...maar niet ten koste van alles
2000-10-27
Bij beach- of strandvolleybal denk je niet in de eerste plaats aan topsport.- Jaargang 44
- nummer 22
Je denkt aan een zomervakantie op Schouwen of aan Veronica en ‘Baywatch’ waar stoere jongens en mooie meiden zich vermaken.
Debora Schoon-Kadijk (31) en haar jongere zus Rebekka (21) moeten erom lachen. Dat horen ze wel vaker.
Ook binnen de sportwereld, en zelfs de volleybalwereld zelf bestaat dat beeld, maar kloppen doet het niet.
Rebekka: ‘Alle aandacht gaat in Nederland uit naar het indoor-volleybal.
Dat is ook begrijpelijk, want daar zijn we goed in. Daarin hebben we een lange ervaring opgebouwd, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat beachvolleybal niets voorstelt.’ Gelukkig, zegt Rebekka, is de waardering er in het buitenland wel: ‘,Voor de Olympische Spelen waren we bijvoorbeeld in Spanje, in Bilbao, voor het Europees kampioenschap. Daar werden we derde en wat ons opviel was dat de sporters en toeschouwers het beachvolleybal wel serieus nemen.
In landen als Australië en Brazilië ook.’ Debora: ‘Hier hangt het er nog een beetje bij, net als het mountainbiken eigenlijk. Het zijn jonge takken van sport. Maar ze zijn niet minder zwaar dan de andere. Ik denk dat het een kwestie van tijd is. Over een jaar of tien kijken ze er hopelijk, ook binnen de volleybalbond, heel anders naar’.
Het is een apart verhaal. Dat van de Nederlands Gereformeerde zusjes Kadijk die opeens landelijke bekendheid kregen omdat ze oranje op de Olympische Spelen vertegenwoordigden in die even aparte discipline van het beachvolleybal.
In Werkendam, thuis bij Debora op bezoek, waar Rebekka even later ook binnen komt vallen, vertellen ze over hun lotgevallen in Sydney. Hoewel ze al vier jaar in de top van het internationale beachvolleybal meedraaien, liep het in Australië van geen kanten.
In de eerste ronde verloren ze met 15-17 nipt van de Tsjechen, die ze in Bilbao nog van het podium afhielden.
En in de herkansing waren de Bulgaarse meiden (zevende in Bilbao) te sterk.
Ook toen werd het weer 15-17.
Het verdriet na de vroege uitschakeling was groot, zo bleek uit de tv-beelden, en zo wist Nederland dat sport mooi kan zijn, maar dat het ook niet alles goud is wat er blinkt.
Debora nu: ,,We speelden niet goed. Omdat beachvolleybal geen prioriteit had, moesten we veel zelf regelen.
Dat is de concentratie niet ten goede gekomen. Daarbij komt dat we het tegen de Tsjechen altijd moeilijk hebben.
Hun spel ligt ons niet. Het is altijd close. Bij een betere loting hadden we ze wellicht kunnen ontlopen, maar dat is achteraf kijken. En daar hou ik niet van. Maar zo werkt het wel. Krijg je eerst Portugal, dan win je en krijg je een heel ander toernooi.’ Wat die loting betreft, als het aan Debora gelegen had, was ze met Rebekka vlak voor de Spelen nog naar een toernooi voor de Wereldbeker naar China gegaan. Een goede prestatie daar had waarschijnlijk een gunstig invloed op de loting gehad.
‘Maar’, zegt ze, ‘de artsen raadden het ons af. Ik heb al een tijd last van een heupblessure en een extra toernooi was volgens onze sportarts te belastend, vandaar.’
Hoewel Sydney voor de Kadijk BV, zoals Trouw de zusjes noemde, sportief dus niet werd wat ze gehoopt hadden, kijken Debora en Rebekka achteraf wel degelijk met plezier terug. Ze laten foto’s zien, vertellen over de leuke contacten met andere atleten en hoe ze Pieter van den Hoogenband zagen winnen. Anders dan Rebekka, die voor het nieuwe seizoen en na vier zware sportjaren eerder naar huis terugkeerde om nog even vakantie te kunnen houden, maakte Debora ook de slotceremonie mee: ‘Ik had er niet echt naar uitgekeken, maar die was echt indrukwekkend.
Er waren meer dan 130 000 mensen. Een mooie show en daar sta je dan tussen op het middenterrrein.
Ja, dat was één groot feest. Binnen een bepaalde ring, mocht iedereen lekker door mekaar lopen. Dat was heel leuk, omdat je zo tijdens het slotfeest ook nog met een heleboel andere sporters ontmoette tegen wie je altijd speelt. Ja, het was een echt feest.’
Je komt voor Opbouw of niet. Dus rijst de vraag in hoeverre Debora zich kan vinden in de typering van De Volkskrant die de slotceremonie als pseudo-religieus festijn ‘De hoogmis van de Olympische Spelen’ noemde.
Debora vindt dat wat overdreven: ‘Ik zie die band niet zo. Nee, daar heb ik nooit zo bij stilgestaan. Wat ik wel merk is dat de Olympische Spelen wel op een heel hoog voetstuk worden geplaatst. Zo erg dat ik denk, tsjonge, jonge, zo belangrijk is het nou ook weer niet, goud, goud, goud, medaille, medaille. Die verering hoeft van mij niet. We waren twee weken geleden bij de huldiging in Rotterdam. En dan schrik je wel een beetje. Dat je een voorbeeld kan zijn voor mensen om een beetje gezond te leven, dat kan ik me voorstellen (alhoewel, zo gezond is topsport niet hoor!) maar dat heldendom. Natuurlijk had ik ook wel goud willen winnen, maar dat de mensen dan aan je willen zitten, je willen aanraken en je alles voor ze bent, nee, daar zou ik me behoorlijk ongelukkig onder voelen. Dat hoeft van mij niet hoor…’
Rebekka: ‘Kijk naar Gianni Romme, de schaatser. Wij zijn vorig jaar een keer met hem op trainingskamp geweest.
Eerst was hij de held, maar probeerde men zijn vriendin af te kraken, en later werd hij zelf afgebrand, totdatie weer ging winnen.’ Debora: ‘Nee, waardering is leuk. Je hebt ook wel wat publiciteit nodig, voor je sponsors, voor de continuïteit ook. Het is ook leuk als een soort beloning voor al die bergen werk die je hebt verzet. Maar je moet niet overdrijven.’
Toch zijn jullie wel topsport gaan bedrijven. Vonden jullie dat al niet te ver gaan, gezien jullie achtergrond wellicht ook?
Rebekka: ‘Ik heb er geen moeite mee.
Heel lang vinden mensen het leuk als je iets bereikt in de sport, maar ze beseffen niet wat je daar voor doen moet.’ Debora: ‘Veel mensen zeggen ‘O leuk, die sport, maar wat doe je verder?’ En als je dan zegt, dat dat je werk is, dan denken ze: Die is dom! Je moet je hier wel vaak verdedigen. In het buitenland is dat anders, daar snappen ze dat het gewoon een vak kan zijn.’
En sport op zondag?
Debora: ‘Dat was een jaar of tien geleden, toen ik me serieus op het topvolleybal ging toeleggen, nog wel lastig. Ik ben altijd gelovig geweest en gebleven en leidde bijvoorbeeld een groep kinderen in de kerk. Maar daar werd vanaf dat moment bezwaar tegen gemaakt binnen de gemeente.
Ik gaf niet meer het goede voorbeeld.
Ik begreep die kritiek wel, maar vond dat ook moeilijk. Het feit dat ik sportte deed van mijn geloofsopvatting niets af. Mijn ouders, die ook altijd gesport hebben – mijn vader is volleybaltrainer en altijd gymleraar op de Pabo geweest - begrepen me gelukkig wel. En nu speelt het denk ik nauwelijks meer.’ Kijkend naar Rebekka: ,Het is nu geaccepteerd.’ Rebekka knikt. Ze vindt het moeilijk er iets zinnigs over te zeggen. ‘Ik ben blij met de manier waarop ik leef. Ben ook niet zo met de kerk bezig, al zal ik het geloof nooit loslaten. Maar laat ik het zo zeggen, Debora is er iets bewuster mee bezig.’ Debora: ‘Ik ben ook niet veranderd door de sport. Sterker, mijn man, Mario, is nadat we elkaar leerden kennen tot geloof gekomen, dus zijn we misschien nog wel serieuzer geworden. En gelukkig is het begrip in de kerk ook groter dan vroeger. We hebben uit de gemeente hele leuke reacties gekregen en ook onze predikant en zijn vrouw reageerden heel stimulerend. Toen we weggingen naar Sydney is Geert (van Dijk) nog bij ons geweest en gaf ons mee dat je je voor het evangelie niet hoeft te schamen als je de wereld intrekt. Dat vond ik heel aardig.’
Terwijl Rebekka alweer aan een nieuw seizoen begonnen is als indoor-speelster bij het Amsterdamse AMVJ-Link, stopt Debora. Haar heupblessure is ernstiger dan ze dacht, maar afgezien daarvan, wil ze nu tijd voor andere dingen vrijmaken. ‘Ik wil mijn vrienden en familie wat meer zien en verder denk ik aan vrijwilligerswerk. Iets met anderen in elk geval. Ook ga ik de preekvoorziening doen. Want Ik heb een ontzettende mooie tijd gehad, maar heb ook altijd geweten dat er meer is dan sport alleen. Wat dat betreft heb ik ook de afgelopen jaren de sport wel degelijk gerelativeerd.
Mijn moeder zei altijd: Je moet meer dan overwinnaars zijn. ‘Ga voor God en niet voor goud’ zal ik maar zeggen naar 1 Corinthe 9, waar Paulus de wedloop op de Spelen met het leven vergelijkt. Wat ik maar wil zeggen: natuurlijk hadden wij graag goud willen halen, maar niet ten koste van alles.’