Oud-Israël tussen feit en fictie (3)
2000-11-10
De visie van de archeoloog Herzog over Israëls mistige oorsprong is geen eendagsvlinder. Zo herinneren we ons nog goed de one-liners van een artikel in het breed gelezen blad Intermediair uit 1994: `Het Oude Testament is fascinerend - maar historisch volkomen onbetrouwbaar, als geschiedenisboek volstrekt bezijden de waarheid' (Marcel Hulspas). De zgn. Kopenhagen-school ontdekt in de bijbelse geschiedschrijving grotendeels ideologie en nauwelijks historie.- Jaargang 44
- nummer 23
Wat moeten we met dit alles aan?
Het getuigenis van de heilige Schrift
Voor veel wetenschappers zijn de bijbelse verhalen een product van fantasie en theologische creativiteit. Bijbel en historiciteit staan voor hen op gespannen voet; Bijbel en ideologie gaan voor hen hand in hand. Nu is het niet zo, dat we als gereformeerde bijbelwetenschappers nu persé overal in het O.T. pure geschiedschrijving met een hoog gehalte aan precisie of exactheid veronderstellen - dat hangt allemaal maar net af van de bedoelingen van de bijbelschrijver en van de aard van het literaire genre dat hij hanteert - maar we willen graag wel opkomen voor de historische betrouwbaarheid van het O.T. Niet omdat dit theologisch `correct' is in onze kringen, ook niet als onvermijdelijk uitvloeisel van dogmatische vooronderstellingen, maar heel eenvoudig omdat de Bijbel zelf ons vertelt dat de HERE God gesproken en gehandeld heeft in de werkelijkheid van onze geschiedenis, en dat het heil van zijn Koninkrijk nauw verbonden is met dateerbare tijden en aanwijsbare plaatsen. Een Christus-mythe verlost mij niet, maar wel een Heiland die onder Pontius Pilatus geleden heeft, gestorven en begraven is, en opgewekt ten derde dage.
Ontsluiting van het oude Nabije Oosten
Het mooie nu is, dat het grote historische raam van de bijbelse geschiedenissen door de opgravingen en de ontdekkingen van de geschiedswetenschap in de laatste anderhalve eeuw alleen maar bevestigd en verhelderd is. Wat wisten we vóór het begin van de 19e eeuw in concreto over Assyriërs, Arameeërs en Babyloniërs, over de verleiding van een verbond met Egypte, over de wereld waaruit de aartsvaders kwamen en die waarin zij gingen leven? Zo goed als niets. We hadden alleen het O.T., en dan nog wat oude schrijvers zoals Herodotus of Flavius Josephus, maar die kun je in historisch opzicht niet altijd vertrouwen.
Toen kwamen de opgravingen op gang.
Voor de verbaasde ogen van de hele wereld herrees het verleden uit het stof. Namen, feiten, zaken, die we voorheen alleen uit de Bijbel kenden, kwamen aan het licht. Eerder waren er wel ‘geleerden’ geweest die het hele verhaal van de Bijbel naar de schroothoop van de religieuze fantasie verwezen hadden, maar dat kon nu niet meer. Té duidelijk werd immers dat de geschiedenis van Israël zich werkelijk heeft afgespeeld in de wereld van die dagen, in het oude Nabije Oosten van pakweg het eerste anderhalve millennium v.Chr. God schonk zijn openbaring niet aan een of andere Keltische stam of aan de Azteken, maar heel duidelijk aan een semitisch volk (Israël) in de historische en culturele context van de tijd waarnaar het O.T. verwijst.
Sprekende voorbeelden
Momenteel zijn uit inscripties en teksten op zegels de namen van vijf koningen bekend: Jerobeam II en Hosea (uit Israël), en Uzzia, Achaz en Hizkia (uit Juda). Regelrecht spectaculair was de vondst van de Tell Daninscriptie in 1994, waar voor het eerst de naam van koning David aangetroffen werd (`het huis van David'). Op twee recent gepubliceerde ostraca (potscherven) schijnen de namen van Jojachin en Josia voor te komen. De Lachisj-ostraca geven een beeld van de situatie in Juda in de periode vlak voor de ondergang in 586, dat prima aansluit bij het O.T.
Maar er is zoveel meer. Een oeroude pleistertekst, gevonden in De'ir Alla in 1967, vermeldt een lange profetie van... Bileam! Een Egyptische tekst op de wand van de Amon-tempel in Karnak/Thebe verbeeldt de veldtocht van farao Sisak (Sjesjonq) naar Syrië- Palestina in 930 (vgl. 1 Kon. 14, 2 Kron. 12). Assyrische teksten vermelden de naam van Jehu, verhalen van de Syro-Efraëmitische oorlog (734-732 v.Chr., cf. Jes. 7-9!), de val van Samaria in 722 v.Chr., Israëls wegvoering in ballingschap door Sargon II, het beleg van Jeruzalem onder Hizkia door Sanherib in 701 v.Chr. De belegering en val van Jeruzalem in 586 v.Chr. wordt door de zgn. Babylonische Kroniek beschreven.
Hier is een lange rij aan toe te voegen.
Zeker, sommige van deze vondsten stellen ons ook weer voor nieuwe historische problemen. Zo is er nogal wat verschil tussen Assyrische bronnen en de bijbelse berichtgeving over de situatie in 701, het jaar van Sanheribs invasie in Juda én zijn plotsklapse aftocht. Ook de tekst van farao Sisak is niet geheel helder. Idem de vermelding van `Israël' op de Merneptahstèle uit de 12 eeuw v.Chr. Maar duidelijk is gebleken, hoezeer het O.T. verwijst naar een wereld die niet imaginair maar werkelijk was. Hoe het historisch gehalte van bepaalde bijbelteksten ingeschat moet worden, daarover kunnen geleerden stevige discussies voeren, maar dat de geschiedenis waarvan het O.T. getuigt, globaal past in de wereld zoals we die door de moderne opgravingen hebben leren kennen, lijkt ons niet te loochenen.
En de vroegste geschiedenis dan?
Maar nu de tijd van de aartsvaders tot en met de eeuw van David en Salomo, de vróegste geschiedenis van Israël dus, daar is toch bitter weinig van teruggevonden? Vandaar Herzogs mening, dat deze hele periode uit het O.T. meer met ideologie dan met historie te maken zou hebben. Nu moeten we eerlijk zeggen dat wij in deze problematiek ook niet zomaar even een lade met pasklare antwoorden kunnen opentrekken. Natuurlijk zou het fijn zijn als er wél tastbare, ondubbelzinnige getuigen van Israëls vroegste geschiedenis waren, maar die ontbreken nu eenmaal - tot op heden.
Maar dit is niet ons laatste woord hierover.
Historische getuigen ontbreken, zeiden we, `tot op heden'. Want we moeten natuurlijk wel beseffen, dat één kleine vondst het hele beeld kan wijzigen. Dat is al eerder gebeurd in de geschiedenis van de archeologie.
Het eerste historische bewijs betreffende Pontius Pilatus - toch een belangrijk figuur in het prima georganiseerde en gedocumenteerde Romeinse wereldrijk! - dateert pas uit 1961. En het bestaan van de procurator Felix werd eerst door een tekstvondst in 1966 `bewezen'. Dat koning David een legendarisch figuur is, wordt sinds de genoemde Tell Dan-vondst in 1994 door aanzienlijk minder geleerden dan voorheen verondersteld. Een beetje nuchterheid is wel op z'n plaats.
Hoeveel is in de loop der eeuwen niet vernietigd, hoeveel ook is (nog) níet opgegraven. Van vele tells (puinheuvels) is slechts een gedeelte blootgelegd, welke verrassingen verbergt de aarde nog? Te bedenken is tevens dat we nu eenmaal van rondtrekkende patriarchen of van een zwervend woestijnvolk weinig overblijfselen hebben te verwachten. Of ook, dat Israëls komst in Kanaän niet persé een voor archeologen herkenbare culturele breuk veroorzaakt behoeft te hebben.
Nog meer vragen
Andere overwegingen komen bij ons boven. Als er zoveel lijnen lopen tussen Israëls jongere geschiedenis (vanaf ongeveer 900 v.Chr.) en het totaalbeeld van de geschiedenis van het oude Nabije Oosten, zou dit dan voor de periode daarvóór opeens niet meer gelden? Dus ná 900 grotendeels historie en vóór 900 grotendeels fantasie?
Dit is toch onwaarschijnlijk. Wat moeten we in dat geval aan met de talloze passages in de eerste bijbelboeken, waarin gedetailleerde beschrijvingen worden gegeven van feiten en feitjes, opsommingen van namen en locaties, etc.? Denk bijv. aan de details van Abrahams strijd tegen de vier koningen in Gen. 14, de reisroute van Num. 33, de ambtenarenlijsten in 2 Sam., de details in Ri. 1. Wanneer de boeken Genesis tot en met Samuël slechts een theologisch-ideologisch product zouden zijn, is deze historische detaillering niet functioneel, en dus onlogisch.
Nog één vraag: Herzog en de zijnen ontkennen zelfs de mogelijkheid van een gedééltelijke uittocht van Israël uit Egypte. Hoe is dan te verklaren, dat de overlevering van de exodus een zo pertinente, brede verankering in het O.T. gekregen heeft, in de geschiedschrijving, de profetie en de Psalmen? Wie zou over zijn herkomst een dergelijk verhaal willen verzinnen; welk volk is er trots op dat het afstamt van een stelletje onderdrukte en gevluchte slaven? Overigens: recentelijk ontwerpt de archeologie op basis van alle opgravingen in de Negeb en in het bergland een nieuw beeld van de situatie in Palestina in de vroege Ijzertijd (globaal: 13e-12e eeuw, de tijd waarin velen Israëls intocht in Kanaän dateren), dat naar het O.T. veel meer `open' is. Het blijkt namelijk dat in deze periode vele Kanaänitische steden verwoest zijn, en dat een plotselinge toename van de bevolking plaats vond door een instroom, die waarschijnlijk vooral uit het oosten (Transjordanië) kwam.*
Voorlopige conclusie
Laten we uit het bovenstaande niet concluderen, dat de archeologie ons geen indringende vragen stelt. Laten we er wel uit concluderen, dat we niet krampachtig met deze vragen moeten omgaan. We hoeven echt niet zo snel ondersteboven te raken van allerlei `bewijzen' - of gebrek daaraan - omtrent de bijbelse waarheid. Laten de christelijke media zich hoeden voor een sensatiebeluste behandeling van deze zaken, en zeker voor het promoten van fantastische theorieën als die van Velikovsky of Rohl (in deze valkuil viel de EO een en andermaal; denk aan de serie in 1998 `Farao's en de Bijbel'). De archeologie is er niet om de Bijbel te bewijzen, zoals in vroeger tijden de teneur was. Maar de archeologie mag ook niet in stelling tegen de Bijbel worden gebracht, zoals in recente tijd wel gebeurt.
En wij? Ons gebed is dat wij de Bijbel nog nauwkeuriger leren lezen. Versta ik wat ik lees, wat verkondigt de HERE ons met deze woorden en deze taal, verwijzend naar of gebruikmakend van de concrete historie?
Ondertussen zijn we blij - daar begonnen we deze artikelenreeks mee - met elke nieuwe vondst die licht werpt op de werkelijkheid waarvan het O.T. getuigt. `Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd..' (2 Petr. 1:16). Aan de wortel van ons geloof, ons belijden en onze prediking ligt niet de fictie, maar het door en door betrouwbare feit van een God die handelt in de geschiedenis, toen en thans. Onnaspeurbaar voor het menselijk oog, niet te verstaan in de cirkel van ónze redeneringen en `bewijzen', maar de Levende. Die is, en die was, en die komt.
* Zie het themanummer van Near Easten Archaeology, ‘A Landscape Comes to Live: Iron Age I’ (juni 1999, door E. Bloch-Smith en B. Alpert Nakhai).