Christenen in een (post)moderne tijd

1998-02-06
  • Jaargang 42
  • nummer 3
De laatste maanden van 1997 is er in de gereformeerde en evangelische pers veel aandacht aan de invloed van het huidige denkklimaat op de beleving van het christelijk geloof.
Aanleiding daartoe vormt het onderzoek dat de EO heeft laten doen bij de leden over de inhoud van hun geloofsopvattingen en de conferentie die in het verlengde daarvan was georganiseerd. De lezingen van die conferentie zijn met de uitslag van het onderzoek gepubliceerd onder de titel: “De boodschap en de kloof. Communicatie van het evangelie in een postmoderne tijd. Onderzoek, analyse, beantwoording.” In dit artikel wil ik aandacht vragen voor de wijze waarop in deze publicaties over ‘modern’ en ‘postmodern’ wordt gesproken.

Zowel op de conferentie als in de publicaties naar aanleiding daarvan is nogal eens de indruk gewekt dat gereformeerden en evangelischen lange tijd modern zijn geweest maar nu de invloed ondergaan van postmoderne tendensen. Opvallend daarbij is dat niet zozeer de gevaren daarvan als wel de positieve kanten werden benadrukt.
Tegenover de eenzijdige nadruk van het moderne denken op het verstand werd de als postmodern getypeerde behoefte aan beleving en ervaring op zijn minst als een noodzakelijke correctie gezien. Ook het feit dat allerlei geloofswaarheden niet meer als vanzelfsprekend worden aangenomen, werd eerder als positief dan als bedreigend ervaren. De nadruk kwam vooral te liggen op de behoefte aan en het belang van echtheid.
Met dat laatste kan ik helemaal instemmen. In het bijbelse spreken staat waarheid niet buiten de werkelijkheid maar is zij bedoeld om eruit te leven. Geloof in de waarheid van het evangelie is vanuit de bijbelse norm gezien daarom altijd levensecht. Ook voor de communicatie van het evangelie is deze echtheid een vereiste, zeker in onze tijd. Juist daarom zijn er evenwel een paar kanttekeningen nodig bij de wijze waarop over 'modern' en 'postmodern' wordt gesproken. Vanwege de beschikbare ruimte zal ik me beperken tot korte aanduidingen.

Verstand en gevoel
In de eerste plaats is het aandacht vragen voor het gevoel tegenover het verstand niet typisch postmodern.
Eenzijdige nadruk op de intellectuele kant van het geloof heeft altijd een tegenhanger gehad in aandacht voor beleving en gevoel. In de Middeleeuwen is er brede aandacht voor de mystieke ervaring naast de doordenking van de geloofswaarheden met behulp van de scholastieke methode. In de postmoderne tijd vraagt de Romantiek nadrukkelijk aandacht voor het gevoel tegenover de eenzijdige nadruk op het rationele denken in de Verlichting. En wat de protestantse wereld betreft kan gedacht worden aan het piëtisme als reactie op de herleving van de scholastiek na de reformatie.
Maar iets anders is belangrijker. Typisch postmodern is niet zozeer het verlangen naar echtheid als wel de twijfel aan de mogelijkheid ervan. Kenmerkend voor het postmoderne denken is namelijk dat het kritische vragen stelt bij het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid. Wie het verlangen naar echtheid, dat er inderdaad is, 'postmodern' noemt, gaat hieraan voorbij.
Opvallend in dit verband is wat Sherry Turkle schrijft in haar boek Life on the screen. Identity in the age of internet (1995). In het Nederlands: Leven op het scherm. Identiteit in de eeuw van internet. Omstreeks 1970 liep zij in Parijs colleges bij postmoderne filosofen als Foucault, Lacan, Deleuze. Wat zij zeiden over menselijke identiteit en betekenisverwijzingen in verband met de relatie tussen taal en werkelijkheid, bleef toen erg abstract voor haar. Maar nu hebben de mogelijkheden van internet hun ideeën concreet gemaakt. Voor sommige mensen zijn de belevingen die door computersimulaties worden opgeroepen even reëel als die in het echte leven. Het gaat om het gevoel, wat wordt beleefd. Of het echt is? Dat doet er eigenlijk niet toe. De werkelijkheid die je kent zit immers toch alleen maar in jezelf? Achter die gedachte zit de filosofische opvatting dat kennis en ervaring of de taal die we spreken de echte werkelijkheid, als die er al zou zijn, toch nooit kunnen bereiken. Er zijn alleen maar opvattingen en die zijn bij ieder verschillend. In dit verband kan ook gewezen worden op de wereld van de reclame en van de TV. Wat is schijn, opgeroepen door de beelden die ophet scherm worden getoond? En wat is werkelijkheid?
Het optreden van politici voor de media geeft aanleiding tot soortgelijke vragen. Met het oog ophet politieke effect lijkt de manier waarop iets wordt gezegd belangrijker dan de waarheid.
Zo'n manier van denken en leven roept gemakkelijk als tegenhanger toch weer het verlangen naar echtheid op. Terecht, maar die echtheid kan dan niet meer alleen met gevoel en beleving worden verbonden. Hoe belangrijk die ook mogen zijn, er is een toets nodig die daar bovenuit gaat. Schijn en werkelijkheid moeten kunnen worden onderscheiden. Op zijn minst moet beleving en ervaring verbonden zijn met het gewone leven. Van belang is ook de vraag waardoor de gevoelens worden opgeroepen.
Immers, niets kan zo gemakkelijk gemanipuleerd worden als ons gevoel. Het is daarom zaak de echtheid van het geloof niet te snel met de ervaring van het gevoel te identificeren. Het op zoek zijn naar gevoelens en ervaringen kan net zo goed een uiting zijn van het ontkennen van de realiteit of het willen vluchten daaruit als van het verlangen naar een levensecht geloof.

Modem en postmodern
Er is nog een andere kanttekening nodig. Te gemakkelijk wordt de indruk gewekt dat 'postmodern' betekent dat 'modern' niet meer actueel is. De genoemde EO-conferentie was er zelf een voorbeeld van dat dit niet het geval is. Ze was heel strak georganiseerd zodat er eigenlijk geen ruimte was binnen de officiële kaders vragen te stellen of opmerkingen te maken waaraan de organisatoren zelf nog niet hadden gedacht. Zo'n strakke organisatie is typisch modern. Ze laat geen ruimte voor wat niet in een tevoren bedacht schema past. En daartegen komt het postmoderne denken juist in verzet.
Maar het gaat me ook bij dit tweede punt om iets anders. 'Modern' wordt terecht verbonden met de behoefte aan zekerheid op basis van wat wij met ons verstand kunnen begrijpen.
Daarbij past het ontwikkelen van wetenschappelijke systemen waarmee alles verklaard kan worden. Hier neemt het postmoderne denken inderdaad afstand van. Typisch modern is dit evenwel ook weer niet. Ook in de Griekse filosofie en in de theologie van de Middeleeuwen was iets dergelijks al aan de orde. Het nieuwe van het moderne denken is dat eerst kritisch wordt gekeken naar alles wat vroeger bedacht is. Die kritische houding is in het postmoderne denken niet opgegeven. Om dit duidelijk te maken moet ik hier iets meer over zeggen.
Het is waarschijnlijk van alle tijden dat mensen zo nu en dan moeite hebben met het gezag. Maar in het algemeen wordt gezag als zodanig geaccepteerd. Dat het er is, in het gezin, in de staat, in de kerk of de religieuze gemeenschap, is haast vanzelfsprekend. Dat is door het kritische denken van de Verlichting in de 18e eeuw anders geworden. De filosoof Kant formuleerde het zo: geen enkel gezag is heilig; het moet zich altijd verantwoorden voor het kritische denken. Dat geldt voor de traditie in filosofie en wetenschap. Het geldt voor de overheid en de wetten van de staat. Het geldt ook in kerk en voor het geloof. Gezag is niet meer vanzelfsprekend.
Het postmoderne denken gaat op deze lijn verder. Het verschil is dat in de achttiende eeuw nog werd gedacht dat het kritische denken zelf de plaats van het vroegere gezag van traditie, staat en kerk, zou kunnen innemen.
Zo zouden mensen het toch eens kunnen worden over wat ze moeten geloven en wat ze behoren te doen, over wat waar is en goed. Dat optimisme is door de postmoderne kritiek radicaal aangètast. Daarom lijkt het het nu soms op alsof iedereen het zelf maar moet uitmaken. Je hoeft je ook niet meer te verantwoorden. Dat heeft immers geen zin. De traditie geldt niet meer en argumenten hebben alleen betekenis voor die mensen die het met je uitgangspunten toch al eens zijn.
Er is nog een andere kant die hier genoemd moet worden. In de achttiende eeuw werden de traditionele opvattingen wel bekritiseerd maar vooral op het gebied van de moraal werden ze inhoudelijk in belangrijke mate gewoon overgenomen. Langzamerhand zijn deze opvattingen evenwel uitgesleten. En omdat het kritische denken niet in staat is de mensen het eens te laten worden, moet ieder nu voor zichzelf beslissen. Met alle gevolgen vandien. Het is daarom niet voor niets dat filosofen zoals Hans-Georg Gadamer, Alasdair Maclntyre en Charles Taylor pleiten voor een herwaardering van de traditie als bron waaruit we onze normatieve overtuigingen moeten putten. Overigens zonder dat zij daarmee achter de Verlichting terug willen gaan. Kritisch denken kan de traditie niet vervangen, maar binnen een traditie moet kritiek wel mogelijk zijn.
In de eerder genoemde discussie rond de EO-conferentie over de 'boodschap en de kloof' wordt de indruk gewekt alsof het niet meer vanzelfsprekend vinden van wat altijd door de kerk en de theologen is geleerd het gevolg is van het postmoderne denken. Dat is heel goed mogelijk. Maar 'postmodern' staat dan niet tegenover 'modern', maar betekent een radicalisering ervan. Het afgaan op het subjectieve gevoel of de eigen ervaring betekent eerder een verlies dan een vooruit- j gang ten opzichte van het kritische denken van de Verlichting. Ik maak ter afsluiting nog drie, opnieuw eigenlijk te korte, opmerkingen over de opgave waarvoor de huidige situatie ons als christenen stelt.

Belofte en gebod
Hetis duidelijk dat de echtheid van ons geloof op de proef gesteld wordt. Daarbij gaat het niet alleen om de vraag of ons geloof levensecht is, maar ook of wat wij geloven de toets van de werkelijkheid kan doorstaan. Mijns inziens moeten beide zichtbaar worden in ons leven. In dit verband zijn vooral twee bijbelse noties van belang: belofte en gebod.
In de Bijbel zijn beide afkomstig van God. Beide hebben ook onmiddellijk met het leven te maken. We oriënteren ons doen en laten op de richting die de geboden ons wijzen - of niet. We vertrouwen op de beloften die God ons heeft gegeven en leven daarnaar - of niet. De echtheid van ons geloven wordt zichtbaar als we de geboden serieus nemen als de aanwijzingen van God voor ons leven. De betrouwbaarheid van zijn beloften kan alleen God zelf garanderen. Maar zowel bij het gebod als bij de belofte komt het erop aan dat we ze goed verstaan. Anders verwachten we iets van God dat Hij niet heeft beloofd. En we denken dat we iets moeten doen of laten omdat God dat vraagt terwijl dat niet het geval is.
Belofte en gebod moeten daarom beide worden verstaan in samenhang met het geheel van het bijbelse onderwijs en met het oog op hun betekenis in de concrete werkelijkheid waarin we ons bevinden. We moeten daarom ook die situatie goed verstaan.
Wie op deze wijze als christen probeert te leven zal merken dat hij zijn verstand hard nodig heeft, maar ook dat er heel wat te beleven valt. Hij zal daarbij stuiten op de beperkingen van zijn verstand én op het feit dat gevoel en ervaring, ook in de relatie met God, zowel met vreugde als verdriet te maken krijgen. Dat was het geval in de tijd van de psalmdichters. Dat zal nu niet anders zijn. Maar we mogen erop vertrouwen dat het goed komt.
Hoe gebroken de werkelijkheid waarin we bestaan ook is, zij blijft schepping van God en zij staat in het teken van het kruis en de opstanding van onze Heer Jezus Christus. Wie zich oriënteert op beloften en gebod van God zal beide in de werkelijkheid van zijn leven gaan herkennen.

1 Kritisch denken
De opmerking over belofte en gebod geldt voor het christelijk leven van iedere tijd. De volgende opmerkingen hebben specifiek betrekking op onze eigentijdse situatie. In het voorafgaande was even aan de orde dat ook gereformeerde en evangelische christenen gestempeld zijn geweest en nog zijn door de invloed van het moderne denken. Voor een deel is dat natuurlijk waar. Zo goed als we ons niet kunnen onttrekken aan het postmoderne levensgevoel. Toch heb ik de indruk dat de echte verwerking van de verworvenheden van de moderne tijd voor veel evangelischen en gereformeerden nog moet beginnen.
Weten wij wat het kritische denken betekent voor het christelijk geloof? Zijn de gevolgen alleen maar negatief? Of gaat het ook om een verworvenheid die wij ons als christen mogen en moeten eigne maken?
In ieder geval is duidelijk dat een beroep op gezag, ook op het gezag van de Bijbel als het Woord van God, in onze situatie op zichzelf niet meer werkt. Om dan niet in het alternatief van 'elk wat wils' te vervallen, moet duidelijk worden dat het christelijk geloof niet alleen levens-, maar ook werkelijkheidsecht is. De innerlijke overtuigingskracht van wat de Bijbel leert zal duidelijk moeten worden. Dat heeft ook gevolgen voor ons houding ten opzichte van de wetenschap.
Met alle terechte kritiek op de ongeloofshouding achter veel wetenschapsbeoefening, ook bij de bijbelwetenschappen, zullen de resulten daarvan serieus onder ogen moeten worden gezien. We kunnen niet volstaan met een alleen maar defensieve houding wanneer we in onze tijd willen volhouden dat we juist in het licht van wat de Bijbel leert recht kunnen doen aan de werkelijkheid zoals we die leren kennen en ervaren. We zullen wat we geloven opnieuw moeten doordenken in relatie tot de werkelijkheid waarin we leven. Dat vraagt om moed én vertrouwen. Maar die mogen we ook hebben. De moderne tijd verbindt kritisch denken met vrijheid en mondigheid. Maar daarvan spreekt Paulus ook, vooral in zijn brief aan de Galaten. Zouden we niet eens moeten gaan nadenken over de betekenis van de vrijheid en mondigheid die we in Christus hebben?
Misschien is dat nu meer dan ooit nodig in het licht van de vragen die op ons afkomen. Zou het niet kunnen zijn dat onze situatie erom vraagt dat we kritisch durven omgaan met de wijze waarop in het verleden de Bijbel is verstaan? Met een diep besef van onze totale afhankelijkheid van Christus, met een voortdurend gebed om de leiding van de Heilige Geest en bewust het risico dat we ons door het 'vlees' en niet door de Geest laten leiden.
En ook in verbondenheid met het geloof van de kerk van Christus door de eeuwen heen. Maar toch met een meer volwassen verantwoordelijkheid dan we vaak gewend zijn.

Eenheid in verscheidenheid
Onze situatie plaatst ons nog voor een andere opgave. Een andere houding tegenover gezag zal ook in de kerk een steeds grotere verscheidenheid van opvatting met zich meebrengen. Wanneer ieder zich het geloof op een persoonlijke manier gaat eigen maken, zal dat gepaard gaan met grotere verschillen dan we gewend zijn en waarschijnlijk dan ons lief is. Een beroep op uitspraken van kerkelijke vergaderingen zal niet in staat zijn daarin verandering te brengen. Daarvoor zijn we te zelfstandig gaan denken. Om duidelijk te maken waarom het gaat noem ik twee voorbeelden: het denken over vrouwelijke ambtsdragers en over homoseksualiteit. Beide onderwerpen liggen gevoelig. Vooral omdat sommigen er heel persoonlijk bij betrokken zijn. Welke ruimte zullen we geven aan verschil van opvatting bij zulke ingrijpende vragen? De kans dat we het er samen over eens zullen worden, acht ik klein. Des te belangrijker zal de vraag worden waarin we onze eenheid zoeken en vinden. Want zonder een fundamentele eenheid in het geloof kan de gemeente van Christus niet bestaan.
Daarmee verbonden is de vraag hoe we die eenheid vorm geven. Er zullen wellicht nieuwe uitspraken moeten worden gedaan door ambtsdragers die geroepen zijn tot verantwoordelijkheid voor de gemeente van Christus. Maar een formele instemming daarmee zal niet voldoende zijn, juist vanwege het mogelijk ingrijpende karakter van de verschillen die desondanks niet de kern van het christelijk geloof raken.
Alleen een herkenning van elkaar als mensen die, met vallen en opstaan, daadwerkelijk vanuit het kruis en de opstanding van Christus willen leven kan een voldoende basis zijn om bij grote verschillen toch de fundamentele eenheid met elkaar te beleven. Ook dat behoort tot het omgaan met elkaar als volwassen en mondige gelovigen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief