van specifieke personen of bevolkingsgroepen (van wat geschíedde). In tegenstelling tot de archeologie van Egypte of Mesopotamië heeft de archeologie van Palestina nauwelijks of geen houvast aan tekstmateriaal met namen en feiten.
Dit alleen al zou archeologen tot grote bescheidenheid en terughoudendheid moeten dringen, als het gaat om de reconstructie van de ‘eigenlijke' geschiedenis van oud-Israël.
Re.le vragen
Het bovenstaande betekent intussen niet dat we uiteindelijk de resultaten van de moderne archeologie dus met een korreltje zout mogen nemen.
Natuurlijk niet. De weg terug naar Werner Keller, die de waarheid van de Bijbel kort door de bocht wilde bewijzen met de opgravingen, acht ik niet begaanbaar. Wel de weg terug naar de bijbelteksten zelf. Na alles wat de archeologen ons hebben verteld, moeten we de Bijbel nauwkeurig, nóg nauwkeuriger, proberen te lezen en te beluisteren. Daar hebben we meer dan ooit de leiding van de Heilige Geest bij nodig, die onze ogen ontdekt aan de wonderen van het Woord.
Het zit helemaal in onze manier van lezen en denken, om de tekst en het ‘objectieve' feit rechtstreeks als een één-op-één relatie te zien. Wij westerlingen zijn gewend om heel direct, objectiverend, historiserend, de tekst op te vatten als informatiebron, verwijzing naar een concrete realiteit. En zeker, dat is vaak ook gewoon het geval. Maar de bijbelse geschiedschrijving kan ook veelkleuriger en rijker aan betekenis zijn dan wij moderne mensen denken.
Wat is de eigen aard van deze geschiedschrijving?
Feit én interpretatie gaan in de Bijbel samen, hebben we altijd gezegd. Het gaat de bijbelschrijvers niet sec om allerlei historische informatie, maar om de prediking hiervan, met oproep tot geloof en bekering.
We moeten er dus ook voortdurend rekening mee houden, dat de bijbelschrijvers de geschiedenis op hun éigen wijze, en met hun eigen middelen, weergeven. Soms samenvattenduitvergrotend, terwijl de historische werkelijkheid op zich veel gecompliceerder was. Soms met een geheel eigen belichting, met een eigen doel, met allerlei lacunes of chronologische inconsistenties. Daar maakten de bijbelschrijvers zich niet zo druk over.
Waar zij zich, geleid door de Heilige Geest, wel druk over maakten, was de vraag of wij mensen werkelijk zien wat deze geschiedenis in essentie ons predikt, en waartoe deze geschiedenis van Gods handelen met mens en wereld ons brengen wil. Wanneer wij aan de bijbeltekst in het algemeen de eis opleggen van een exact-historische verslaggeving over de hele linie, komen wij echt in de problemen. Niet alleen in historische problemen. Het grootste probleem is dat we dan de intentie van de bijbeltekst zelf wel eens zouden kunnen gaan missen.
De waarheid van het Woord van God We kunnen dus aan de ene kant niet doen alsof er geen enkel vuiltje aan de lucht is. De archeologie van Palestina stelt ons als gelovige bijbellezers op bepaalde punten voor vragen, die we niet even vlot kunnen beantwoorden. Misschien wel nooit.
Maar aan de andere kant hoeven we echt niet ondersteboven te zijn van allerlei ‘wetenschappelijke bewijzen', die de fundamenten van de Bijbel zouden ondergraven. De waarheid van de Bijbel is niet afhankelijk van onze menselijke bewijzen. Natuurlijk: de Bijbel moet wel een echte relatie hebben met de historische realiteit.
En als de historische betrouwbaarheid van de bijbelse geschiedenissen wordt weggewuifd, gaat er iets radicaal mis.
Dit is wel het moderne denkklimaat: het O.T. door en door historisch onbetrouwbaar.
Hiertegen rijst ons principieel en beslist verzet. Daarover gaat het derde en laatste artikel.