Nietzches valse dilemma (2)
1998-02-06
Nietzche verwijt het christelijk geloof, dat het mensen belet echt te leven. In zijn ogen is het bij uitstek de godsdienst van de zwakken. Zelf roept hij er toe op, JA te zeggen tegen het leven en de werkelijkheid, inclusief de moeiten daarvan. Die keuze vraagt om sterke, levenslustige mensen. Menige gelovige voelt zich door dat appèl aangesproken. Maar volgens Nietzsche is het onmogelijk er gehoor aan te geven en tegelijk christen te zijn. Heeft hij gelijk?- Jaargang 42
- nummer 3
Een wreed universum
Om die vraag te beantwoorden, dient men goed tot zich te laten doordringen dat Nietzsche godsdienstigheid als zodanig al een teken van zwakte vindt. In zijn ogen is het terugvallen op God alleen maar een vluchtweg om aan de rauwe werkelijkheid te ontkomen. Want heb geen illusies: de werkelijkheid is rauw. Nietzsche heeft veel oog gehad voor het lijden in deze wereld. Fijnbesnaard als hij was, heeft hij doorvoeld hoe mensen, maar ook dieren, onuitsprekelijk veel pijn moeten doorstaan.
Dat stempelde zijn wereldbeeld. Voor hem was de wereld geen toonbeeld van harmonie, maar een schouwspel van willekeurige wreedheid. Hij kon in de geschiedenis geen samenhang of vooruitgang ontdekken, maar zag er niets anders in dan een zinloos wirwar van grillige lijnen. Ook kwam hij tot de conclusie, dat alles, maar dan ook alles, betrekkelijk is: wat voor de een mooi is, is voor de ander lelijk; wat voor de een boven is, is voor de ander onder; wat voor de een waar is, is voor de ander onwaar. En dus: als je het hebt over JA zeggen tegen het leven, vergis je dan niet! Dan gaat het waarachtig niet alleen om leuke dingen.
In dat JA klinkt een ondertoon van verpletterende ernst. De werkelijkheid aanvaarden houdt niet in de laatste plaats in: aanvaarden dat zij zinloos is; dat er geen eeuwige, tijdloze waarheden bestaan; dat een mens nergens onwankelbaar houvast aan heeft; dat het leven wreed is. De godsdienst nu sluit voor die barre realiteit de ogen. Zij verdraagt haar niet. Gelovigen troosten zich met de gedachte dat er een andere werkelijkheid is, achter de bestaande: de werkelijkheid van God, en van de eeuwigheid, van een diepere, hogere zin ...
Maar zie goed, zegt Nietzsche, dat hier de wens de vader van de gedachte is.
De religie heeft een droomwereld ontworpen voor al die mensen die de echte wereld niet aan kunnen. Dat zijn er veel.
De meeste mensen missen de 'power' om de werkelijkheid te aanvaarden zoals zij is, in al haar gruwelijkheid en zinloosheid. Daar moet je echt sterk voor zijn. Daar is heel veel moed voor nodig, en levenslust. Maar dat is wel ten diepste wat Nietzsche bedoelt, als hij mensen oproept om sterk te zijn en zonder reserve JA te zeggen tegen het leven.
Zijn ideaal is dat mensen niet weg vluchten in de zoete droomwereld van het geloof, maar ten volle accepteren dat zij leven in een wreed universum zonder God, zonder eeuwige waarheden, zonder zin.
Graantjes meepikken?
Men kan zich afvragen of dit niet te veel gevraagd is. Is de sterkte waartoe Nietzsche oproept, niet bovenmenselijk? Kan een mens ooit consequent zoveel absurditeit dragen zonder enige dekking van boven? Met andere woorden: is het niet onvermijdelijk dat mensen op een of andere manier houvast zoeken, en zin, en een eeuwige toevlucht? Misschien moeten we dat maar eerlijk onder ogen zien: dat we gewoon te zwak zijn om zó JA tegen het leven te zeggen als Nietzsche wil. Maar dan krijgt hij dus inderdaad gelijk met zijn stelling dat godsdienst een zwaktebod is...
Op zich is er natuurlijk niks tegen om hem dat toe te geven. Het is toch geen schande om te erkennen dat je zwak bent? Nee, maar het is wel van belang om te zien dat er iets gaat wringen als je tegelijk graantjes uit zijn filosofie probeert mee te pikken. Het is geen wonder dat christenen die zich door Nietzsche aangesproken weten, iets van verscheurdheid in zichzelf voelen. Want hoe kan dat nou: eerst alle kaarten zetten op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, en dan vervolgens het leven hier en nu innig omhelzen? Eerst de basisbeslissing nemen om bij God te schuilen, en dan innerlijke levenskracht ontwikkelen om je midden in de stormen van het leven te kunnen opstellen? Eerst erkennen dat je zo zwak bent dat je niet zonder godsdienst kunt, en je dan ongemakkelijk voelen omdat de christelijke godsdienst toegesneden wordt op zwakke, falende figuren? Kortom: het heeft er de schijn van, dat Nietzsche met recht zegt dat een positie van sterkte zich uiteindelijk niet laat combineren met het volgen van Christus. Zo zadelt hij ons op met een akelig dilemma. Aan de ene kant voel je: 'ergens' heeft die man gelijk, als hij je uitdaagt om de rug te rechten en het leven met al z'n hoogten en diepten te beamen. Aan de andere kant wil je het geloof niet kwijt, omdat je van jezelf weet dat je niet kunt leven zonder een eeuwig houvast. Zitten we in dit dilemma niet hopeloos verstrikt? Of - is het misschien vals? Een aanleiding om dat laatste te vermoeden ligt in het feit, dat Nietzsches levenswijsheid en de bijbelse wijsheid elkaar raken. Twee weken geleden kwam aan de orde dat ook bijbelschrijvers oog hebben voor de waarde van sterk-zijn. Tegelijk is heel de bijbel vol van God, en van zijn verlossing, en van de zin die Hij aan de schepping geeft. Betekent dat dat die verscheurdheid waarvan hier boven sprake was, in de bijbel zelf zit? Nietzsche vindt van wel.
Hij kan zeker die partijen in de bijbel waarderen die levensvreugde ademen, en sterke mensen beschrijven. Maar wat hem betreft wordt alles bedorven door de oproep van het evangelie om je als zwakke en zondige mensen te laten redden.
Vooral het Nieuwe Testament moet het bij hem ontgelden.
Nu raak ik er steeds meer van overtuigd dat hij daarmee een verkeerde voorstelling van zaken geeft. De bijbel lijkt mij ook wat dit betreft uit één stuk te zijn.
Het komt mij voor dat het evangelie de lijnen van sterke levensdrift consequent verder trekt. Prikkelend geformuleerd: ook de overgave aan God is typisch iets voor sterke mensen. Want ten onrechte gaat Nietzsche ervan uit, dat alle godsdienst vlucht is.
Er is godsdienst, die de werkelijkheid juist ten volle beaamt, en ik waag de stelling dat de christelijke godsdienst daarin zelfs tot het uiterste gaat. Ik wil voor die stelling twee steunpunten aanwijzen: het christelijk uitgangspunt dat God zich openbaart, en de leer van de Heilige Geest.
Openbaring
Het is van belang om te zien, dat Nietzsche scherp scheiding maakt tussen de werkelijkheid en God. Volgens hem is in de werkelijkheid als zodanig van God geen spoor te bekennen. Hij wordt er door mensen 'bijgesleept' omdat dat hen helpt bij het omgaan met de werkelijkheid. De werkelijkheid zelf geeft geen enkele aanleiding om over God te beginnen. Op dat punt zijn aan Nietzsche kritische vragen te stellen. Is het wel waar dat de werkelijkheid niet naar God verwijst? Verstaan wij de wereld en ons eigen mens-zijn wel ten volle, als wij afzien van Hem? Is het echt alleen maar dagdromen om een werkelijkheid achter de bestaande werkelijkheid aan te nemen? Of houdt het juist, omgekeerd, een gewelddadige beknotting van de werkelijkheid in om niet open te staan voor 'het hogere'? Ontspruit het zoeken naar een diepere zin van de dingen uitsluitend aan het onvermogen van mensen om met zinloosheid te leven, of roept de werkelijkheid zélf die vraag op?
Kortom: is het verschijnsel 'godsdienst' enkel en alleen te verklaren als een reactie van terugschrikken voor de werkelijkheid, of kan het zijn dat het juist een manier is van recht doen aan de werkelijkheid? Daar draait de discussie om, en het is boeiend om te zien hoe eigentijdse filosofen en theologen voor die tweede positie argumenten aandragen.
Maar ook in de praktijk van het christen-zijn kan een gelovig mens soms zo eigenaardig ervaren, dat niet hij het is die de werkelijkheid van God creëert, maar dat omgekeerd die werkelijkheid zich machtig aan hem opdringt en hem uiteindelijk overmeestert (vgl. Jeremia 20:7a). Welnu, in de bijbel valt dat alles onder de noemer 'openbaring'.
God maakt iets van zichzelf openbaar in de werkelijkheid. Wij verzinnen Hem niet, maar in de wereld waarin wij leven ritselt iets dat aanleiding geeft tot de gedachte aan God. Als je goed kijkt, zie je dat de dingen enigszins transparant zijn, zodat er een schijnsel doorheen schemert dat het vermoeden van een eeuwig licht oproept.
Psalm 19 zegt het onnavolgbaar mooi:
De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijnerhanden.
De dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht.
Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan hèt einde der wereld.
Bijbels gesproken sta je de werkelijkheid dus niet toe ten volle tot je door te dringen, wanneer je haar als het om God gaat het zwijgen oplegt! Dat geldt nog veel sterker ten aanzien van het hoogtepunt van Gods openbaring: de vleeswording van het Woord in Jezus Christus. De bijbel voert de ongehoorde pretentie, dat in een mens van vlees en bloed, volkomen behorend tot onze werkelijkheid, de eeuwige God zich ten volle uitspreekt.
Die andere werkelijkheid, die van Gods Koninkrijk, dringt hier diep in de ons bekende werkelijkheid binnen.
Het is niet te geloven: we staan voor een medemens, die we herkennen als een van ons (Marcus 6:3), en we zien zo maar de glorie van God van hem afspatten! - "wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd." (Johannes 1:14) En tegelijk wordt onze werkelijkheid van lijden en van raadselachtig kwaad daarmee niet verdrongen. Integendeel: Jezus neemt ze op zich; Gods heerlijk Koninkrijk manifesteert zich in een mens die de gebrokenheid met zich mee torst in het kruis. Dat is het unieke van Gods openbaring in Christus. Twee werkelijkheden komen hier samen tot één: de werkelijkheid van het verderf, en die van God; de werkelijkheid van het sterven, en die van het leven; de werkelijkheid van de zinloosheid, en die van de zin.
Maar dan gaat het al helemáál niet meer op, de werkelijkheid eenzijdig te beperken tot zinloosheid en vergankelijkheid en betrekkelijkheid. Christus, hoezeer ook toonbeeld van het vergankelijke, door onrecht geplaagde leven, toont ons tegelijk een veel vollere werkelijkheid: die van de heerlijkheid van God.
De moed om te geloven
Nietzsche had van die volheid geen weet. Hij zag alleen de zinloosheid, de pijn, de betrekkelijkheid. Wat deed hij dan met Jezus? Onmiskenbaar had hij voor Jezus een zekere sympathie. Hij onderkende het bijzondere van Jezus.
Maar het beeld van Jezus dat de evangeliën schetsen heeft hij gewelddadig vereenvoudigd. Van 'Gods-openbaring' in Jezus kon voor hem geen sprake zijn. Vreemd is dat eigenlijk: zo’n fijnbesnaard mens, zo'n diepte van inzicht, zo zwaar tillen aan het lijden, zo ontvankelijk voor schoonheid, en dan niet gevoelig zijn voor het evangelie dat zegt "Hier raakt God uw leven aan ..." Ja, dat is het eigenaardige van Gods openbaring: je kunt je eraan onttrekken. Gods werkelijkheid is anders toegankelijk dan de ons vertrouwde. Voor Gods werkelijkheid moet je open staan. En als je er niet voor open staat, gaat ze niet voor je open.
In mijn artikel 'Geloof en openbaring' heb ik in dat verband van interactie gesproken - zie de bundel Begeleidend Schrijven, blz. 191-200. Ik zou daar nu aan toe willen voegen dat Gods openbaring om moed vraagt, geloofsmoed. Bijbels gesproken is 'geloven' in God werkelijk het tegenovergestelde van vluchten. In de bijbel vind je in feite veeleer terugschrikken voor het beloofde land dan dagdromen van luilekkerland. De Israëlieten verkozen uiteindelijk Egypte boven Kanaän, en Jezus kreeg de meeste van zijn tijdgenoten niet mee toen Hij de spanning van het Koninkrijk van God op hun leven zette. Nee, de werkelijkheid van God is alleen geschikt voor mensen die pit hebben, die niet bang zijn voor avontuur, die onvermoede ruimten durven betreden, en die niet bang zijn van hun eigen beperktheid. Kortom: Gods openbaring wil in onze ziel iets losmaken dat met volledige acceptatie, met durf, met levensdrift te maken heeft. Jezus daagt ons mensen uit, Hij prikkelt ons om in de aanvaarding van onze eigen zwakke kanten met Hem over een muur te springen (vgl. Psalm 18:30). Vandaar dat zinnetje: de overgave aan God is typisch iets voor sterke mensen. Wat sterk is die Kanaänietische vrouw geweest, die aanvaardde dat zij buitenstaander was en tegelijk de moed had om zich door Jezus toegang te forceren tot het Koninkrijk van God (Mattheüs 15:21-28). Wat sterk is die misdadiger geweest, die onder ogen durfde zien dat hij hermetisch opgesloten zat in zijn falen, en er tegelijk op vertrouwde dat Jezus het paradijs voor hem zou openen (Lucas 23:40-43). Wat sterk zijn de mensen van Hebreeën 11 geweest, die tegen de klippen op vasthielden aan de belofte. Zegt Paulus soms daarom dat niemand kan zeggen: Jezus is Heer, dan door de Heilige Geest (I Cor. 12:3)? Maar dat moet wachten tot een derde artikel over Nietzsche.