Geesten rond de tent

2000-11-24
  • Jaargang 44
  • nummer 24
Gisteren heb ik de camping gebeld en onze reservering geregeld.
De vriendelijke campingbaas vraagt of we weer met zes klassen komen.
Jawel.
Hij informeert of er dit jaar weer tien leerlingen een dagje eerder verschijnen.
Daarover denk ik nog even na…

Vorig jaar werd het kamp voorbereid door 10 jonge meiden. Vol enthousiasme waren ze de avond van te voren al naar de camping gegaan. Vlaggetjes, ballonnen en spandoeken werden zorgvuldig opgehangen en hun eigen tent werd in een tactische hoek geplaatst.
Als ontvangstcommissie hadden ze hun taak serieus opgepakt.
Maar toen werd het nacht…

De volgende ochtend kom ik de kampeerplaats op. Na een half uurtje begin ik iets te vermoeden.
Ernstig sprekende tweetallen, schuwe blikken naar de tent in de hoek.
Lichaamstaal die 25 meter verder nog te verstaan is.
Ik besluit een visje uit te werpen bij een dame van het ontvangstcomité.

Die nacht zijn er geesten bij de tent geweest. Ze weet het zeker, denkt ze.
Een klasgenootje, van Indische afkomst, heeft verteld dat haar vriendin, die 40 dagen eerder verongelukte langs zou komen. In deze tent hadden ze samen ooit gekampeerd en ze zou nu vast afscheid komen nemen.
De tien meiden hebben elkaar zitten opfokken. Hoorden na verloop van tijd van alles. Ondertussen wist iedere meid wel een verhaal van een kennis of vriend die ook iets paranormaals meegemaakt had. Eentje zag zelf aura’s.
De christelijk gereformeerde meid die ik spreek geeft aan dat ze die nacht zich erg raar voelde. Angstig. Ver van God. Het Indische meisje sprak met zo’n overtuigingskracht en ze voelde echt de geest van haar overleden vriendin rondzweven. En mijn jonge zuster? De heilige Geest had zij nog nooit zo gevoeld. ‘Misschien had dit meisje wel gelijk over die geest,’ sombert ze.
Andere (vrijgemaakte) meiden spreek ik ’s avonds bij ons gezamenlijke kampvuur.
Ook zij voelden zich ver van God.
Slechts eentje heeft er die afgelopen nacht gebeden. ‘Pas om een uur of 6 ’s morgens’, zegt ze.

Ik heb een drukke avond en nacht.
Langzaam maar zeker schurken alle christelijke meiden zich rond mijn lage kampvuurstoeltje. En ik luister en ik vertel. Ik leg uit en breng rust en vertrouwen.
Ik merk dat ik bijbel- gedeelten voor ze kan laten leven. Hun zelfverwijt en zelfkritiek buig ik om in opbouwende bemoediging en ik spreek over een ‘leer voor de volgende keer’.
Ik stel ze stuk voor stuk voor om voor het slapen gaan te bidden.
Een voor een sluipen ze, vermoeid naar hun tent. Sommigen kiezen bewust een ander slaapplekje dan de afgelopen nacht.
Als een herdershond kijk ik mijn schaapjes na. Grote gedoopte kinderen.

Half drie ‘s nachts. Het wordt stil.
Ik zit rond het vuurtje van de docenten en word door een collega ter verantwoording geroepen. Als ik kort uitleg welke angst ik ontdekt heb en welke antwoorden ik geef, zegt hij wat waarschuwend dat ik op moet passen met het spuien van een eigen mening. Vooral omdat het zo normerend is wat ik bedenk.
Ze kunnen bang van je worden.
Ik kijk hem aan. Hij zit naast een aangeschoten collega die de helft van het verhaal meekreeg. Deze oreert een aantal onsamenhangende zinnen. Een derde vertelt opeens: ‘Aura’s lezen en spiritueel openstaan is helemaal niet slecht hoor Dromer, je hebt zelf nog een aantal blokkades, merk ik.’ Ik zucht. Om half drie ’s nachts is mijn batterijtje leeg.
Een kwartiertje later lig ik in mijn eigen tentje.
Ik besluit voor het hele stelletje te bidden en vraag of Zijn Geest vannacht de Enige is die rondom deze tentjes zweeft.

Dromer

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief