leider, of schaap met vijf poten?

2000-10-27
  • Jaargang 44
  • nummer 22
Een persoonlijke impressie van de predikantendag De predikant als leider’ was het thema dit jaar van de predikantendag voor NG predikanten 12 oktober in Lelystad. Opvallend, want een paar jaar geleden hoorde je nauwelijks over de predikant als leider spreken.
En uit de enquête die rondgestuurd was met de uitnodiging voor de dag, bleek ook dat de meeste van onze predikanten zich niet als leider zien, of dat eigenlijk niet willen zijn. In de Engelstalige wereld is dat heel anders. Leadership en Church leader zijn gewone termen. Is het typisch Nederlands om ons met de term leider verlegen te voelen, antiautoritair als we zijn en van 'Doe maar gewoon dan doe je gek genoeg'? Dan zijn we ook nog eens Nederlands Gereformeerd.

Ik herinner me goed mijn overgang van de prachtige Martinikerk in Groningen met gebrandschilderde ramen en hoge gewelven naar het zaaltje in het Tehuis in Groningen.
Van voorgangers in ambtskledij, kwam ik terecht bij dominee Kranenburg die op een warme dag zijn jasje naar de voorste rij wierp en later Van den Berg die geen dominee genoemd wilde worden maar Meint. Waar we in de Martinikerk responsen zongen van gedrukte liturgieën, kreeg ik in het Tehuis een bijbel onder mijn neus om mee te lezen.
Waarom leest iedereen mee?’, vroeg ik. ‘Om te toetsen’, kreeg ik als antwoord ‘Lieve help’, dacht ik, hoewel het grappend gezegd werd, ‘zouden ze er niet op vertrouwen dat hun voorganger leest wat er staat?’ --Om de inhoud ging het, niet om de vormen.
En we laten ons niets voorzeggen waar we zelf niet achter staan.
‘Goede Wijn behoeft geen krans’ zei Freddy Gerkema op de predikantendag, met in herinnering de krans als eerbetoon die hij kreeg omgehangen in India. Hij voelde zich daar ongemakkelijk bij.

Leider, of je wilt of niet
Om het denken over de rol van predikant als leider te stimuleren was Wim Dekker uitgenodigd, docent sociologie aan de Christelijke Hogeschool van Ede. Twee predikanten legden uit waarom ze zichzelf wel of niet als leider zagen en er was gelegenheid om in groepen van gedachten te wisselen over het onderwerp.
‘Of u het nu wilt of niet, de gemeente ziet u als leider’, begon Dekker zijn inleiding. Elke kerkdienst is een bevestiging van die rol. Dekker gebruikte zelfs het woord macht. De predikant staat tegenover de gemeente, zegent de mensen, bidt voor hen, vertelt ze hoe ze geloven moeten. Bij de predikant thuis, in de studeerkamer, wordt het gemeentelid ontvangen tussen meters boeken--. Dat suggereert een overwicht. Tegelijkertijd is er een omgekeerde beweging.
• We leven in de tijd van het management en vanuit dat perspectief worden predikant en kerkenraad vaak gezien als een groep amateurs. Dekker relativeerde zijn eigen vakgebied. Literatuur over gemeenteopbouw hamert op strategieën en evaluaties alsof 'het product geloven' of erger nog: 'het product God' aan de man gebracht moet worden. Iets waarvoor de predikant in ieder geval niet is opgeleid en wat -ook wezensvreemd is aan de theologie. Dit wil niet zeggen dat het niet nodig is aan een visie en doelen te werken. Daarbij is hulp van mensen met kennis van management van belang. Maar de eerste vraag voor de predikant blijft toch: Wie is God en wat is Zijn wil, en wie zijn de mensen met wie ik werk? Wie ben ik voor God en voor Zijn gemeente?
• Het gemeentelid is mondig geworden. Hij verwacht niet van de predikant te horen hoe hij moet leven of wat hij moet vinden. Hij wil bescheiden handreikingen bij eigen ethische overwegingen. Het gebodene mag niet botsen met eigen autonomie.
• De predikant zelf probeert al meer tussen de gelovigen in te staan als een van hen, in plaats van hen namens God toe te spreken. Hij kan preken in de trant van ‘Hebt u dat ook..’
• Ook de theologie wordt al meer relativistisch en krijgt een sociologisch en psychologisch karakter.
Dogmatische kwesties zijn niet populair. Zo werken er twee tegengestelde krachten op de predikant: het ambt maakt hem een leider, onze tijd vraagt ook weer om leiderschap en naar persoonlijkheden die ergens voor staan, en tegelijkertijd wordt het leiderschap van de predikant gerelativeerd, van buitenaf en van binnenuit. Mijn oma zei het vroeger al: ‘Er wordt niks zo veel bekritiseerd als een dominee en een aardappel.’

Leiders in soorten
- Aan de hand van de socioloog Weber noemde Dekker drie gezagsrollen.
- De traditionele predikant die voorspelbaar is in wat hij uitdraagt, veel gezag ontleent aan het ambt zelf, maar dat verliest zodra hij vernieuwend wil zijn.
- De charismatische leider, een persoonlijkheid die mensen voor zich weet te winnen. Een man als Kuijper is daar een voorbeeld van.
- De rationeel legitieme leider, die organiseert, plannen zorgvuldig verwoordt en de gezamenlijkheid benadrukt.

Als je dan toch leider bent, wat voor soort leider ben je of wil je zijn?
Dekker moedigde zijn gehoor aan zich te spiegelen aan vier leiderschapsstijlen, waarover in groepjes verder gepraat wordt. Uiteraard zullen de meeste predikanten een combinatie herkennen van stijlen.
• de dictator: in het centrum van alle beweging, die weet waar hij met de gemeente heen wil en duidelijk de richting aan-geeft. Niemand zal graag zo genoemd worden, toch is deze vorm van leiderschap soms nodig, zeker in crisissituaties.
• de coördinator: hij houdt de organisatie draaiende zonder zich al te veel af te vragen waarom of waartoe.
• de integrator: hij probeert de juiste mensen op de juiste plaats te krijgen en ze aan het werk te zetten.
Dit werkt goed in gemeenten met bekwame mensen en geeft de ruimte om prioriteiten te stellen.
• de facilitator, die vooral dienend naar de gemeente bezig is. Hij ziet zichzelf in de eerste plaats als degene die bemoedigt en troost. Hij vermijdt conflicten door ze uit te stellen.
De facilitator heeft het nodig zich gewaardeerd te weten, hij is kwetsbaar en vaak eenzaam en loopt grote kans oververmoeid te raken.

Waardoor laat ik me leiden?
In de voorbeelden, vragen en groepsgesprekken blijkt dat het merendeel van de predikanten zich vooral herkent in de rol van facilitator, dienaar van de gemeente en alle vragen en verwachtingen die daaruit op hen afkomen. Men probeert gemeenteleden te inspireren tot bepaalde dingen en geeft in die zin wel leiding, maar haast verontschuldigend. Men huivert voor de taak van leider, die rol hindert meer dan dat ze helpt om naast mensen te staan. Het lijkt wel of de term leider onmiddellijk het beeld oproept van de man die overal antwoord op heeft en alles beter weet.
De meeste predikanten zijn vooral een luisterend oor. Dekker noemde ook al dat predikanten vaak het zwaartepunt in hun taak zien in pastorale gesprekken terwijl ze daar nauwelijks voor opgeleid zijn. Ze hebben meestal geen intervisie: een plek om (met collega´s b.v.) gesprekken te bespreken en te evalueren en hun eigen rol daarin te bekijken. Dat levert een stukje onzekerheid op en eenzaamheid.- De zorg voor de predikant als persoon is vaak minimaal.
Zoals iedereen heeft hij mensen om zich heen nodig die hem coachen bij verschillende taken. In het groepsgesprek blijkt dat de vrouw van de predikant die rol vaak heeft, wat haast onmogelijk is omdat ze geen collega is en veel te dicht bij staat. Sarien de Groot, predikantsvrouw uit Lelystad, moedigt predikantsvrouwen die daar eens, op wat voor manier dan ook, met elkaar over willen hebben, dat haar te laten weten.

Leider en dienaar
Na de persoonlijke mijmeringen van het begin ook een persoonlijk eind.
Wat is eigenlijk het dienend leiderschap waar Jezus het over heeft? Het kan toch niet zijn dat de predikant aan alle verwachtingen in de gemeente moet voldoen. Het zijn vaak tegenstrijdige verwachtingen en als ze dat niet waren zou de taak nog te groot zijn. Hoe ontkom je daaraan als predikant?
Paulus noemt zich dienaar van Christus, met een duidelijke boodschap aan de gemeenten. Een leider die onmiddellijk delegeert en nieuwe leiders aanmoedigt en coacht.
Wat is het geheimenis dat even ter sprake kwam in het zoeken naar dat wat de predikant onderscheidt van een manager of een therapeut, datgene wat zich onttrekt aan alle plannen en ijver, dat wat de Geest tot de gemeente zegt? Volgens Openbaring heeft dat voor elke gemeente weer een aparte kleur naast dat wat voor ieder de basis van het geloof is. Ik voel me gezegend in een kerk waar de kern van het evangelie veilig is, waar predikanten dienaren van het Woord zijn en gemeenteleden aangesproken kunnen worden op hun geloof. Ondertussen fascineert het beeld uit Openbaring me: van de gemeenten als kandelaren in de hemelse gewesten, waar Christus als Heer van de kerk tussen loopt. Hoe vinden we de roeping van onze eigen gemeente, in deze tijd, met de mensen binnen en buiten onze kerken? Hoe wordt en blijft de gemeente een gemeenschap met zorg voor elkaar, geïnspireerd door een visie die groter is dan de gemeente zelf? Hoe kan een predikant een gemeente daarin leiden, als dienaar van Christus, met gebruikmaking van alle gaven in de gemeente?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief