Preekles voor Kerst
2000-12-22
Het was de vorige week. Preekles op maandag voor een paar `lekenpredikers`.- Jaargang 44
- nummer 26
Ditmaal twee onderwijzers en twee chauffeurs. Mijn eerste preekschets voor Kerst-2000 lag klaar om straks met hen mee te gaan naar huis.
De jongste van hen, L. hield een preekje over de opgegeven tekst: Jesaja 8:16- 9:1. Helemaal niet slecht! Ik had expres dat einde van hoofdstuk 8 over het consulteren van de geesten van doden erbij getrokken. Dat is Afrika immers voluit! De jonge preker had het goed opgepikt. Het volk dat zijn God niet vraagt maar naar de geesten van doden gaat, wandelt in duisternis. Daarmee gaat het verkeerd. Maar hij had wat onderbelicht gelaten dat de Verlosser van de Here juist voor die verwarde mensen was gekomen. Kijk maar naar de vervulling in de Evangeliën! De Here Jezus gaat in Galilea dat helemaal achterblijft en waarvan men niets meer verwacht aan het werk. De Heer doet de deur voor Afrika niet dicht maar maakt hem juist open. We hebben het niet te vaak over de afgoden van Afrika. Eerder over wat de Heer wèl verlangt en verwacht dan over wat Hij niet wil. Wie altijd maar op die afgoden hamert, kan een fanatiek zelfmasochisme oproepen of van de kerk een geheime, ondergrondse voorouderdienst maken.
Onderwijzer M. ken ik nog niet zo goed. Maar de weinige keren dat hij er nu was geweest, had hij de kat de bel aangebonden met doordachte vragen.
Daar kwam zijn eerste vraag al. Ja, we horen nu wel van alles over de afgoden van Afrika maar ik heb nog nooit iets gehoord over afgoden van de blanken van Europa. Mag ik daar nu eens wat over horen? Daar schoof het gesprek een richting uit waar ik liever niet heen wilde gaan. Liever bij de Heer van Kerst die het verlorene zoekt dan een zwartblank gesprek. Maar ik kon M.`s vraag moeilijk uit de weg gaan. Dus zei ik, zeker, de blanken hebben heel wat afgoden die heel intens gediend worden.
Welke dan? Nou, daar is de afgod van het materialisme(dat ik zo goed mogelijk verduidelijkte), de hele ik-cultuur die ons laat geloven dat we het als blanken zonder God wel klaarspelen in dit leven, de afgod van ontwikkeling dat alles altijd maar verder moet ontwikkelen naar beter en sneller. Hij lachte wat en zei wat belerend: ik bedoel niet bedachte afgoden maar echte die je kunt aanroepen. Jullie hebben als blanken toch wel afgoden zoals wij in Afrika de onzen hebben, levende afgoden? Na nog wat heen en weergepraat waarin ik de broeders die nu allemaal klaar en wakker waren, maar nauwelijks kon overtuigen dat onze witte afgoden van vandaag springlevend zijn, vertelde ik dat onze afgoden van Europa van vroeger zoals Afrika die nog kent, vandaag dood zijn. Daar zijn we al een heel aantal eeuwen vanaf.
Hadden die ook namen? Daarop kon ik wel antwoorden. Ik had onlangs juist gelezen Anton Wessels` ‘Kerstening en Ontkerstening van Europa’. En de namen van Tyr, Wodan, Donar en Freya rolden er zomaar uit. Nou, zei hij, wanneer die dan al zolang verdwenen zijn, hoe weet je dan dat alles van hen? Achteraf denk ik hier een fout gemaakt te hebben door te zeggen: kijk, die namen komen we nog elke dag tegen in de namen van onze dagen en ik ging even het Engelse rijtje langs van maandag etc.
Hij had even goed nagedacht. Dus alle blanke mensen noemen nog elke dag de namen van hun afgoden in die dagen? Waarom kiezen jullie dan niet andere namen voor de dagen van de week? Dat zouden wij in Afrika vast wèl doen. Ik dacht het gevaar te ontlonten en zei: je moet niet vergeten dat die oude goden al zo dood zijn dat veruit de meeste blanken van Europa hun namen niet eens meer kennen. Ze zijn zich niet eens ervan bewust dat wanneer zij het over woensdag of donderdag hebben, zij woorden gebruiken die op oude afgoden teruggaan. Maar zei hij gevat: hoe weet u er dan van?
Nou, antwoordde ik, ik heb er het één en ander over gelezen, zie je. Toen diende hij mij de genadeslag toe: U bent umfundisi oftewel dominee, dan moet u het ze vertellen dat ze het weten. Wat ik dan hierbij doe.
J.Vonkeman, Richmond, Zuid-Afrika