Lied 291

2000-10-27
  • Jaargang 44
  • nummer 22
Iedere keer als we dit lied in de kerkdienst zingen moet ik er weer aan denken: Jaren geleden werkte ik op een vormingsinstituut. Eén van de bestuursleden was een al wat oudere man die zich regelmatig even in het gebouw liet zien. Altijd vriendelijk en belangstellend.
Heel vaak sprak hij tussen neus en lippen door over Gods liefde en trouw. Plotseling overleed hij.
Ik besluit naar de kerkdienst te gaan, gekleed in de langste rok die ik in mijn kast kan vinden. Want ik vermoed dat het in de bewuste gemeente niet de gewoonte is dat vrouwen in een lange broek verschijnen. Als ik bij het kerkgebouw aankom valt mijn oog op het bordje naast de deur. Vrouwen en meisjes worden geacht een hoed te dragen. Ik hoop maar dat ik niet al te veel aanstoot zal geven en ga achteraan zitten. Gelukkig zie ik meer vrouwen zonder hoofddeksel. Vluchtig bekijk ik de liturgie. Allemaal psalmen, alleen op het eind staat een lied, 291.
De dominee komt op. Een jonge man die de hoop uitspreekt dat de overleden broeder nu bij zijn hemelse Vader is. Bijna spring ik overeind. Hoezo hopen? Waarom niet zeker weten?
Maar ik houd mij in. Als een klein en ietwat kinderachtig protest zing ik alle psalmen demonstratief mee zonder op de liturgie te kijken. Ha, hier zit ik, zonder hoed. Maar al die psalmen ken ik maar mooi uit mijn hoofd.
Het einde van de dienst nadert. De dominee heeft nog een mededeling.
Het lied op de liturgie is daar vermeld omdat de overledene daar ooit een orgelbewerking op heeft geschreven die nu door zijn zoon gespeeld zal worden.
'Het is niet,' zegt hij, 'de bedoeling dat de tekst die per ongeluk is afgedrukt, wordt meegezongen.' De kist, die voor in de kerk staat wordt op de schouders genomen. De dragers zijn bijna allemaal zoons, heb ik mij laten vertellen. En een andere zoon bespeelt dus het orgel.
De dragers houden zich niet aan de opdracht van de dominee. Zij zingen wel.
'Nooit kan 't geloof te veel verwachten...' Hier en daar beginnen mensen mee te zingen. Eerst nog zacht. Maar het worden er steeds meer. Halverwege de kerk zijn de dragers nu. Ik hoor ze uit volle borst zingen.
'Die hoop moet al ons leed verzachten...' Terwijl de dominee op de preekstoel zijn lippen stijf op elkaar houdt zwelt het gezang steeds meer aan. De dragers lopen nu bijna naast mijn bank, vlak bij de uitgang. Het lied kaatst tegen de muren, klinkt bijna als een feestzang, gezongen door vele mensen als een krachtig getuigenis.
'Daar is de vreemd'lingschap vergeten en wij, wij zijn in 't vaderland!' Ongewild heeft die dominee voor mij dit lied tot een geloofsmonument gemaakt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief