Nog met Babel opgescheept
2000-11-10
Toen ik vorig jaar weer eens op de preekstoel stond van ‘Die Gereformeerde Kerk’ oftewel de Dopperkerk in Pietermaritzburg, ziedaar, een zwart gezin tussen de blanke gezichten. Natuurlijk, zo moet het kunnen.- Jaargang 44
- nummer 23
De witte kerk is zo langzamerhand helemaal in een zwarte straat komen te staan. Kijk, daar zijn de eerste buren! Meer dan welkom zijn ze.
Maar dat onmiddellijke gevoel van blijheid verdween al gauw toen ik mij probeerde in te denken hoe dit zwarte gezin deze dienst moest beleven. Stel nu eens -het is wel heel onwaarschijnlijk-
dat dit gezin Afrikaans zou verstaan, zou het zich aangesproken voelen door een preek voor middenklas Afrikaners? En ik durf haast niet te denken aan ons blanke zingen met het orgel, voor ons doen nogal vlotjes maar toch wel wat plechtig, statig en afgemeten, geen Halleluja`s, geen spontane uitroepen bij de Geneefse psalmen. Helaas werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik een maand of wat later weer op diezelfde preekstoel stond, was het zwarte gezin nergens te bekennen. Navraag bij de ouderlingen leverde alleen maar de opmerking op dat zij het hadden laten afweten omdat zij het Afrikaans niet voldoende machtig waren. Maar ik waag het te betwijfelen of dit de volle waarheid was. Ik denk dat ze zich beklemd hebben gevoeld.
Is het dan in ons nieuwe Zuid-Afrika niet mogelijk om een niet-raciale gemeente te zijn? Ds Arjan de Visser vertelt in één van de laatste nummers van het Vrijgemaakte Zendingsblad met de lange naam ‘Tot De Einden der Aarde’ dat er in het hartje van Pretoria zo`n gemeente is die niet multi-raciaal maar niet-raciaal wil zijn. Iedereen kan lid zijn en ras speelt helemaal geen rol.
Maar de vrijgemaakte zendeling die er geweest is vertelt dat hij toch het idee had dat hij een grote zwarte gemeente bezocht waarvan toevallig ook nog een paar blanken lid waren. ‘De hele dienst ademde een Afrika-sfeer’. Het kan ook moeilijk anders denk ik. We zitten met Babel opgescheept tot de jongste dag. Ik hoor nu eenmaal tot een taalgroep met zijn eigen godsdienstige vormen en gevoelens die eigen muziek en liederen scheppen maar die hen die tot een andere taalgroep horen, weinig doen. Voor mij is het heerlijk om met begeleiding van een orgel in de kerk ‘Lof zij de Heer, de Almachtige Koning der ere’ te zingen.
Daarin voel ik me dicht bij de Heer.
Maar hetzelfde gezang -dat toevallig in ons Zoeloe- gezangenboek terecht kwam- doet het absoluut niet in een zwarte gemeente. Je hoort de verveling opkruipen naarmate het einde nadert. Omgekeerd zing ik enthousiast en blij de Afrika-koorzangen mee en zal als het nodig is en zover een stijve Hollander dat kan, mee handen klappen en danspasjes maken maar mijn blijheid blijft altijd beperkt tot de dankbaarheid dat het Evangelie het ‘doet’ in Afrika. Ik blijf er als zendeling zingen en heb voor mijzelf liever wat Psalmen en Johannes de Heer-liederen.
Het is goed om naar elkaar te luisteren en samen eens diensten te hebben. En steeds te weten dat we bij elkaar horen. Maar Pinksteren blijft (helaas) nog een teken en een vergezicht. We zitten nog met Babel opgescheept en daarom met de wat onbeholpen figuur dat ‘onze’ Gereformeerde Zending regelmatig zijn zwarte diensten heeft in de consistorie van diezelfde blanke Dopperkerk waar het zwarte gezin verdween; een dienst voor een handjevol Zoeloes in Zoeloe met Afrika-liederen, Afrika-tijd, Afrika-onderbrekingen.
Daarmee blijven we eigenlijk wel onder de Christelijke maat. Babel is ons nog wat te machtig en Pinksteren nog te ver.
Afrika is in beweging en zijn bewoners zijn in beweging. We worden voortdurend beïnvloed door elkaars culturen.
En voortdurend zijn er mensen die andere keuzes maken, ook Christenen.
Daarom is het goed dat kerkelijke vergaderingen zich onthouden van regeluitspraken en liever mensen zelf hun eigen keuzes laten maken. Wie door wil schuiven van consistorie naar kerkgebouw of andersom, moet die keuze kunnen maken. Maar zonder consistories lukt het nog niet.
J.Vonkeman, Richmond, Zuid-Afrika