Psalm 105

2000-12-22
  • Jaargang 44
  • nummer 26
Waar zijn we ook al weer mee bezig?
Ik probeer in deze artikelen aan te tonen dat de Schrift zelf ons de weg op stuurt van het geestelijk lezen van bijbelteksten dat onder ons ten onrechte een slechte naam dreigt te krijgen.

Als we in de kerk zingen van ‘Jeruzalem dat ik bemin’ dan leidt de bijbel ons niet heen naar de hoofdstad van het tegenwoordige Israël, maar naar ‘het Jeruzalem dat boven is’ (Gal. 4:26), dat in de gemeente, wereldwijd samengesteld uit Joden en niet-Joden, zijn voorgestalte heeft. Het Oude Testament is daar reeds mee doende.

De belofte van het land
Het gaat in Psalm 105 over de belofte van het land. Het land Kanaän dat voor Israël als land der belofte bestemd was. Toen de Here God met Abraham het verbond sloot, zei Hij: Ik zal uw God zijn. En om die belofte haar vervulling te laten krijgen zou Hij langs twee lijnen werken.
Abraham zou tot een groot volk worden en dat volk zou op een eigen plek komen te wonen. Ja, want God wilde niet slechts van één mens, Abraham, de God zijn; Hij wilde meer; Hij wilde uiteindelijk koning worden over de hele mensheid op de hele wereld.
Koning over de nieuwe mensheid op de nieuwe wereld, moeten we zeggen.
En dat volk (Israël) in dat land (Kanaän) was dáárvan het begin. En nu gaat dus deze psalm speciaal over de belofte van het land. Je ziet dat heel duidelijk aan de inleidende passage van vs 8 tot en met vs 11: 'Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond... dat Hij met Abraham sloot, en aan zijn eed aan Isaäk, ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting, voor Israël tot een eeuwig verbond, toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel'.
Abraham, Isaäk en Jakob/Israël, - zij hadden alle drie die landbelofte gekregen. En ze hebben niet te vergeefs naar de vervulling ervan uitgezien.
Al hebben zij het zelf niet meegemaakt, die vervulling is gekomen.

Hoezo, landbezit?
Toch, als je dan de psalm verder leest, dan gaat het meer over de tijd dat het volk Israël niet dan over de tijd waarin het wèl in het bezit was van het land. Kijk maar, drie van zulke periodes worden behandeld: het verblijf van de aartsvaders als vreemdelingen in het land Kanaän, totdat ze onder Jozef in Egypte kwamen. Dat gedeelte beslaat de verzen 12 tot en met 22. Vervolgens heeft de psalm het over Israëls verblijf in het land Egypte en weer valt daarin het woord vreemdelingen. Ik bedoel nu het gedeelte van vers 23 tot en met vers 38.
En de derde periode wordt gevormd door de verzen 39 tot en met 43.
Daarin gaat het over de tocht van Israël door de woestijn op weg naar Kanaän. En het is pas op het eind van de psalm, in vers 44, dat we lezen: 'Hij gaf hun de landen der volken, zodat zij de arbeid der natiën beërfden'.
Dan gaat het dáár dus pas (hè, hè!) over de intocht in het beloofde land.
Het is zeer opvallend dat deze psalm die het over de belofte van het land wil hebben, zo laat pas op zijn apropos lijkt te komen. En bij dat op één na laatste vers heb ik dan nog iets te laten zien dat ik nu eerst nog even als verrassing zal bewaren.

Urbi et orbi
Om te begrijpen wat hier in deze psalm gebeurt, moeten we bedenken dat hij gemaakt is na de gevankelijke wegvoering naar Babel. In de tijd dus dat voor Gods volk de verstrooiing begonnen was, die ook niet meer opgehouden is. Goed, een klein deel van Israël was uit de ballingschap teruggekomen en had zich in en rond Jeruzalem gevestigd, maar het overgrote deel van de Joden woonde en bleef wonen in den vreemde. Wanneer de hogepriester in de vernieuwde tempel van Jeruzalem de zegen gaf over het volk, dan moest hij dat net zo doen als de paus nu: Hij gaf dan de zegen urbi et orbi, dat wil zeggen 'voor de stad en voor de wereld', voor Jeruzalem en voor de verstrooiing. De verstrooiing, die we ook duidelijk in het NT tegenkomen.
Denk maar aan het bekende Handelingen twee van Pinksteren: 'Parthers, Meders, Elamieten en die inwoners zijn van Mesopotamië...enz'. Het gaat in die opsomming over Joden en Jodengenoten (vers 10) die in de landen van de verstrooiing leefden. Het was voor deze Joden uit de verstrooiing natuurlijk een hard gelag om van de belofte van het land te horen, terwijl zij zelf als vreemdelingen onder de volken verkeerden. U moet niet zeggen: Nu ja, eigen schuld, want ze konden toch naar Jeruzalem gaan?, want heus, dat was niet voor iedereen weggelegd.
Net zo min als in de oorlog iedereen kon onderduiken. Je kunt zelfs zeggen: Onderduiken kon je in de oorlog alleen dank zij het feit dat er waren die dat niet deden. Hoe dat ook zij, niet allen konden naar Jeruzalem terug, nog daargelaten dat er geen plaats voor ze was.

De bedoeling van het landbezit
Wat doet nu deze psalm? Hij wil laten zien dat de Here God ook in de verstrooiing de belofte van het land verwerkelijkt.
Dat ook zonder het bezit van het land de bedoeling van dat bezit gerealiseerd wordt. De bedoeling van het landbezit. Eerst gaat de psalm daarvoor naar de periode van de aartsvaders. Vreemdelingschap, volop! Maar Abraham, Isaäk en Jakob, zij stonden onder Gods hoge bescherming.
God 'gedoogde niet dat enig mens hen verdrukte en bestrafte koningen om hunnentwil: Raakt mijn gezalfden niet aan, en doet mijn profeten geen kwaad' (Vss 14 en 15).
Tussen haakjes, hier kun je zien dat de psalm uit de tijd van na de ballingschap is. De gezalfde koning is er niet meer, de stroom van de profetie is ook opgedroogd, maar het volk weet dat die ambten van profeet en koning nu in zekere zin op het volk zijn overgegaan.
Een voorschotje, om zo te zeggen, op de nieuwtestamentische situatie. Bij het ambt van priester was dat nog niet het geval, want priesters liepen er genoeg rond in Jeruzalem.
Maar de plaatsen van koning en profeet waren om zo te zeggen vakant.
Het feit nu dat de aartsvaders hier als koningen (gezalfden immers) en profeten worden aangeduid, ja, daarin herken je die na-ballingschapstijd, waarin zoveel van wat vóór de ballingschap bestond, vergeestelijkt terugkeerde.
Maar hoe dat verder ook zij, zoals de aartsvaders in die oude tijd bescherming hadden genoten, toen ze van volk tot volk trokken en van het ene koninkrijk naar het andere, zo is de Here bij machte ook nu zijn volk in de verstrooiing die bescherming te verlenen. En bescherming, het bieden van veiligheid, dat is toch één van de funkties van een eigen land.

Egypteland
Dan de tijd dat Israël in Egypte was.
De Egyptenaren waren een volk dat sinds mensenheugenis in eigen land geleefd had. Het land Egypte was bijna zo oud als het paradijs (zie Genesis 13 : 10). De Egyptenaren wisten niet eens van een landbelofte, zij kenden alleen maar het landbezit. En Israël leefde dáár, op dat Egyptische patrimonium, als een verdrukte vreemdeling.
Maar kijk nu eens wat er gebeurt als de Egyptenaren zich aan die vreemdelingen in hun midden vergrijpen! Dan verwekt God een Mozes en een Aäron en dan komen er tien plagen over het land. Inderdaad, over het land. Dat land keert zich dan tegen zijn eigenheimers, de Egyptenaren. 'Het land van Cham', zo wordt Egypte in dit verband genoemd en dat is een weinig vleiende benaming. Weinig vleiend en onheilspellend, want Egypte wordt nu onder de straffende hand van God een land van duisternis (vs 28), het water ervan wordt bloed (vs 29), het land wemelt van kikvorsen (vs 30), het ganse gebied van muggen en steekvliegen (vs 31), vernietigende hagel komt over het land (vs 32), die het geboomte in hun gebied vernielt (vs 33), sprinkhanen eten het groene kruid van het land en de vrucht van de akker (vs 35) en tenslotte worden de eerstgeborenen in hun land gedood (vs 36).
Hoort u wel, steeds die woorden 'land' en 'gebied'. Land is immers het thema van de psalm? Het eigen land biedt de Egyptenaren dus geen garantie hoegenaamd om in leven te blijven. En dat is toch de belangrijkste funktie van een land, nietwaar? Dat de bodem voedingsbodem zal zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief