Grenzen aan vergeving
2000-12-22
Het boek De Zonnebloem van Simon Wiesenthal had mij al in zijn ban toen ik er over gelezen had in Philip Yancey’s boek Genade, wat een wonder.- Jaargang 44
- nummer 26
Het boek daagt namelijk uit om (opnieuw) te overdenken wat de mogelijkheden van en de grenzen aan vergeving zijn. Niet onbelangrijk wanneer genade en vergeving het hart van ons geloof vormen.
In het boek De Zonnebloem beschrijft Simon Wiesenthal hoe hij als Joodse concentratiekamp-gevangene dwangarbeid verricht in een hospitaal.
Tijdens dat werk wordt hij aan het sterfbed geroepen van Karl, een jonge SS’er. Karl biecht hem op hoe hij met zijn compagnie 150 à 200 Joden in een huis bijeen heeft gedreven, het huis in brand heeft gestoken en iedereen die probeerde te ontsnappen heeft doodgeschoten.
De SS’er vraagt aan Wiesenthal om hem te vergeven. Wiesenthal spreekt geen verlossende woorden, maar verlaat zwijgend de kamer. Na de oorlog blijft de vraag hem bezighouden of hij daarmee juist gehandeld heeft.
Die vraag en de vraag wat zij gedaan zouden hebben legt hij in 1969 aan een tiental en in 1996 aan nog 43 andere mensen van naam voor: theologen, politieke leiders, vooraanstaande ethici en schrijvers. En eigenlijk stelt hij die vraag aan elke lezer.
Verlegenheid
Vergeven of niet vergeven, dat is de vraag die Simon Wiesenthal ons voorlegt.
De vraag roept een gevoel van verlegenheid op, omdat zij ons lijkt te dwingen tot een ‘of/of’ antwoord. We willen graag nuanceren, want er is zóveel dat mee moet wegen in het eindoordeel, dat het de vraag is of de balans zo duidelijk naar één kant kan doorslaan. Tegelijkertijd komt de vraag op of nuancering past bij het begrip vergeving. Vergeving heeft iets absoluuts.
Een beetje vergeving is geen vergeving. Voor nuancering lijkt daarbij geen plaats, hoe graag we ook aan die behoefte gevolg zouden willen geven.
Dat gevoel van verlegenheid wordt ondertussen versterkt doordat aan het sterfbed van de nazi het antwoord niet lang op zich kan laten wachten; hoe vreemd dat ook moge klinken in het geval van een antwoord waar wij een halve eeuw later nog steeds over nadenken.
Wiesenthal heeft amper de tijd om allerlei morele overwegingen te maken.
Daar waar rechters in eenvoudigere zaken meer tijd gegund wordt om te komen tot een weloverwogen vonnis.
Wiesenthal krijgt ook niet de tijd en ruimte voor het doorlopen van een innerlijk proces waarin wraaklust stap voor stap overwonnen kan worden, emotionele wonden kunnen helen en vergevingsgezindheid en empathie voor Karl geleidelijk kunnen ontluiken.
Net zo min als Karl tijd van leven gegund is voor boetedoening of om de oprechtheid van zijn berouw te tonen.
Woordvoerder
Een voor sommigen onverwachte reactie op dit dilemma, maar daarmee niet minder treffend, komt van Alan Berger, één van de respondenten, die opmerkt: ‘Ik mag iemand vergeven die tegen mij gezondigd heeft. Ik mag niet iemand vergeven die het leven van een ander heeft genomen’.
Niet vergeven namens een ander, dat principe spreekt aan omdat het recht doet aan het relationele karakter van vergeving. Bovendien draagt het slachtoffer meestal de kosten voor het vergeven van schuld. Namens een ander vergeven is dus vaak goedkope genade ten koste van een ander. In het licht van deze opvatting is moord een feitelijk onvergeeflijke daad. En slechts bij uitzondering zullen slachtoffers in het aangezicht van de dood zo vergevingsgezind zijn dat ze in navolging van Jezus Christus vlak voor het sterven om vergeving bidden voor hun daders.
Mijn bezwaar tegen dit principe is echter dat het alleen opgaat in een kille abstractie van de werkelijkheid.
Zelfs de van haat doordrenkte samenleving ten tijde van WO II was nog niet zo kil dat het lijden van de een geen meelijden van vele anderen betekende. Zonde tegen een enkeling betekent dus meestal een veelheid aan slachtoffers. In werkelijkheid heeft een moordenaar dan ook de vergeving van meer dan alleen zijn directe slachtoffers nodig. Simon Wiesenthal had zo bezien het recht om in ieder geval uit eigen naam vergeving te schenken.
De veelheid van indirecte slachtoffers maakt gelijk ook duidelijk de behoefte aan een persoon of een instantie die namens het collectief mag spreken.
Zoals ook namens het collectief recht gesproken wordt en gratie wordt verleend. Zo spreekt het Joegoslavië tribunaal recht namens de Verenigde Naties. En zo verleent onze koningin gratie als staatshoofd. In de kerkgemeenschap is deze rol soms aan de predikant, soms aan kerkenraad of meerdere vergaderingen toebedeeld.
Je kunt je afvragen of in situaties waar noch staatshoofd noch tribunaal voorhanden zijn de overlevenden namens het collectief van slachtoffers mogen spreken. Als dat zou mogen, dan lijkt Simon Wiesenthal als lotgenoot van de door Karl vervolgde Joden daarvoor zeker in aanmerking te komen. Waarbij gelijk de volgende vraag is of voor een zo publieke misdaad absolutie verleend mag worden in de beslotenheid van bijvoorbeeld een biechtstoel of - zoals in dit geval - die van een ziekenkamer.
Dit alles gezegd zijnde, ook al is er een veelheid aan indirecte slachtoffers, lijdt misschien zelfs wel de hele mensheid door dit soort gruwelijke oorlogsmisdaden en ook al is het noodzakelijk dat personen of instanties uit naam van een collectief mogen spreken, toch is het een belangrijk inzicht dat het recht te vergeven allereerst toekomt aan de directe slachtoffers.
Jom Kippoer
Nog een belangrijke vraag die beantwoord moet worden, willen we het dilemma oplossen, is: mag God de nazi vergeven? Rabbi Heschel stelt in zijn bijdrage: ‘Volgens de Joodse traditie kan zelfs God Zelf alleen zonden vergeven die tegen Hemzelf begaan zijn, niet die tegen mensen’. De theologe Eva Fleischner verwijst in dit verband naar de Misjna (gezaghebbende verzameling van rabbijnse uitspraken en overleveringen). Daarin staat over de Grote Verzoendag, Jom Kippoer: Voor zonden tegen God brengt de Grote Verzoendag vergeving. Voor zonden tegen onze naasten brengt de Grote Verzoendag geen vergeving voordat men zich met zijn naaste verzoend heeft (Joma 8:9).
Als God inderdaad pas vergeeft nadat onze naaste ertoe komt ons te vergeven, dan zal voor velen de dag van de grote verzoening niet op Jom Kippoer vallen, maar op sint-juttemis. De middeleeuwse filosoof Maimonides brengt nuance in deze Joodse traditie aan door een ontsnappingsclausule te formuleren voor berouwvolle zondaren die tegen blijvende wrok oplopen (1). Deze Joodse visie, al dan niet in genuanceerde vorm, lijkt mij tekort doen aan Gods soevereiniteit en het onvoorwaardelijke karakter van Zijn genade. Bovendien gaat ze voorbij aan het inzicht dat elke zonde allereerst een breuk met God betekent.
Een besef waarvan David diep doordrongen was na de Bathseba-affaire getuige zijn uitroep: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd (Psalm 51:6).
Toch is deze Joodse traditie van waarde, wanneer we daaruit leren dat wij niet al te gemakkelijk mogen volstaan met het zoeken van verzoening met God, om vervolgens de verzoening met onze naaste te vergeten. Dat is overigens ook iets wat Jezus ons leerde in de bergrede toen Hij zei: Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, voor het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave (Mattheüs 5:23,24).
Jehnseits von Schuld und S.hne
Een even belangrijke vraag is: zijn er misdaden, zo gruwelijk dat ook God ze niet kan vergeven? ‘Diep in het binnenste van Dantes Inferno bevindt zich een zondaar wiens aanwezigheid de lezers van Dante in verwarring moet hebben gebracht, omdat ze dachten dat deze zondaar nog in leven was. Dat was hij ook; maar Dante roept als dichter de ketterse opvatting in het leven dat er daden zijn die zo ongehoord zijn dat ze de ziel van de zondaar nog voor zijn dood tot eeuwige verdoemenis veroordelen’.
Met deze woorden introduceert Lawrence Langer de onvergeeflijke zonde. Heeft Karl een onvergeeflijke zonde begaan toen hij samen met zijn compagnie die grote groep onschuldige Joden zo gruwelijk vermoordde?
Welke maatstaven kunnen wij hanteren wanneer wij iets zinnigs willen zeggen over de ernst van deze misdaad en over de mate waarin eventuele vergeving mogelijk is? Jean Améry gaf zijn boek over zijn tijd in Auschwitz de titel Jehnseits von Schuld und Sühne, waarmee hij aan wil geven dat de misdaden van de holocaust ver voorbij het punt liggen waar termen als schuld en verzoening hun normale betekenis hebben. Van vergeving kan wat hem betreft dus geen sprake zijn.
Niet minder onder de indruk van de holocaust en toch verdedigers van een andere opvatting zijn bijvoorbeeld Theodore Hesburg en Christopher Hollis.
Hesburg zegt: ‘Natuurlijk is de zonde hier gigantisch, monumentaal. Toch is ze eindig, en Gods genade is oneindig’.
Waarmee niet alles gezegd kan zijn, want hoewel zelfs de holocaust ons tegenover de eeuwige God klein in menselijkheid en vergankelijkheid kan schijnen, relativeert God zelf zelfs kleine zonden niet, maar reageert daarop ook met Goddelijke toorn.
Hollis stelt: ‘De absolute wet werd duidelijk door Christus aan het kruis verkondigd, toen Hij bad om vergeving van zijn eigen moordenaars’.
Deze opmerking brengt ons verder, want als één zonde de holocaust overtreft dan is het toch wel de moord op de Zoon van God. En als nota bene vanaf het kruis dan de woorden klinken: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’, dan lijkt bij God ook vergeving mogelijk te zijn voor misdaden zoals die van Karl.
Bij dat laatste nog de volgende kanttekening: de Holocaust kwam in sommige opzichten wel dicht in de buurt van wat op Golgotha gebeurde. Voor velen was na Auschwitz God voorgoed dood verklaard. In dat licht is het opvallend dat de SS’er Karl, nadat hij een stuk van die hel op aarde heeft geschapen, juist zijn geloof terugvindt in God en Hem vreest.
Een belangrijke reden die wordt aangevoerd om moord als onvergeeflijk te beschouwen, is de onomkeerbaarheid van moord. Herstel in de oude situatie is onmogelijk. Cynthia Ozick citeert de seculier Joodse moraalfilosoof Hannah Arendt: ‘Het enige tegengif tegen de onomkeerbaarheid van de geschiedenis is de mogelijkheid van vergeving’. Wat mij betreft wordt in deze ene zin de kracht van vergeving zeer treffend onder woorden gebracht. Maar Ozick citeert met misnoegen. En daar valt begrip voor op te brengen, want wanneer wij moord vergeven, brengen wij daarmee de doden niet tot leven. Wij geloven echter in een God die wel doden tot leven kan brengen. Het is veelzeggend dat in Jezus’ lijden en sterven het verwerven van genade voor zondaren en het overwinnen van de dood met elkaar verweven zijn. Ik zeg het in alle voorzichtigheid, want er hangt theologisch veel mee samen, maar voor vergeving in Gods naam lijkt Hannah Arendts opmerking zeker op te gaan.
Niet uniek
De reactie op het dilemma die mij het meest aanspreekt, wordt verwoord door de schrijver Harry James Cargas die zegt: ‘Ik ben bang om niet te vergeven, omdat ik bang ben dat mij niet vergeven wordt. Op het moment van het Oordeel zal ik eerder om genade bidden dan om gerechtigheid’.
Dit klinkt mij het meest Nieuwtestamentisch in de oren. Want hoewel het belangrijk is oog te hebben voor de verschillen in ernst tussen de ene zonde en de andere zonde, zijn alle mensen daarin gelijk dat ze door hun zonde van God gescheiden zijn en allen volledig afhankelijk zijn van Gods genade. En Jezus Christus legt zelf het verband tussen de genade die wij van God ontvangen en de genade waarmee wij andere bejegenen (b.v. Mattheüs 6:14,15 en 18: 21-35).
Onze eventuele weigering om te vergeven kan voortkomen uit een misplaatst gevoel van morele superioriteit.
Het viel mij op dat van de 53 mannen en vrouwen van naam, slechts een enkeling het besef uitspreekt zelf ook, evenals de soldaat Karl, volledig afhankelijk te zijn van genade. Eén van die enkelingen is dan ook nog Albert Speer, de megalomane architect van het Derde Rijk, lieveling van Hitler en als oorlogsmisdadiger veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat heel wat van de 53 respondenten ofwel als Jood heeft geleden onder de holocaust, ofwel de gevolgen heeft ondervonden van latere genociden of andere soorten van onderdrukking.
Onder hen vinden we namen als Harry Wu, Desmond Tutu, Dith Pran, de Dalai Lama en Sven Alkalaj.
Namen die ons er aan herinneren dat na de holocaust onder meer miljoenen de dood vonden in China.
Dat Zuid-Afrika zijn apartheidsregime kende, Cambodja zijn killing fields, de Tibetanen hun onderdrukking door de Chinezen en de Bosniërs hun tragedie waarin wij als Nederlanders in Srebrenica nog een machteloze rol mochten spelen. Met recht dat zij zich allereerst in Simon Wiesenthal herkennen.
Maar wanneer Jezus ons gebiedt onze vijand lief te hebben, dan vraagt dat van ons dat wij ons kunnen inleven in de tegenpartij. En die empathie is een belangrijke eerste stap naar vergeving. Die veelheid van genociden en onderdrukking, waar bijvoorbeeld Armenië en Rwanda nog niet genoemd zijn, bepaalt ons er overigens bij dat zelfs massale slachtpartijen niet uniek zijn. Dat staat niet los van het feit dat alle mensen zondaren zijn en afhankelijk zijn van Gods genade.
Een eigen antwoord
De uiteindelijke uitdaging is om een eigen persoonlijk antwoord te geven op de vraag die Simon Wiesenthal ons voorlegt: wat zou u of jij gedaan hebben in mijn plaats? Ik geloof dat een christen, die met het evangelie toch een boodschap van genade heeft, hier niet kan zwijgen. We mogen uitspreken dat het haast onmogelijk is om in reactie op deze vraag de juiste woorden te spreken. We mogen aangeven dat het in meerdere opzichten zwaar valt om onder tijdsdruk zomaar even te vergeven. Het is goed om op de een of andere manier aan te geven dat wij niet namens de directe slachtoffers kunnen spreken, en dat het maar de vraag is of wij hier namens alle indirecte slachtoffers mogen spreken.
Hopelijk is het niet nodig om Karl ervan te overtuigen dat hij een immense misdaad heeft begaan waarvoor hij ook met zijn eigen dood volstrekt niet kan betalen en waarvoor hij verdient voor eeuwig verdoemd te zijn. Menselijkerwijs gesproken is er daarom ook eigenlijk geen vergeving mogelijk. Dit en nog veel meer zou gezegd kunnen worden. Maar als we inderdaad niet mogen zwijgen dan moet absoluut ook gezegd worden dat God deze afschuwelijke misdaad kan en mag vergeven en ook bij machte is te herstellen wat Karl zo gruwelijk heeft verwoest. Wanneer Karl’s berouw oprecht is, en alleen God kan dat toetsen, en Karl zoekt bij God genade, dan zal God genade schenken, om Jezus’ wil.
Simon Wiesenthal, The Sunflower On the Possibilities and Limits of Forgiveness, 1998, Schocken Books, New York. (Nederlandse vertaling: De zonnebloem, Over de grenzen van vergeving, 1997, Becht, Haarlem.
Philip Yancey, Genade, wat een wonder!, 1998, Barnabas, Heerenveen.
(1) ‘Als (…) de getroffen partij onwillig is om te vergeven, moet hij (de dader) drie vrienden van het slachtoffer bijeen brengen en zij moeten de getroffen persoon dringend verzoeken en aansporen tot vergiffenis.
Als zij daarin niet slagen, moet hij (de dader) een tweede en zelfs een derde groep meenemen. Als het slachtoffer onvermurwbaar blijft, laat de overtreder hem alleen en gaat weg; degene die weigerde te vergeven is nu de zondaar’ (Everett L. Worthington Jr. (ed.), Dimensions of Forgiveness, Psychological Research & Theological Perspectives, 1998, Templeton Foundation Press, Philadelphia & London, p. 42v.)