Velen geroepen, weinigen uitverkoren? (2)

2000-11-10
  • Jaargang 44
  • nummer 23
Het tweede dat me opviel was het feit, dat aan elk van deze drie gelijkenissen een conclusie of samenvatting van de bedoeling is toegevoegd. Je mag verwachten dat bij gelijkenissen van gelijke strekking ook die samenvattingen een gelijke strekking zullen hebben. Bij de eerste twee gelijkenissen is dat zonder meer het geval: het koninkrijk der hemelen gaat naar anderen (Matth. 21:31,32 en 43). Bij de derde gelijkenis, die wel dezelfde strekking heeft als de beide voorafgaande, valt de samenvatting echter ineens uit de toon. In die samenvatting gaat het namelijk niet meer, zoals in de beide voorgaande, om de tegenstelling: ‘oorspronkelijken – anderen’, maar om: ‘velen – weinigen’.

Dat correspondeert niet met de tot dusver gevonden samenhang tussen de gelijkenissen en hun samenvattingen.
We worden ineens op een totaal ander been gezet. Is dat de bedoeling?
Zit er opzet achter? Of is er iets anders aan de hand?

Oorspronkelijken - anderen
Achter de tegenstelling ‘oorspronkelijken – anderen’ blijkt in deze gelijkenissen het volgende schuil te gaan: het koninkrijk van God valt ten deel aan een groep mensen, die er volgens de oorspronkelijke rechthebbenden (eerste zoon; pachters; genodigden) geen enkele aanspraak op kon maken en die volgens hen dan ook buiten de boot zou moeten vallen. Die groep bestaat blijkens de tekst uit: tollenaars, hoeren, een ander volk (dat wil zeggen: heidenen), Jan Rap en zijn maat.
Met andere woorden: het zijn juist de mensen op wie de Farizeeën (zie 21:45) neerkeken, die verachtelijk waren in hun ogen en volgens hen bij God op geen enkele manier meetelden. In deze gelijkenissen laat Jezus zien, dat juist de onaanzienlijken, de mensen die niet meetellen en geen gewicht in de schaal leggen bij de godsdienstige machthebbers, door God worden uitgekozen om het koninkrijk te beërven.
Dat was voor het godsdienstige establishment uitermate shockerend en onaanvaardbaar. Er was geen kijk op dat het zich ernaar zou schikken.
En juist dat hardnekkige verzet ertegen doet de deur voor hen dicht. Een bekering die het oordeel over hen nog zou kunnen doorbreken, zit er niet in (21:32).

Kwalificerend
In het bovenstaande hebben we m.i. bedoeling en betekenis van deze drie gelijkenissen onder woorden gebracht.
De eerste twee samenvattingen stemmen daarmee overeen. Het lijkt bij voorbaat onaannemelijk, dat de derde samenvatting daarop een uitzondering zou vormen en niet in dit beeld zou passen. Zoals ze er nu staat, past ze er echter inderdaad niet in en doorbreekt ze het beeld. Zou het kunnen zijn, dat er in werkelijkheid niet staat wat er lijkt te staan? Zou er sprake kunnen zijn van een foutieve vertaling, die alles en iedereen eeuwenlang op het verkeerde been heeft gezet? Het was de moeite waard die mogelijkheid af te tasten.
Een vermoeden in die richting leek echter niet erg voor de hand te liggen.
De griekse tekst geeft op het eerste gezicht geen enkele aanleiding tot een dergelijk vermoeden. Ze is niet problematisch, niet onhelder, bevat geen moeilijk te verklaren woorden. Een eenvoudiger te vertalen tekst is moeilijk denkbaar.
voor het godsdienstige establishment shockerend en onaanvaardbaar De griekse woorden voor velen (polloi) en weinigen (oligoi) vertaal je automatisch in numerieke zin. De weg die ik wilde inslaan, leek onbegaanbaar te zijn. Toen realiseerde ik me, dat het griekse woord oligoi niet alleen ‘weinigen’ in numerieke zin kan betekenen, maar ook een kwalificerende betekenis kan hebben: geringen, onaanzienlijken, nederigen.
Wanneer we die betekenis aanhouden, krijgen we de volgende vertaling: velen zijn geroepen, maar onaanzienlijken uitverkoren. Het zal duidelijk zijn, dat bij deze vertaling het probleem van de discrepantie tussen gelijkenis en samenvatting althans voor een deel is opgelost. In de gelij-
kenis zijn het inderdaad de onaanzienlijken, die de bruiloftszaal binnenkomen.
Ze hebben nooit meegeteld, zijn altijd geminacht en nu delen juist zij in het feest.

Hebra.serend?
Toch was er nog geen reden om te juichen. Want ik bleef nu zitten met een woordpaar, waarvan het ene woord in numerieke zin (velen) en het andere in kwalitatieve zin (armen, geringen) werd vertaald. Het ligt voor de hand dat zoiets niet kan. In een zin waarin beide woorden elkaars tegengestelde vormen, moeten ze tot dezelfde categorie behoren. Met andere woorden: polloi en oligoi moeten beide in numerieke zin worden opgevat òf beide in kwalificerende zin.
Beide woorden in numerieke zin opvatten brengt ons terug bij af. Blijft dus maar één optie over: nagaan of polloi in kwalificerende zin voorkomt en met aanzienlijken, rijken, vooraanstaanden vertaald kan worden.
Prof. dr. D. Holwerda, met wie ik over deze tekst correspondeerde, liet me weten dat polloi in het Grieks nooit in de betekenis ‘machtig en aanzienlijk’ voorkomt. De enkelvoudsvorm kan dat wel eens betekenen, maar de meervoudsvorm nooit. Deze informatie leek elk verder zoeken in de door mij ingeslagen richting af te snijden.
Toch had ik inmiddels iets ontdekt, dat me nog een opening bood en op een hebraïserend spraakgebruik bij Mattheüs kon wijzen. Dat laatste wil zeggen, dat er weliswaar een grieks woord gebruikt wordt, maar dat de schrijver met zijn joodse achtergrond eigenlijk een hebreeuws of aramees woord in gedachten heeft en dat je de betekenis daarvan door het griekse woord heen moet horen. Dat komt in het Nieuwe Testament vaker voor, ook bij Mattheüs. Zo is bijvoorbeeld het griekse woord hypokrites in bijna alle vertalingen vertaald met ‘huichelaar’, terwijl het in de Septuaginta gebruikt wordt als weergave van het hebreeuwse woord voor ‘wetteloze, goddeloze’.
Dat zou dus een veel betere vertaling zijn dat ‘huichelaar’. Zou iets dergelijks ook aan de hand kunnen zijn met polloi?

Neusje van de vrome zalm
Het hebreeuwse equivalent van polloi is rabbîm. Ook in het Hebreeuws heeft dat woord als regel numerieke betekenis. Maar daarnaast duidt het woord, volgens Fabry , in Qumran al in 100 voor Christus een leidende bovenlaag van de Qumran-gemeente aan, een betekenis die volgens hem parallellen heeft in de rabbijnse literatuur.
Rabbîm zijn binnen Qumran dus degenen die het neusje van de vrome zalm uitmaken. Bij de rabbijnen zijn het degenen die zich rechtvaardiger achten dan de schare die de wet niet kent en die razend werden, toen hun werd voorgehouden dat tollenaars en zondaars hen zouden voorgaan in het koninkrijk van God. Als we door polloi heen deze betekenis van rabbîm horen meeklinken, zegt Matth. 22:14 inderdaad dat de aanzienlijken weliswaar werden geroepen, maar dat de onaanzienlijken werden uitverkoren.
Dat is exact wat de gelijkenis zelf ons vertelt. Bovendien ligt het volmaakt in de lijn van de voorgaande gelijkenissen en hun samenvattingen.
Is dat het einde van de zoektocht? Bij prof. Holwerda, aan wie ik het bovenstaande voorlegde, bleef nog twijfel bestaan. In principe achtte hij hebraïserende invloed op het Grieks van het Nieuwe Testament zeer goed mogelijk.
Maar hij zou er dan wel voorbeelden van in de Septuagint verwachten.
En die waren er volgens hem t.a.v. het onderhavige punt niet.

Jes. 53:12
De zoektocht richtte zich nu op de vraag of polloi in Septuagint mogelijk toch in de betekenis van ‘machtigen, aanzienlijken’ voorkomt. Daarbij stuitte ik op Jes. 53:12a. We vinden daar een parallelismus membrorum. De vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap heeft hier: Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen (Hebr. rabbîm; LXX pollous) en met machtigen zal hij de buit verdelen.
‘Velen’ staat hier parallel met ‘machtigen’ en moet hier gezien het hebreeuwse taaleigen min of meer dezelfde betekenis hebben. Dr. R.F Edel vertaalt in zijn Hebräisch-Deutsche Präparation zu Jesaja rabbîm met: ‘die Grossen, Mächtigen’. Tal van vertalingen volgen hem daarin. Ik noem hier enkele van de vele. De Willibrordvertaling zegt: Daarom laat ik hem delen met de machtigen.
De Groot Nieuws vertaling heeft: Daarom geef ik hem een plaats onder de groten der aarde.
De engelse Revised Standard Version vertaalt als volgt: Therefore I will divide him a portion with the great.
De N(ew) I(nternational) V(ersion) biedt twee mogelijkheden: Therefore I will give him a portion among the great (or: many) and he will divide the spoils with the strong (or: numerous).
Volgens deze vertaling maakt het parallellisme het noodzakelijk rabbîm te vertalen met: groten, machtigen.
Wil men het woord toch met ‘velen’ vertalen, dan zal men vanwege het parallellisme het woord ‘krachtigen, sterken’ in de parallel-zin moeten vertalen met: talrijken. De eerste optie heeft m.i. terecht de voorkeur van de vertalers gekregen.
...dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te ontnemen Volgens Joachim Jeremias is de vertaling ‘groten’ hier problematisch, omdat rabbîm nergens anders in het Oude Testament deze betekenis heeft.
Voor velen is dat argument blijkbaar toch niet doorslaggevend en legt het parallellisme het meeste gewicht in de schaal. Het argument van Jeremias is trouwens niet juist. In Job 35:9 bijvoorbeeld vinden we het woord rabbîm onmiskenbaar in de betekenis van ‘groten, machtigen’. De Septuagint heeft ook hier een vorm van polloi.
Er zijn derhalve in de Septuagint wel degelijk enkele gevallen, waarin polloi niet de gangbare numerieke betekenis heeft, maar in kwalificerende zin gebruikt wordt.

Conclusie
Dit alles leidt m.i. tot de conclusie, dat er voldoende grond bestaat om polloi in Matth. 22:14 te mogen vertalen met: machtigen, aanzienlijken. In dat geval hebben polloi en oligoi beide een kwalificerende betekenis: aanzienlijken zijn geroepen, maar onaanzienlijken uitverkoren. Daarmee is de discrepantie tussen gelijkenis en samenvatting verdwenen en zeggen ze beide precies hetzelfde. Om het met de woorden van Paulus te zeggen: wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te ontnemen (1 Kor. 1:28).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief