Historiciteit en geloofwaardigheid (2)
1998-02-06
De bezinning die het afgelopen jaar in Opbouw gevoerd werd, betrof met name de aard en de betrouwbaarheid van de bijbelse geschiedschrijving, zeg maar, de relatie tussen hetgeen in er in de bijbel staat geschreven en hetgeen er in werkelijkheid is geschied. Ter Linden ontkoppelt deze twee radicaal: de Bijbel biedt geloof, geen geschiedenis. De posities die het afgelopen jaar in Opbouw werden aangenomen, waren anders. Van Kampen en Koers verdedigden, dat je van hetgeen geschreven staat, veilig kunt teruggaan naar hetgeen geschied is. Van der Dussen en Holwerda waren op dit punt beduidend behoedzamer. De Bijbel bevat geen geschiedschrijving, maar prediking. Prediking die teruggaat naar hetgeen gebeurd is, daaraan ook recht doen, daarvan echter geen kopie is. Terugblikkende op deze gedachtewisseling, wil ik in dit artikel stilstaan bij enkele punten waarover géén discussie is geweest. Enerzijds om de gevoerde bezinning in de juiste proporties te zien, anderzijds, omdat dan duidelijk wordt, hoeveel gesprekstof er nog is overgebleven.- Jaargang 42
- nummer 3
Openbaring
Om te beginnen wil ik teruggrijpen op hetgeen Martine Krabbendam-Veenhof opmerkte aan het slot van haar bijdrage. Zij schreef: "M.i. gaat het er vooral om dat we elkaar de vraag stellen of we God gehoorzaam willen zijn, en of we de openbaring in de Schrift als gezaghebbend beschouwen. Wanneer we deze vragen bevestigend kunnen beantwoorden, is het goed om elkaar veel ruimte te gunnen bij het exegetiseren en interpreteren."
(Opbouw, 41 e jrg. nr. 24, pg. 449) Zij spreekt hier over onze basis houding tegenover de Bijbel en roert hiermee aan, wat volgens mij in de hele bezinning op het werk van Ter Linden het meest fundamentele punt is: geloof je dat God, de levende God tot ons gekomen is en nog tot ons spreekt middels dit Boek? Het behoeft geen betoog, dat Ter Linden deze vragen in alle toonaarden ontkennend beantwoordt. Hoe gelovig naïef steken hierbij dan de opvattingen af van degenen die over deze materie in Opbouw schreven. AI menen sommigen dat de relatie tussen het geschreven woord en de historische feiten complex is, het openbaringskarakter van de Schrift staat niet ter discussie. Van der Dussen schreef: "De bijbelschrijvers ... verkondigen hoe God in bepaalde feiten en op bepaalde tijden tot ons spreekt." (nr. 17, pg. 311) Zij boekstaven Gods boodschap (1ge jrg.
pg. 348). En Holwerda wil van een tekort aan eerbied voor wat echt betrouwbaar woord van God is, niet weten (nr. 24 pg. 447 en nr. 25 pg. 466) Wie zo spreken, bevinden zich in een geheel ander geloofsklimaat dan Ter Linden. De laatste kan zich een enkele keer een grapje over de heilige God veroorloven. Doorlopend ook proef je in zijn uitleg van de Schrift een wezenlijk gereserveerde houding. Vanwege zijn uitgangspunt ontkomt hij daar niet aan. Hoe beslissend anders is de houding van degene die belijdt, dat de Bijbel Gods Woord is. Een eerbiedige luisterhouding wordt hem eigen: "Spreek HERE, want uw knecht hoort." Tegelijk een houding van intense vreugde - "Ik verblijd mij over uw woord, als iemand die een rijke buit vindt!" (Ps. 119: 162)en zelfs overgave: "Zevenmaal daags loof ik U, om uw rechtvaardige verordeningen." (Ps. 119:164)
In tijd en ruimte
Ook het historisch karakter van de Godsopenbaring stond niet ter discussie. Van der Dussen immers karakteriseert het werk van de bijbelschrijvers als verkondigende geschiedschrijving. Als ik me niet vergis, ligt de klemtoon op beide woorden. Net als Van Kampen is Van der Dussen ervan overtuigd, dat van een verkondiging waaraan geen geschiedenis beantwoordt, weinig overblijft. Holwerda spreekt van een 'verdicht gebeuren'. Hoewel de wijze waarop de gebeurtenissen worden weergegeven het soms onmogelijk maakt om daarvan een reconstructie te maken, blijft staan, dat de realiteit door de bijbelschrijvers recht wordt gedaan. De levende God is wèrkelijk onze wereld is binnengekomen, wèrkelijk met Abraham, Isaäk en Jakob een weg is gegaan, heeft wèrkelijk het volk Israël Zijn wet gegeven, wèrkelijk zich in Christus geopenbaard. Graag onderstreep ik de betekenis hiervan. Bij Ter Linden staat de mens met al zijn religieuze talenten verweesd in de wereld, teruggeworpen op zichzelf. Israëls theologie is niet anders dan een alleenspraak van de mens met zijn diepste angsten en verlangens. Niet God legt de mens uit, de mens legt zichzelf uit, middels zijn religieuze projecties. Een eenzaam en wanhopig bedrijf, vind ik, hoe heldhaftig en dapper dit mensje volgens Nico ter Linden ook is. Hoe anders wordt het, wanneer de HERE werkelijk in onze wereld is binnengetreden. De zonden zijn werkelijk vergeven! De dood is werkelijk overwonnen en de toekomst gaat werkelijk open ... Overwegen we de eensgezindheid waarmee wij over deze dingen spreken, dan worden opnieuw de proporties van de in Opbouw gevoerde discussie duidelijk.
Wordingsproces
Ook is de bezinning niet gegaan over een punt van een geheel andere orde. Als ik me niet vergis, is de vraag die indertijd door Ab van der Ploeg werd opgeworpen voor het belangrijkste deel nog niet behandeld, laat staan beantwoord. De bezinning heeft zich gaandeweg toegespitst op de aard van de bijbelse geschiedschrijving.
Hoewel de historiciteit van de Bijbel in Van der Ploegs vragen een rol speelde, was zijn vraagstelling veel breder. Ze betrof het hele wordingsproces van het Oude Testament: hoe historisch en menselijk is dat toegegaan en van welke invloed mag dat zijn op onze omgang met de Bijbel? Deze vragen zijn blijven liggen. Hoewel ze zoveel overhoop halen, dat meer dan een heel boek nodig is om ze enigszins bevredigend te beantwoorden, wil ik er kort toch op ingaan.
Open Schriftonderzoek
Eerst echter grijp ik nog even terug op het hierboven aangehaalde citaat van Martine Krabbendam-Veenhof. Uitgaande van een belijdende basishouding bepleit zij ruimte voor open schriftonderzoek. In deze tweeslag kan ik me wel vinden, hoe moeilijk ik 'm in de praktijk soms ook vind. Tot op de dag van vandaag echter ligt een combinatie van een belijdende basishouding die gepaard gaat met een sterk dogmatische benadering van de Schrift meer voor de hand. Ik denk aan redeneringen als: "De Bijbel is het Woord van God. God is volmaakt, dus, de Bijbel is volmaakt."
Deze gedachtengang vinden we bijvoorbeeld in het artikel van de nog jonge K. Schilder, getiteld 'Tegenstrijdigheden in de Bijbel?'. Hierin bespreekt hij bekende problemen als rond de genezing van de blinde te Jericho (zie Mat. 20:29-34; Mark. 10:46-52 en Luk. 18:35-43). Vond die vóór of ná Jericho plaats? Waren er één of twee blinden bij betrokken? Schrijvend over deze - z.i. ogenschijnlijke - tegenstrijdigheden in de Bijbel, stelt hij: "Nee, een gereformeerde kan zich niet vinden in de luchthartige wijze, waarmee modernen over de moeilijkheden in de Bijbel heenlopen. De Schrift is Hem het Woord van God, valt zij, dan valt ook het geloof ..." Tegenstrijdigheden in de Bijbel zijn volgens Schilder bij voorbaat ondenkbaar. De foutloosheid van de Bijbel vloeit per consequentie voort uit de inspiratie. Een redenering die door vele anderen gevolgd wordt en toegepast op de geologische, archeologische en historische gegevens van de Schrift. In deze benadering kan ik me niet vinden, omdat ze, hoezeer ook gedragen door eerbiedige liefde voor God, tè dogmatisch bevooroordeeld is. Het is de denkende mens, die uit zijn belijdenis dat de Bijbel Gods Woord is, de conclusie trekt, dat de Bijbel - in dit geval - foutloos is.
Mij dunkt: belijden dat door dft Boek de heilige God tot ons komt, houdt ook in, dat je de Bijbel neemt zoals de Bijbel zich aandient. En dan ontkom ik niet aan de conclusie, dat de heilige Schriften zoals die nu voor ons liggen, zo heel duidelijk de sporen vertonen van de lange weg die zij tot op heden door de geschiedenis hebben afgelegd.
Stof der eeuwen
Laat me daarvan enkele - tot mijn spijt - onuitgewerkte voorbeelden geven. Allereerst denk ik dan aan de tekst van de Bijbel. Men hoeft geen deskundige te zijn op het gebied van de exegese, om te weten, dat de tekst van de Heilige Schrift op nogal wat plaatsen onzeker is. De oorspronkelijke handschriften van de Bijbel kennen wij niet. De handschriften waarmee we het mogen doen, zijn - hoe betrouwbaar ook! - verre van volmaakt. Het gevolg is, dat we dikwijls niet met zekerheid kunnen zeggen, wat er in de oorspronkelijke tekst - zo er ooit één oorspronkelijke tekst was! - heeft gestaan. Dit gegeven is m.i. al veelzeggend.
De HERE heeft zijn eigen woord aan mensenhand toevertrouwd, met tot gevolg dat dat niet ongeschonden door de tijden is gekomen. Vervolgens staat wat mij betreft vast, dat de weg waarin althans sommige bijbelboeken zijn ontstaan bijzonder complex is geweest. Dan kan onder andere gedacht worden aan Jes. 40-
55 en 56-66. Hoofdstukken die vanouds staan op de naam van Jesaja, de profeet die in de 8ste eeuw voor Christus profeteerde. In navolging van vele anderen meen ook ik, dat het belangrijkste deel van deze hoofdstukken respectievelijk tijdens en na de ballingschap geschreven is. Niet omdat ik niet zou kunnen of willen geloven, dat de HERE bij machte is om voor een profeet de toekomst open te leggen, maar omdat een zinvolle exegese slechts mogelijk is, indien we uitgaan van een exilische, respectievelijk na-exilische profeet. Ook aan de wording van de wets-complexen in Exodus t/m Deuteronomium zit een sterk procesmatige kant, hoezeer ook van de presentatie van deze wetten de suggestie uitgaat, dat ze allen bij de Sinaï geopenbaard zijn. Om een heel ander voorbeeld te geven: er bestaan sterke aanwijzingen, dat de verwoording van Israëls spreken over de HERE God, mede teruggaat op voorstellingen die bij andere volken in het Oude Oosten leefden. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de ontmoeting die Abram heeft met de Melchizedek, de koning van Salem, priester van de allerhoogste God (EIEljon), de Schepper van hemel en aarde. Hij zegent Abram en Abram geeft hem de tienden van de buit (zie Gen. 14:18-20). Uit deze passage blijkt, dat er in Salem, het latere Sion - zie Ps. 76:3 - reeds een eredienst bestond die Israël heel direct in verband kon brengen met de HERE. Het is daarom niet te gewaagd om te veronderstellen, dat, nadat David Jeruzalem veroverd heeft - 2 Sam. 5:6 vv, -, deze dienst aan EI Eljon mede van invloed is geweest op de wijze waarop Israël de lof aan de HERE vertolkt heeft. Dit ook menselijke karakter van de Schrift wordt bevestigd door de fouten en tegenstrijdigheden die er in te vinden zijn. Terugkomend op het bekende voorbeeld van de genezing van de blinde(n) te Jericho: wie de verschillende weergaven naast elkaar legt, kan alleen maar tot de conclusie komen, dat het hier om één en dezelfde gebeurtenis gaat. Detailverschillen daargelaten hebben alle drie de berichten hetzelfde verloop. Een beroep op het zogenaamde 'non liquet' - het is niet geoorloofd een oordeel te vellen - bevredigt hier daarom niet. Onbevooroordeeld, onkrampachtig lezen, leidt dus tot de conclusie dat de evangelisten elkaar op onderdelen wel eens tegenspreken.
Zo zouden er meer voorbeelden gegeven kunnen worden. De genoemde echter zijn voldoende, om te laten zien, hoezeer er aan de Schrift het stof der eeuwen kleeft.
Naäman en wij
De vraag alleen is: welke gevolgen verbind je hier aan? Een goede bekende van me vertelde me ooit, dat hij tijdens zijn studie theologie in een werkelijke geloofscrisis kwam, toen hij hoorde, dat er van de Bijbel verschillende tekstoverleveringen bestaan, zo haaks stond dit op de indruk, die hij zich van de Bijbel gevormd had.
Inmiddels ligt deze fase reeds lang achter hem en wijdt hij zich full-time aan zendingswerk onder Moslims. Zo kan het dus. Anderen echter komen door het in vele opzichten zo menselijke karakter van de Schrift blijvend in een crisis.
Zelf ben ik van mening, dat we dit wordingsproces van de Schriften niet in mindering mogen brengen op de belijdenis dat de Bijbel het Woord van God is. Zoals de Bijbel tot ons komt, inclusief 'het stof der eeuwen', is zij Woord van God. Het behoort immers tot zijn vrijmacht om zich aan ons te openbaren zoals Hij het wil? Het behoort ook tot zijn vrijmacht om zich in de vorige en deze eeuw aan de zogenaamde 'verlichte' mens te openbaren zoals Hij het wil. Hij is de HEER, ook over zijn Woord. Zelfs ben ik - met anderen - van mening, dat dit wat problematische karakter van de Bijbel zinvol is en een geestelijke betekenis heeft. Was het niet Naäman, die zich, beledigd als hij was, weigerde te baden in de Jordaan, omdat de Abana en de Parpan, de rivieren van Damascus, beter waren dan alle wateren van Israël? Ter verootmoediging werd hem die weg gewezen. En zo is het ook met de Bijbel. Terecht wordt in dit verband een relatie gelegd met 1 Cor. 1:26 W.: "Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen ...". Het buitengewone is, dat de HERE degene die ootmoedig door deze wonderlijke bril naar zichzelf en de wereld kijkt, nog steeds het helderste zicht op de werkelijkheid geeft. Kortom, wat onze kennisvermeerdering en - vermindering ook met het lezen van de Bijbel doen, één ding blijft: "Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af, maar het woord des Heren blijft tot in eeuwigheid.
Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is. (1 Pet. 1:23 w.)