Biechtgesprek kan werkelijk een uitkomst zijn
2000-12-08
In oude tijden was er in de Rooms-- Jaargang 44
- nummer 25
Katholieke Kerk grote aandacht voor de praktijk van de biecht.
Minstens eenmaal per jaar kwam het kerkvolk om te biechten, de meesten niet geheel vrijwillig.
Toen de biechtdwang in recente tijden ging verslappen durfden mensen openlijk te spreken over hun negatieve ervaringen.1) Gelet op het dalend aantal biechtelingen in de RKK, heeft het verbazing gewekt dat ik heb gepleit voor de herinvoering van de biecht in de protestantse kerken.
Pleidooi voor de biecht?
Mijn persoonlijke bezinning op de biecht is feitelijk op gang gebracht door een boekje van Dietrich Bonhoeffer.
In ‘Het wezen van de kerk’ deed deze duitse theoloog uit de eerste helft van de 20e eeuw een tweetal uitspraken, die me sterk hebben beziggehouden:
1. Er is geen gemeente meer, als er niet wordt gebiecht.
2. 2. Met het afschaffen van de individuele biecht is een vitaal element uit het gemeentelijk leven weggevallen.
Heeft Bonhoeffer gelijk? Zijn we onderweg echt zoveel kwijtgeraakt?
Als traditioneel gereformeerd kerklid wist ik niet veel meer van de biecht dan de scherpe kritiek van de bekende mensen uit de Reformatie. Dat zij ook waardering voor de biecht hadden en dat de biecht zelfs tot zegen voor het persoonlijk geestelijk leven kon zijn was mij niet bekend, totdat ik in de werken van Luther en Calvijn dook. Ik kwam vanuit de studie van de reformatoren tot de conclusie dat schuldbelijdenis tegenover mensen heel waardevol en zelfs heilzaam kan zijn. En bijbels! Want nadenkend over wat de bijbel over schuld en zonde zegt, merk je dat zonde allereerst een relatie-begrip is en niet zozeer het overtreden van allerlei regels en geboden.
Als ik zondig gaat er iets grondig mis in mijn relatie tot God.
De eenvoudigste en mooiste definitie van zonde vind ik de volgende: ‘Zonde is God verdriet doen.’ En dat heeft zijn gevolgen. In Jesaja 59:1 en 2 staat dat God door onze zonden afstand van ons neemt en zich verbergt. Daardoor ervaar je zijn aanwezigheid niet meer.
Er is iets tussen Hem en ons in komen te staan, dat eerst weg moet.
Adres
Er zijn allerlei signalen in onze samenleving die erop wijzen dat mensen, die schuldvragen verdrongen hebben, daar toch niet van los kunnen komen.
Wegredeneren of wegstoppen helpt niet. Langs die weg wordt een mens niet verlost van wat fout is gegaan.
Het is waar, dat alleen het uitspreken van schuld al kan heilzaam zijn, als er iemand is die écht naar je luistert en die begrip voor je heeft. Maar als er werkelijk iets fout is gegaan tegenover God en mensen, dan moeten we ook bij het juiste Adres zijn voor de oplossing daarvan.
Hoe wordt een mens van zijn of haar schuld verlost? De eerst aangewezen weg is onze eigen relatie met God. In die relatie zullen we telkens momenten moeten vinden waarop we heel persoonlijk voor Hem op de knieën gaan om te zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd. Ik heb U verdriet gedaan.
Ik heb U op het hart getrapt, wilt U mij vergeven?’ Dan geldt de belofte uit 1 Johannes1:9 ‘Als wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig om die zonden, die wij met berouw beleden hebben, te vergeven.’ Op grond van Jezus’ verlossingswerk mogen wij weten: het is weg!
Echt weg?
Maar als je nou twijfelt of iets je vergeven is? Als je heel diep weggezonken bent? Als de ene zonde de andere heeft losgemaakt en je jezelf zo slecht voelt? Als je er alleen niet meer uitkomt? Als je geweten je blijft aanklagen en overbelast is geraakt? Als er dingen naar boven komen van jaren geleden en je er geen raad mee weet? Als je zelf niet meer met God in het reine kunt komen of de beloften van het Evangelie niet meer kunt vastpakken?
Dan kan het waardevol zijn om concreet te denken aan een biecht. Niet in een biechthokje van een kerk, maar in een vertrouwelijk gesprek tegenover iemand die je begrijpt, iemand die echt wil luisteren, iemand die ook kan zwijgen en bovenal iemand in wie de liefde van Christus woont, waardoor die persoon je dichter bij de Here kan brengen. Een biechtgesprek kan werkelijk een uitkomst zijn.
De moeite waar iedere christen in zijn of haar relatie tot de Here mee te maken heeft, is dat wij God niet kunnen zien en meestal (tenzij Hij het anders wil) niet rechtsreeks kunnen horen. Dat kan tot gevolg hebben dat er na een persoonlijke schuldbelijdenis tegenover God onrust en onzekerheid blijft bestaan. Het blijft soms door ons hoofd spoken: ‘Zou het nu echt weg zijn? Is het nu vergeven?
Is God niet meer boos?’ Ik denk dat God ons juist deze bevrijding van schuld wil doen ervaren. De 'meerwaarde' van een schuldbelijdenis tegenover een pastor is dat er dan vlak bij je een mens komt staan die daar is namens de Here. Hij hoort je aan, gaat samen met je naar God en dan mag je van heel dichtbij, met je eigen oren horen dat het goed is, dat de zonde vergeven is.
Uit de praktijk
Een praktijkvoorbeeld. Enige jaren geleden had ik vele gesprekken met een nog betrekkelijk jonge man, die in zijn jongere jaren veel had uitgespookt.
Hij werd ongeneeslijk ziek en kwam tot bezinning. Hij luisterde met veel aandacht naar de uitleg van het Evangelie en kwam heel bewust tot geloof. Hij hoorde in de kerk en thuis van Jezus die voor onze zonden aan het kruis gestorven is. Hij hoorde van de moordenaar aan het kruis, die vergeving ontving. Hij wist van Gods grote genade in Jezus. Dat geloofde hij ook, maar hij kreeg toch geen rust over zijn eigen verleden. Hij kon niet geloven dat God hem al dat kwaad van zijn jongere jaren had kwijtgescholden.
De onzekerheid bleef knagen.
Hij was vreselijk onrustig en angstig.
Totdat het kwam tot een concrete biecht en belijdenis van schuld op zijn sterfbed. De verandering was totaal. Er brak een enorme vreugde, dankbaarheid en zekerheid bij hem door toen ik hem aan mocht zeggen dat God hem zijn zonden had vergeven.
Zelfs de huisarts vroeg later aan mij: ‘Wat heb je met hem gedaan dat hij zo veranderd is, dat hij innerlijk zo rustig geworden is?’ Dit is een van de praktijkvoorbeelden van de zegen van een biecht of een persoonlijke schuldbelijdenis voor God tegenover mensen.
Bijbelse wortels
Ik schreef in het begin van dit artikel, dat de schuldbelijdenis bijbels is.
Laten we eens kijken naar twee momenten in de bijbel waarin mensen hun schuld belijden tegenover een dienaar van God. In 2 Samuël 12 kunnen we de geschiedenis lezen van Davids zonden. Hij kijkt naar een mooie, naakte vrouw; begeert haar, beheerst zijn gedachten niet en komt tot overspel en daarna zelfs tot moord.
Allerlei zonden op een rijtje.
Uiteindelijk komt hij tot schuldbelijdenis tegenover de profeet Nathan en daarin tegenover God. De profeet zegt hem concreet Gods vergeving aan en hoe heilzaam is dat! In het Nieuwe Testament lezen we dat ieder die door Johannes gedoopt wilde worden in de Jordaan, gedoopt werd onder de belijdenis van zijn of haar zonden.
(Mattheüs 3:6). Een aansporing om onze zonden tegenover mensen te belijden vinden we in Jacobus 5:16 waar staat: ‘Belijdt daarom elkaar uw zonden en bidt voor elkaar.’
Vergeving door mensen?
De belangrijkste vraag luidt misschien wel: ‘Kán dat nou, dat een mens woorden van vergeving spreekt? Staat er niet ergens geschreven: ‘Niemand kan zonden vergeven dan God alleen?’’ Inderdaad, dat staat in de Bijbel.
Maar het wordt gezegd door mensen die kritiek hebben op Jezus, wanneer Hij een mens vrijspreekt en vergeeft.
Híj had macht van Zijn Vader gekregen om te vergeven. Daarom zegt Hij met goddelijk gezag: ‘Uw zonden zijn u vergeven, al ware zij velen.’ De Heiland geeft op Zijn beurt, na Goede Vrijdag en Pasen, een verantwoordelijkheid in handen van mensen die in Hem geloven. Hij zegt: ‘Vrede zij u. Net zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u.’ (Johannes 20:21-23) Overduidelijk staan daar Jezus’ woorden in vers 23: ‘Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden.’ Hier wordt allereerst aan de discipelen, dus aan ambtsdragers, gezegd dat zij zonden mogen kwijtschelden. Met andere woorden: Zij mogen de woorden van vergeving uitspreken!
Vergeving vertolken
Naar ik geloof mogen vertegenwoordigers van Christus op aarde heel concreet worden. Mensen met een overbelast geweten mogen, na hun schuldbelijdenis, concreet horen dat het goed is tussen God en hen. Ik gebruik daar niet de woorden voor die eeuwenlang in de RKK zijn gebruikt. Daar klinkt het: ‘Ik ontsla u van uw schuld, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’ Mijn antwoord daarop is: ‘Ik heb niets te vergeven. Ik mag er wel zijn als dienaar van God, als instrument en als brug naar de Here.
Ik mag Zijn tolk zijn.’ Daarom kies ik principieel voor de volgende woorden: ‘Gód vergeeft u heden uw zonden, op grond van het bloed van Christus.’ Zo blijft het duidelijk Wie vergeeft, maar ook dat het op dát moment goed is geworden! Een biechtgesprek met het kostbare geschenk van de vergeving van Gods kant ontslaat ons vervolgens niet van onze verantwoordelijkheid om ons ook met elkaar te verzoenen. De biecht heft niet op, dat waar mensen elkaar kwetsen en tegenover elkaar zondigen, ze ook aan elkaar om vergeving moeten vragen..
Noot:
1) In mijn boek ‘Mijn zonden heb ik U gebiecht’ heb ik veel aandacht aan deze ontwikkelingen en ervaringen besteed.